Thema 1 – Introductie
1.1 – Historische mijlpalen
Bijdragen van Franz Joseph Gall, Paul Broca, Carl Wernicke en Aleksandr Luria aan de
ontwikkeling van de hedendaagse neuropsychologie beschrijven.
Hoofdstuk 1: klinische neuropsychologie, een historische schets
Inleiding
Al tijdens de klassieke oudheid waren wetenschappers ervan overtuigd dat er een nauwe
samenhang bestaat tussen de hersenen en gedrag:
- Hippocrates (400 jaar voor Christus): al het (afwijkend) gedrag komt voort uit de
hersenen, in plaats van buitenaardse krachten.
- Galenus (129-217): het lichaam als samenspel van de elementen water, vuur, bloed en
slijm die in balans moesten zijn.
Vanaf de zeventiende eeuw hebben mensen als Descartes, Gall, Broca, Wernicke en Charcot
een bijdrage geleverd aan het veld van de psychologie.
- Descartes (1596-1650): de menselijke geest kon opgedeeld worden in twee substanties:
het lichaam en de geest. De ziel is een ongedeelde, zelfstandige immateriële eenheid,
gelokaliseerd in de pijnappelklier (of epifyse), een hol gedeelte in het hoofd.
- Gall (19e eeuw): een groot aantal mentale organen, gelegen in de grijze schors van de
hersenen. Deze opvatting leidde tot de frenologie – achteraf gezien de basis van onze
hedendaagse opvattingen over de werking van de hersenen. Na overlijden van mensen
met hersenletsel werd de plaats van de laesie gerelateerd aan de functionele stoornis
(clinicoanatomische methode).
Gall en het lokalisatievraagstuk
Franz Joseph Gall (eind achttiende eeuw): organologie of kraniologie (schedelleer):
- Alle psychologische functies zijn aangeboren; mensen kunnen verschillen in aanleg voor
bepaalde functies.
- Er zijn aparte organen voor taal, muziek en rekenen, maar ook voor moederliefde:
onafhankelijke functies (breuk oude idee van ziel en ongedeelde geest). Als de functie
beter is, is het groter in omvang (knobbel er omheen in de schedel).
- Functies zitten aan de buitenkant (in plaats van in het midden) van de hersenen: de
cortex. De plaatsen van de functies zouden achterhaald kunnen worden door te voelen
waar welke knobbel zit. Daarnaast werden effecten van hersenbeschadiging gezien als
bewijs (hij lokaliseerde taal in het voorste deel van de hersenen).
De clinicoanatomische methode
De clinicoanatomische methode: de werkwijze om lokalisatie-ideeën te toetsen door bij
patiënten met een focaal hersenletsel de specifieke uitvalsverschijnselen in kaart te brengen.
Paul Broca:
- toonde de hersenen van een patiënt (‘Tan’) met een laesie in het voorste deel van de
hersenen, aan de voet van de derde frontaalwinding (meer de zijkant) en stelde dat niet
de taal als geheel daar gelokaliseerd is, maar alleen het mechanisme om woorden uit te
spreken (sequentie van klanken): gebied van Broca.
- de laesie van taal zat eigenlijk altijd in de linkerhersenhelft, waardoor hij stelde dat de
twee hersenhelften verschillende functies hebben.
,De opvatting ontstond dat taal gezien kon worden als een geheel van functies.
Carl Wernicke: een apart centrum voor het herkennen van woordbeelden (gesproken woord),
gelokaliseerd in de temporaalkwab (eindpunt gehoorbaan). Tussen het woordbegripscentrum en
woordproductiecentrum (Broca) zou een verbindingsbaan lopen. Er kon een stoornis ontstaan
door een laesie in een centrum of door een laesie van een verbindingsbaan (disconnectie).
Wernicke beschouwde de hersenen als een instrument waarin sensorische prikkels werden
gekoppeld aan motorische reacties.
Holisme
Rond 1900 begon in Europa een verzet tegen de lokalisatiebeweging.
In het midden van de twintigste eeuw was Aleksandr Luria een van de belangrijkste personen in
de psychologie. Zijn ideeën zijn van grote invloed geweest op de hedendaagse
neuropsychologie.
Luria: een globaal model
Luria is een van de meest invloedrijke psychologen uit de vorige eeuw. Hij heeft er in zijn werk
steeds naar gestreefd om zijn klinische waarnemingen te integreren in de toen geldende
theorieën.
