Module 1
Internationaal publiekrecht
Regelt de uitoefening van publiek gezag in de internationale gemeenschap. Het kent bevoegdheden
toe aan entiteiten die publiek gezag uitoefenen (vooral staten en internationale organisaties) en
biedt een juridisch kader waarbinnen zij deze bevoegdheden uitoefenen.
Ontstaan
Het internationaal publiekrecht had ten tijde van de opkomst van soevereine staten vooral als functie
de bevordering van het vreedzaam samenleven (co-existentie) van staten. Die onafhankelijke staten,
die bepalend waren voor de ontwikkeling van internationaal publiekrecht, ontstonden in het Europa
van de zestiende en zeventiende eeuw.
Onderscheid publiek en privaatrecht
Het Verdrag van Westfalen 1648 wordt gezien als het beginpunt van internationaal recht. Dit verdrag
maakte een einde aan de dertig- en tachtigjarige oorlog, vanaf toen was er geen onderscheid meer
tussen publiek- en privaatrecht.
Het internationaal publiekrecht legitimeert en reguleert de uitoefening van publiek gezag in de
internationale gemeenschap. Daarnaast beschermt het internationaal publiekrecht de publieke
belangen (zoals veiligheid, welzijn, bescherming van natuur en milieu). Het internationaal
privaatrecht beheerst de privaatrechtelijke rechtsbetrekkingen met een grensoverschrijdend
karakter. De inhoud van internationaal privaatrecht wordt in tegenstelling tot internationaal
publiekrecht in belangrijke mate bepaald door nationaal recht. Daarnaast bestaat het internationaal
privaatrecht uit verdragen die het nationaal recht aanvullen.
Het onderscheid is niet scherp. Om grensoverschrijdende publieke belangen te beschermen kan het
wenselijk zijn privaatrechtelijke rechtsbetrekkingen te reguleren. Staten laten publieke taken in
toenemende mate over aan private instituties, maar de taken die deze private instanties uitvoeren
kunnen een publiek karakter hebben, gezien vanuit het internationaal publiekrecht. Dit betekent dat
een staat aansprakelijk gesteld kan worden als een private instelling bij de uitoefening van publieke
taken in strijd handelt met internationaal recht.
______________________________________________________________________________
Een van de nieuwe, onafhankelijke staten die bij de Vrede van Westfalen werd erkend, was de
Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Er ontstond een systeem van soevereine (staten die
alles zelf beslissen) en gelijke staten die niet langer waren onderworpen aan een hoger gezag.
Europese staten breidde hun activiteiten uit naar andere delen van de wereld. Deze delen werden
onderworpen aan het koloniaal gezag van EU-staten en zo onderworpen aan het door deze staten
gevormde internationaal recht. Nederland een belangrijke rol -> VOC & WIC.
,Met relatief machtige en georganiseerde politieke entiteiten sloten EU-staten zogeheten capitulaties
= overeenkomsten die de belangen van hun onderdanen in die gebieden beschermen: handel,
rechtspraak, geloofsvrijheid.
Na de Eerste Wereldoorlog verloor Europa zijn greep op de internationale rechtsorde. De opkomst
van de VS als machtsfactor, een stagnerende koloniale expansie en het ontstaan van de Sovjet-Unie
met een communistisch systeem dat een einde maakte aan de ideologische eenheid van Europa,
verzwakte de Europese dominantie.
Zelfbeschikking werd in 1945 aanvaard als rechtsbeginsel in het Handvest van de Verenigde Naties.
Dit gaf alle volkeren het recht om over hun eigen lot te beschikken. De koloniale rijken van de VK,
Frankrijk, Spanje, Portugal, België, Italië en Nederland werden ontmanteld. Het aantal staten steeg
van rond de 50 direct na WOII naar ruim 190 in 2022.
