6 januari 2026
Leerdoelen
• Studenten hebben kennis van de verschillende strafrechtstheorieën en kunnen
aangeven wat de heersende strafrechtstheorie is.
• Studenten hebben kennis van opvattingen over de relatie tussen straffen en vergelden
en kunnen benoemen welke consequenties uit die opvattingen voortvloeien.
• Studenten hebben kennis over strafdoelen en kunnen die kennis toepassen op actuele
vraagstukken, zoals de wenselijkheid van korte vrijheidsstraffen.
Literatuur
• W.H.A. Jonkers, ‘De strafrechtelijke straf: inhoud, grondslag, doeleinden’, in: Y. Buruma,
100 jaar strafrecht. Klassieke teksten van de twintigste eeuw, Amsterdam: Amsterdam
University Press 1999, p. 163-175. (via Canvas)
• P.C. Vegter, Vormen van detentie (diss. KUN), Arnhem: Gouda Quint 1989, p. 158-171
(par. 6.3.3-6.3.4). (via Canvas)
• G. Knigge, Het irrationele van de straf (oratie RUG), Arnhem Gouda Quint 1988. (via
Canvas)
• F.W. Bleichrodt en P.C. Vegter, Sanctierecht (derde, herziene druk), Deventer: Kluwer
2021, paragraaf 1.5 (via Canvas)
• S. Meijer, In al haar facetten. Over de betekenis van resocialisatie (oratie Radboud), par.
1, 2 en 4. (via Canvas)
• S. Boschman, S. Verweij en G. Weijters, Korte vrijheidsstraffen. Een literatuuronderzoek
naar het bereiken van strafdoelen met korte vrijheidsstraffen ten opzichte van andere
straffen, Den Haag: WODC 2023, par. 1 (t/m 1.2.3.), 2.1.1., 6.1-6.2 (t/m 6.2.1),
https://repository.wodc.nl/handle/20.500.12832/3281
Werkgroepvragen
1. Om de vraag te beantwoorden waarom wij straffen wordt in de literatuur onderscheid
gemaakt tussen een drietal clusters van straftheorieën, te weten de retributieve
straftheorieën (ook wel: absolute vergeldingstheorieën), de relatieve (ook wel:
doeltheorieën) en de verenigingstheorieën. Lees de teksten van Vegter, Knigge,
Bleichrodt en Vegter en Boschman, Verweij en Weijers.
a. Arceer in voornoemde teksten wat in de verschillende straftheorieën als
grondslag of rechtvaardiging van de straf wordt gezien.
b. Arceer in voornoemde teksten wat in de verschillende straftheorieën als doel
van de straf wordt gezien.
c. Arceer in voornoemde teksten kenmerken van elke strafrechtstheorie.
d. Arceer in voornoemde teksten in welke tijd de betreffende theorie kan worden
geplaatst. Wat is thans de heersende strafrechtstheorie?
1
, e. Maak tot slot een overzicht waarin u de belangrijkste verschillen en
overeenkomsten tussen de verschillende straftheorieën uiteenzet aan de hand
van vraag 1a-1d (dit schema zal in de werkgroep gezamenlijk worden
gereconstrueerd).
Theorie Grondslag (a) Doel (b) Kenmerken (c) Tijd (d)
Retributieve Het gepleegde feit – Vergelding en Schuld centraal; straf Klassieke richting
straftheorie Normoverschrijding vereffening is een doel op zichzelf– staat heel erg
(absolute van de individu. (‘Punitur, quia onder invloed van
vergelding) Kunnen ook peccatum est’). de Verlichting.
Straffen = reactief andere doelen Beccaria:
Kant: ‘Oog om oog, zijn maar die Vergelding is zowel de Men maakt
tand om tand’; zijn dan rechtvaardiging als het rationale
proportionaliteit ondergeschikt. doel van de straf. afweging.
van de straf met
gepleegde feit.
Relatieve theorie Toekomstig Preventie Focus op Moderne richting
(doeltheorie) nut/maatschappelijk dader/instrumenteel; – Rond 1900:
effect Onderscheid straf is een middel Mens wordt ook
Utilistische theorie tussen (‘Punitur, ne beïnvloed door
generale en peccatur’) omstandigheden.
O.a. Beccaria keek speciale
ook naar het te preventie* Oude WvS in 1886
verwachten tot stand
toekomstig effect gekomen onder
van straffen, maar Klassieke richting,
hij ging nog uit van en ongeveer
de rationaliteit van tegelijk kwam de
de mens. Moderne richting
op.
Verenigingstheorie Combinatie van nut Handhaving Twee vormen – 1 stelt Huidige
en rechtvaardigheid rechtsorde – utiliteit voorop, en 2 heersende leer –
Combinatie (heersend in NL) gaat Sinds ongeveer
bovenste uit dat reden waarom WO II
twee doelen. we straffen in eerste
plaats vergelding is.
Maar bij keuze straf
spelen utilistische
overwegingen een rol.