Hij vatte de hersenen-als-geheel op als één complex functioneel systeem, waarbinnen diverse
subsystemen een eigen bijdrage aan de gezamenlijke activiteit leveren. Functionele
subsystemen ontstaan door interacties tijdens de ontwikkeling tussen kind en omgeving en
veranderen ten gevolge van leerprocessen. Het functioneel van hersenen-als-geheel is flexibel
en adaptief (met inzet van andere subsystemen kan dan toch hetzelfde einddoel worden
gerealiseerd). Op grond van het uiteindelijke gedragsresultaat kan daarom nooit rechtstreeks
iets geconcludeerd worden over de verantwoordelijke subsystemen (en dus de beschadiging of
intactheid van specifieke hersenregionen).
Anderzijds toonde hij zich weer als lokalisationist, omdat hij ervan overtuigd was dat
nauwkeurige wetenschappelijke analyse van een gedragsstoornis een specifiek gestoorde factor
zou aantonen, waar ieder hersengebied aan gekoppeld kon worden.
In zijn zoektocht naar meer ordening presenteerde hij een overzicht van de functionele
architectuur van de hersenen. Hij vatte deze samen aan de hand van drie globale indelingen.
1. Drie voortdurend interacterende functionele eenheden (units), gerelateerd aan
respectievelijk subcorticale, posterieure en anterieure hersengebieden (respectievelijk
'activatie', 'input' en 'output')
2. Drie hiërarchisch geordende niveaus van verwerking, gerelateerd aan primaire,
secundaire en tertiaire 'zones' in de hersenen
3. Gedrag dat wel of niet gereguleerd wordt door taalprocessen, gerelateerd aan
respectievelijk de linker- en rechterhemisfeer.
Bij iedere mentale activiteit zijn alle drie genoemde functionele eenheden betrokken.
- De eerste eenheid dient voor de regulatie van waakzaamheid en aandacht; stoornissen
daarin worden met name veroorzaakt door letsels in de hersenstam, het diëncephalon
en de mediale gebieden van de grote hersenen.
- De rol van de tweede functionele eenheid is cognitieve informatieverwerking:
waarneming, verwerking en opslag van informatie. Stoornissen daarin worden
, veroorzaakt door letsels achter de centrale fissuur: de posterieure gebieden van de
laterale cortex.
- De derde functionele eenheid dient voor de organisatie van gedrag: planning, regulatie
en monitoring van doelgerichte activiteiten. Stoornissen daarin treden op bij letsels voor
de centrale fissuur: de motorische, premotorische en prefrontale cortex.
In principe kan binnen ieder van deze eenheden onderscheid gemaakt worden primaire,
secundaire en tertiaire zones:
- Primaire zones: Projectiegebieden van zintuigen en motoriek (de modaliteitspecifieke
occipitale, temporale en postcentrale gebieden in de tweede eenheid en het precentrale
(motorische) gebied in de derde eenheid.
- Secundaire zones: eveneens nog grotendeels modaliteitspecifiek. In de tweede eenheid
betrokken bij verdere verwerking van binnenkomende informatie en in de derde eenheid
bij voorbereiden van de motoriek.
- Tertiaire zones: overgebleven gebieden, met name temporo-pariëto-occipitale
overgangsgebied en de prefrontale cortex, noodzakelijk voor multimodale en cognitieve
integratie en vormen van intenties en plannen en evalueren van eigen gedrag.
Luria legde nadruk op de betekenis van taal (met name internal speech) voor de regulatie van
cognitieve, emotionele en planningsfuncties.
De hypothesen over de seriële verwerking door primaire, secundaire en tertiaire zones worden
niet meer onderschreven. Zijn samenvatting als algemeen beschrijvend kader waarbinnen
klinische verschijnselen en hun dissociaties geplaatst kunnen worden, blijft nuttig.
Een eerste aanzet: de testbatterij
Met de ontwikkeling van testinstrumenten konden psychologen een deel van het werk van de
neurologen overnemen, wat leidde tot de specialisatie van psychologen op neurologische
afdelingen.
De neuropsychologie als zelfstandige discipline
De snelle ontwikkeling van het onderzoek naar taalstoornissen en hemisfeerverschillen rond
1960 zorgde ervoor dat de neuropsychologie een eigenstandig specialisme werd.
Arthur Benton stimuleerde de ontwikkeling van nieuwe neuropsychologische tests.
Cognitieve neuropsychologie
Neurobeeldvorming
Neurobeeldvormende mogelijkheden namen in snel tempo toe. Sommige technieken maakten
een zeer nauwkeurige analyse mogelijk en andere waren goed om de precieze aard ervan in
beeld te brengen. In toenemende mate lukte het om die twee te combineren. We weten nu dat
een uitgebreider netwerk bij een bepaald proces betrokken is, maar nog niet wat dat precies
betekent (om welke representaties en welke transformaties het gaat).