Belangrijke punten binnen het internationaal recht:
- Er is geen centrale wetgever. Ook is er geen internationale politie, leger of algemeen
internationale rechter om de orde te handhaven of sancties op te leggen.
- Het internationaal recht is een systeem dat afhankelijk is van instemming van staten.
Rechtsbronnen
Rechtsbronnen zijn feiten, gebeurtenissen of procedures die een rechtsorde als rechtscheppend
erkent.
De nationale en internationale rechtsorde kennen elk hun eigen rechtsbronnen.
De Nederlandse rechtsorde: wetten en contracten.
De internationale rechtsorde: gewoonterecht, verdragen, besluiten van internationale organisaties
en algemene rechtsbeginselen.
Dualistische leer: de internationale en nationale rechtsordes zijn geheel gescheiden rechtssystemen.
In dit stelsel kan pas aanspraak gemaakt worden op internationaal recht wanneer het is omgezet
door de volksvertegenwoordiger. In het klassieke dualisme geldt de soevereine staat als hoogste
gezag. Het primaat brengt met zich mee dat internationaal recht niet boven de staat kan staan.
Omdat internationaal recht voorkomt uit de wil van de staat, is het per definitie afhankelijk van en
onderworpen aan soevereiniteit. De dualistische leer is geïnspireerd door nationalistische
opvattingen en heeft als functie om de nationale rechtsorde te beschermen tegen directe invloeden
van internationaal recht.
De monistische leer is een reactie op de nadruk van het dualisme op de soevereine staat en de
ontkenning van een zelfstandige positie van het individu.
Monistische leer: er bestaat één rechtsorde, waar zowel internationaal als nationaal recht deel van
uitmaakt.
De dualistische aspiratie blijft waardevol, omdat ze de autonomie van in staten georganiseerde
politiek gemeenschappen benadrukt boven een nauwelijks gedefinieerde internationale
,gemeenschap. De monistische aspiratie blijft van belang nu individuen in grote delen van de wereld
vaak een kwetsbare positie hebben, vooral als zij tot etnische of religieuze minderheden behoren.
Duidelijk is dat er een formele scheiding bestaat tussen internationaal en nationaal recht. De
internationale en nationale rechtsorde hebben elk hun eigen rechtsbronnen. Ook zijn zij autonoom
(zelfstandig en onafhankelijk). Hoewel regels van nationaal recht bouwstenen kunnen zijn in het
proces van internationale rechtsvorming, heeft een nationale regels als zodanig geen rechtsgevolg in
de internationale rechtsorde. Ook kan internationaal recht niet bepalen welke rechtsgevolgen het
heeft in de nationale rechtsorde. De rechtsgevolgen van internationaal recht in de nationale
rechtsorde worden uitsluitend bepaald door nationaal recht.
Bij de formele scheiding moeten drie kanttekeningen worden geplaatst:
1. Internationaal recht heeft betrekking op de rechtspositie van nationale personen, in de
vorm van mensenrechten.
2. Het internationaal recht heeft steeds meer betrekking op onderwerpen die ook door
nationaal recht worden gereguleerd.
3. Steeds meer staten hebben hun nationale rechtsorde opengesteld voor de toepassing
van internationaal recht. Resultaat is dat internationaal en nationaal recht sterk
verweven zijn geraakt.
BELANGRIJK
Nederland volgt een gematigd monistisch stelsel als het gaat om de verhouding tussen nationaal en
internationaal recht. In dit systeem kunnen internationale verdragen en besluiten van
volkenrechtelijke organisaties onder bepaalde voorwaarden directe werking hebben binnen de
nationale rechtsorde, zonder dat ze eerst omgezet hoeven te worden in nationale wetgeving.
In het Nederlandse systeem geldt het volgende:
Monisme: internationale verdragen met directe werking hebben voorrang boven nationale
wetgeving. Dit betekent dat burgers zich direct kunnen beroepen op internationaal recht, mits het
verdrag hiervoor is geschreven (artikel 93 en 94 van de Grondwet).
