Onderwijs
Week 1 | Ontwikkelingsfase: Babies, peuters en kleuters
Hoorcollege 1
In de tweede helft van de 18e eeuw kwamen de eerste media speciaal voor kinderen (dit waren
boeken). Daarvoor werden kinderen gezien als mini-volwassenen. Later veranderde dit beeld
naar onschuldig en kwetsbaar. In de 2e helft van de 20e eeuw veranderde het beeld opnieuw.
Kinderen werden gezien als zelfstandige personen. Ze werden dus ook een doelgroep voor
media.
Nieuwe technologie en media hebben een aantal kenmerken:
- Interactief.
- Tijd en plaats staan niet meer vast. Je kan programma’s nu opnemen. Met je
smartphone kan je ook overal bellen en dingen kijken.
- Multimodaliteit. Media gebruiken nu meerdere dingen tegelijk.
- Persoonlijke communicatie en massacommunicatie lopen door elkaar.
- Meer controle voor het individu. Ook mensen zelf kunnen media maken.
,Onderzoek in de jaren ’90 naar media was vooral gefocust op de negatieve kanten ervan en
minder op de positieve kanten. Het belangrijkste doel was veiligheid en de belangrijkste
remedie was het beperken van de toegang tot technologie.
Vanaf ongeveer 2000 veranderde dit. Ze zagen dat risico’s en mogelijkheden vaak
samenhingen. Kinderen werden niet meer gezien als passieve kijkers, maar als ontvanger,
deelnemer en maker. Ook werd er veel onderzoek gedaan naar de relatie tussen online en
offline leven. Er werk veel gekeken naar veerkracht. Het belangrijkste doel van het onderzoek
naar technologie in deze tijd was begrip en kennis krijgen. En de belangrijkste oplossing was
kinderen leren omgaan met de risico’s die erbij komen kijken.
Mid jaren 2000 kwam er weer een nieuwe golf. Onderzoekers zagen dat het internet echt een
vast onderdeel werd in het dagelijkse leven. Educatie werd in deze tijd heel belangrijk over
hoe om te gaan met de risico’s en kansen van technologie. Ook werd de context een belangrijk
onderdeel. Het belangrijkste doel van deze golf was het begrijpen wat er gebeurt en de
belangrijkste oplossing was het bedenken van interventies voor de negatieve effecten.
Hoe media worden gebruikt en wat het effect daarvan is hangt af van het individu zelf, je
ontwikkelingsfase en je omgeving. Daarnaast zijn media-effecten ook wederzijds. Media kan
invloed hebben op jou, maar jij als persoon kan ook bepalen welke media je kiest en gebruikt.
Afb.: practices: wat er online wordt gedaan. De mogelijkheden en risico’s kunnen wellicht
gebufferd worden door beschermende factoren. Het model aan de linkerkant komt eigenlijk
een beetje overeen met het ecologische model van bronfenbrenner.
,Toekomstig onderzoek naar media wordt steeds complexer. Omdat de online ervaringen voor
kinderen waarschijnlijk niet overal hetzelfde zijn, ook is media voortdurend aan het
veranderen en het technologie gebruik is ook afhankelijk van wetten en regels in een land.
Afb.: je kan sociale media via 2 paradigma’s bekijken. Je kan het zien als het kwetsbare kind
en dat media dus gevaarlijk is voor kinderen, maar je kan het ook zien als het empowered
kind, waarbij je dus meer naar de krachten van sociale media kijkt.
, Afb.: dit is het model wat in het vak veel wordt gebruikt en daarbij wordt een extra laag
toegevoegd, namelijk de digitale omgeving.
De gemiddelde discrepantie hypothese stelt eigenlijk dat kinderen zijn aangetrokken tot
entertainment dat gemiddeld afwijkt van de dingen die ze al kennen, begrijpen en toe in staat
zijn. Kinderen zijn minder geïnteresseerd op dingen die direct bij ze aansluiten of dat teveel
van hun eigen framework afwijkt.
De ontwikkelingsbenadering stelt dat we in ons leven verschillende ontwikkelingsfasen
doorlopen en dat in al die ontwikkelingsfasen weer andere dingen spelen. Binnen die
ontwikkelingsfasen heb je dus andere voorkeuren.
Vergeleken met traditionele media, brengen digitale media weer nieuwe risico’s en kansen
met zich mee.
Hoorcollege 2