Een belangrijk gevolg van de beeldvorming was dat het onderzoek zich steeds meer ging richten
op de neurale correlaten van cognitieve processen. Er is meer aandacht voor fysiologische
processen (gebieden in de hersenen die bij bepaalde processen actief zijn).
Neuropsychologie in Nederland
In de 19e eeuw en begin 20e eeuw werd er nog nauwelijks onderzoek verricht in Nederland. In
1970 werd de Nederlandse Vereniging voor Neuropsychologie gevestigd en kregen psychologen
meer de overhand. Ook op het gebied van de cognitieve neurowetenschappen zijn er steeds
meer belangrijke ontwikkelingen in Nederland, waardoor Nederland bijdraagt aan de
hedendaagse discussie over hersenen en gedrag en de gevolgen van hersenletsel.
, 1.2 – Neuropsychologische wetenschappelijke aanpak
De relatie tussen neuropsychologie en wetenschappelijk onderzoek omschrijven
Aangeven welke typen vraagstellingen aan de orde zijn binnen het wetenschappelijk gebied
van de neuropsychologie en deze toepassen
3. Neuropsychologie: de wetenschappelijke aanpak
Inleiding
Het wetenschappelijk onderzoek binnen de neuropsychologie richt zich vooral op de relatie
tussen hersenen en gedrag. De focus kan liggen op hersenaandoeningen of gezond gedrag.
Uiteenlopende vraagstellingen worden onderzocht met verschillende soorten methoden en
instrumenten, zoals met neuropsychologische tests of beeldvormende onderzoekstechnieken.
- Klinische vraagstellingen: onderzoek naar kenmerken van patiënten met een bepaald
ziektebeeld of naar kenmerken van neuropsychologische tests.
- Theoretisch onderzoek: hoe cognitieve processen werken, of een proces verder
uiteengerafeld kan worden in deelprocessen (dissociatie en dubbele dissociatie).
Vraagstellingen
Klinische neuropsychologische vraagstellingen
Vragen binnen een gezondheidszorgsetting strekken zich uit van differentiaaldiagnostische
vragen (bij welke aandoeningen kunnen de klachten, symptomen en stoornissen passen?) tot
het evalueren van behandelingen en beantwoorden van adviesvragen van behandelteam en
omgeving. Hierbij zal in de regel gebruik gemaakt worden van neuropsychologisch diagnostisch
onderzoek volgende de empirische cyclus.
Op klinische vraagstellingen gericht onderzoek kent ook beperkingen:
- De waarde van conclusies is afhankelijk van de kwaliteit van de tests/vragenlijsten.
- Interpretatie van testscores: oorzaak van uitval kan verschillen en uitval op bijv. een
aandachtstaak kan het gevolg zijn van beschadigingen op veel verschillende locaties in de
hersenen.
- Een testbatterij kan slechts een beperkt aantal tests omvatten en cognitieve functies zijn
complex, waardoor er tal van specifieke uitvalspatronen kunnen optreden. Tevens zijn
uitspraken uit studies met grote groepen niet altijd vertaalbaar naar individuele diagnostiek.
- Missing values in de database bij patiënten vanwege bijv. vermoeidheid of onvermogen een
taak te verrichten.
Fundamentele vraagstellingen
Wetenschappelijke vragen naar de precieze aard van een stoornis en daarmee naar de
onderliggende cognitieve processen worden in de regel met experimentele paradigmata
onderzocht. Vergelijkingen vinden binnen het experiment plaats; het is niet vereist om met
gestandaardiseerde en genormeerde procedures te werken.
De begrippen substractie, enkelvoudige dissociatie en dubbele dissociatie toepassen
Onderzoeksopzet
Substractie
Substratiemethode: de procedure om de score behaald op een simpelere conditie aftrekken van
een complexere conditie (bijv. het reactietijdparadigma van Frans Donders). Deze procedure
wordt veel gebruikt in het neurobeeldvormend onderzoek.
1.1 – Historische mijlpalen
Bijdragen van Franz Joseph Gall, Paul Broca, Carl Wernicke en Aleksandr Luria aan de
ontwikkeling van de hedendaagse neuropsychologie beschrijven.