2
,*Generale preventie
Te onderscheiden in: normbevestiging / normstellend / afschrikwekkende werking / beveiliging
maatschappij / conflictoplossing en voorkoming van eigenrichting
Speciale preventie
Te onderscheiden in: afschrikking van de dader / onschadelijkmaking / verbetering van de
dader, zoals resocialisatie
Andere strafdoelen in opkomst: herstel & genoegdoening (niet helemaal duidelijk wat onder
deze laatste valt)
2. De absolute vergeldingstheorieën en de doeltheorieën kennen in hun meest zuivere
vorm zowel een beschermend aspect voor de dader, als een nadelig aspect. Licht toe
waarom dat het geval is.
Absolute vergeldingstheorieën → Hier staat schuldvergelding centraal.
• Beschermend aspect: De rechtvaardigheid eist dat de straf proportioneel is aan de ernst
van het feit en de mate van schuld. De schuld van de dader fungeert hierbij als een
strikte bovengrens: er mag nooit meer leed worden toegevoegd dan de dader op basis
van zijn misdrijf ‘verdiend’ heeft. Dit voorkomt dat een dader willekeurig zwaar wordt
gestraft voor een relatief licht vergrijp, enkel omdat de maatschappij dat nuttig zou
vinden.
• Nadelig aspect: De straf wordt gezien als een morele noodzaak, waardoor er gestraft
moet worden, ongeacht of dit in de toekomst een positief effect heeft. De theorie kijkt
niet naar de persoonlijke omstandigheden of de kans op verbetering; de dader moet
boeten, zelfs als de straf zijn resocialisatie belemmert of onbedoelde schade aanricht.
Doeltheorieën → Rechtvaardiging van de straf in het toekomstige nut en het voorkomen van
nieuwe feiten.
• Beschermend aspect: Vanuit utilistisch oogpunt mag een straf niet zwaarder zijn dan
strikt noodzakelijk voor de veiligheid van de samenleving. Dit dient als een waarborg
tegen ‘wrede, ongelijke en onvoorspelbare bestraffing’, aangezien nodeloos zware
straffen geen maatschappelijk nut dienen en de overheid haar macht dan misbruikt.
• Nadelig aspect: De dader kan worden gebruikt als een middel voor een doel,
bijvoorbeeld om anderen af te schrikken (generale preventie), Dit brengt het gevaar met
zich mee dat een individu buitenproportioneel zwaar gestraft wordt voor een klein
vergrijp als dat nodig wordt geacht om een krachtig signaal aan de samenleving af te
geven. Bovendien kan het doel van ‘beveiliging’ leiden tot langdurige
onschadelijkmaking of opsluiting van personen die als gevaarlijk worden beschouwd,
waarbij de focus verschuift van de daad naar de persoon. Kan zorgen voor ongelijkheid.
3
, 3. Jonkers definieert de straf als de vergelding van schuld. Aan die constatering verbindt
hij ook een heel duidelijke consequentie.
→ Echt een denker in de Klassieke richting
a. Arceer in de tekst welke consequentie Jonkers hieraan verbindt.
Jonkers stelt dat als men straf definieert als de vergelding van schuld, de onvermijdelijke
consequentie is dat (1) zonder schuld geen straf mogelijk is. Een tweede belangrijke
consequentie die hij hieraan verbindt, is dat de schuld de straf niet alleen rechtvaardigt
(legitimeert), maar ook begrenst (limiteert): (2) de straf mag nooit zwaarder zijn dan de mate
van schuld.
b. Wordt de door Jonkers gehuldigde opvatting door de Hoge Raad gedeeld? Licht
toe waarom dat het geval is.
(1) In de Nederlandse rechtsgeschiedenis heeft de Hoge Raad bepaald dat schuld een
noodzakelijke voorwaarde is voor strafbaarheid (het leerstuk van de afwezigheid van
alle schuld, ofwel AVAS). Jonkers merkt op dat dat het beginsel ‘geen straf zonder
schuld’ een ‘gevolgd praktijkbeginsel’ is. De Hoge Raad hanteert hierbij, net als Jonkers,
de verenigingstheorie, waarbij schuld fungeert als de noodzakelijke bovengrens voor de
strafmaat.
(2) HR Zwarte Ruiter → Ons strafrecht bevat geen rechtsregel die verbiedt dat er een straf
wordt opgelegd die hoger is dan de schuld van de dader. Naast vergelding zijn er ook
andere strafdoelen die ertoe kunnen leiden dat de straf hoger is dan de mate van schuld
– preventieve overwegingen (voetnoot in stuk Vegter, p. 170). Dit komt dus niet
overeen met Jonkers.
c. Mag schuld in de ogen van Jonkers ook onvergolden blijven? Zo ja, welke
bijkomende redenen zijn dan nodig om tot strafoplegging over te gaan.
Ja, in de ogen van Jonkers mag schuld zeker onvergolden blijven, en soms moet dat volgens
hem zelfs. Hij stelt dat schuld weliswaar een noodzakelijke grond is (zonder schuld geen straf),
maar op zichzelf geen voldoende grond om ook daadwerkelijk te straffen.
Om wel tot strafoplegging over te gaan, zijn er bijkomende redenen nodig in de vorm van
strafdoeleinden. Dus een legitiem strafdoel, en straf als instrument moet geschikt zijn om dit
doel te bereiken. Hij noemt o.a. de volgende doelen: afschrikking, norminprenting, beveiliging,
resocialisatie, voorkoming van eigenrichting etc.
P. 167 en 168
4