Gematigd: niet alle internationale verdragen hebben automatisch directe werking. Alleen als de
bepalingen voldoende concreet zijn om zonder verdere uitwerking te worden toegepast, hebben ze
directe werking.
Kortom Nederland combineert elementen van monisme en dualisme, maar de invloed van het
internationaal recht op de Nederlandse rechtsorde is significant, mits het betreffende verdrag directe
werking heeft.
Het verdrag en besluiten van internationale organisaties zijn de belangrijkste rechtsbronnen in de
nationale rechtsorde. Ook gewoonterecht is relatief van belang. Dit is echter, als gevolg van het
relatief algemene karakter van gewoonterecht en het feit dat het vooral betrekking heeft op
interstatelijke rechtsbetrekkingen, van relatief weinig belang in de nationale rechtspraktijk. Dit geldt
ook voor eenzijdige rechtshandelingen.
, De Hoge Raad heeft bepaald dat uitspraken van het EVRM geacht worden te zijn geïncorporeerd in
de materiële bepaling van het EVRM waarop zij betrekking hebben. Deze benadering wordt wel
aangeduid als incorporatietheorie.
Nederland behoort tot de staten die hebben gekozen voor het ‘internationalistische model’. Artikel
94 Gw bepaalt dat internationaal recht voorrang heeft boven nationaal recht, maar beperkt die
voorrang wel tot 'een ieder verbindende bepalingen’.
De mate waarin en de wijze waarop internationaal recht doorverwerkt is in de nationale rechtsorde,
wordt bepaald door: geldigheid, rechtstreekse werking en voorrang.
*Zie hierover meer onder het kopje Nationaal recht en doorwerking
Het publieke element
Het publieke element onderscheidt internationaal publiekrecht van internationaal privaatrecht. Dit
publieke karakter ligt besloten in twee kenmerken:
1. Internationaal publiekrecht legitimeert en reguleert de uitoefening van publiek gezag in
de internationale gemeenschap. Hoewel internationaal recht ook van belang is voor de
rechtspositie van individuen jegens staten, heeft het slechts indirect betrekking op
rechtsbetrekkingen tussen particulieren.
2. Het internationaal publiekrecht beschermt publieke belangen. In eerste instantie zijn dit
de belangen van individuele staten, die d.m.v. internationale afspraken proberen hun
belangen te beschermen. Maar het beschermt ook boven nationale publieke belangen:
belangen van staten gezamenlijk en in sommige gevallen de belangen van de
internationale gemeenschap als geheel.
Internationaal privaatrecht beheerst privaatrechtelijke rechtsbetrekkingen met een
grensoverschrijdend karakter. Privaatrechtelijke verdragen maken deel uit van het internationaal
publiekrecht. Zij worden immers gesloten tussen staten en als zodanig beheerst door internationaal
publiekrecht.
Juridisch en morele regels
Het onderscheid tussen juridische regels enerzijds en politieke en morele regels anderzijds kan aan
de hand van twee criteria worden bepaald. Het eerste criterium is de bron van een regel. De
internationale rechtsorde kent een beperkt aantal rechtsbronnen, bovenal verdragen,
gewoonterecht, besluiten van internationale organisaties en algemene rechtsbeginselen. Alleen
regels die uit deze bronnen voortvloeien behoren tot het internationaal publiekrecht.
Het onderscheid tussen rechtsregels en andere regels aan de hand van de rechtsbron is een kenmerk
van het positivisme, de heersende theoretische opvatting over internationaal recht; internationaal
recht is wat staten samen hebben afgesproken, en er zijn geen hogere regels buiten die afspraken
om. Het tweede criterium is dat rechtsregels onderdeel zijn van een systeem dat schending van een
norm verbindt met een sanctie. In de internationale rechtsorde ligt handhaving in belangrijke mate in
handen van staten zelf.