Hoofdstuk 1: klinische neuropsychologie, een historische schets
Inleiding
Al tijdens de klassieke oudheid waren wetenschappers ervan overtuigd dat er een nauwe
samenhang bestaat tussen de hersenen en gedrag:
- Hippocrates (400 jaar voor Christus): al het (afwijkend) gedrag komt voort uit de
hersenen, in plaats van buitenaardse krachten.
- Galenus (129-217): het lichaam als samenspel van de elementen water, vuur, bloed en
slijm die in balans moesten zijn.
Vanaf de zeventiende eeuw hebben mensen als Descartes, Gall, Broca, Wernicke en Charcot
een bijdrage geleverd aan het veld van de psychologie.
- Descartes (1596-1650): de menselijke geest kon opgedeeld worden in twee substanties:
het lichaam en de geest. De ziel is een ongedeelde, zelfstandige immateriële eenheid,
gelokaliseerd in de pijnappelklier (of epifyse), een hol gedeelte in het hoofd.
- Gall (19e eeuw): een groot aantal mentale organen, gelegen in de grijze schors van de
hersenen. Deze opvatting leidde tot de frenologie – achteraf gezien de basis van onze
hedendaagse opvattingen over de werking van de hersenen. Na overlijden van mensen
met hersenletsel werd de plaats van de laesie gerelateerd aan de functionele stoornis
(clinicoanatomische methode).
Gall en het lokalisatievraagstuk
Franz Joseph Gall (eind achttiende eeuw): organologie of kraniologie (schedelleer):
- Alle psychologische functies zijn aangeboren; mensen kunnen verschillen in aanleg voor
bepaalde functies.
- Er zijn aparte organen voor taal, muziek en rekenen, maar ook voor moederliefde:
onafhankelijke functies (breuk oude idee van ziel en ongedeelde geest). Als de functie
beter is, is het groter in omvang (knobbel er omheen in de schedel).
- Functies zitten aan de buitenkant (in plaats van in het midden) van de hersenen: de
cortex. De plaatsen van de functies zouden achterhaald kunnen worden door te voelen
waar welke knobbel zit. Daarnaast werden effecten van hersenbeschadiging gezien als
bewijs (hij lokaliseerde taal in het voorste deel van de hersenen).
De clinicoanatomische methode
De clinicoanatomische methode: de werkwijze om lokalisatie-ideeën te toetsen door bij
patiënten met een focaal hersenletsel de specifieke uitvalsverschijnselen in kaart te brengen.
Paul Broca:
- toonde de hersenen van een patiënt (‘Tan’) met een laesie in het voorste deel van de
hersenen, aan de voet van de derde frontaalwinding (meer de zijkant) en stelde dat niet
de taal als geheel daar gelokaliseerd is, maar alleen het mechanisme om woorden uit te
spreken (sequentie van klanken): gebied van Broca.
- de laesie van taal zat eigenlijk altijd in de linkerhersenhelft, waardoor hij stelde dat de
twee hersenhelften verschillende functies hebben.
,De opvatting ontstond dat taal gezien kon worden als een geheel van functies.
Carl Wernicke: een apart centrum voor het herkennen van woordbeelden (gesproken woord),
gelokaliseerd in de temporaalkwab (eindpunt gehoorbaan). Tussen het woordbegripscentrum en
woordproductiecentrum (Broca) zou een verbindingsbaan lopen. Er kon een stoornis ontstaan
door een laesie in een centrum of door een laesie van een verbindingsbaan (disconnectie).
Wernicke beschouwde de hersenen als een instrument waarin sensorische prikkels werden
gekoppeld aan motorische reacties.
Holisme
Rond 1900 begon in Europa een verzet tegen de lokalisatiebeweging.
In het midden van de twintigste eeuw was Aleksandr Luria een van de belangrijkste personen in
de psychologie. Zijn ideeën zijn van grote invloed geweest op de hedendaagse
neuropsychologie.
Luria: een globaal model
Luria is een van de meest invloedrijke psychologen uit de vorige eeuw. Hij heeft er in zijn werk
steeds naar gestreefd om zijn klinische waarnemingen te integreren in de toen geldende
theorieën.
Hij vatte de hersenen-als-geheel op als één complex functioneel systeem, waarbinnen diverse
subsystemen een eigen bijdrage aan de gezamenlijke activiteit leveren. Functionele
subsystemen ontstaan door interacties tijdens de ontwikkeling tussen kind en omgeving en
veranderen ten gevolge van leerprocessen. Het functioneel van hersenen-als-geheel is flexibel
en adaptief (met inzet van andere subsystemen kan dan toch hetzelfde einddoel worden
gerealiseerd). Op grond van het uiteindelijke gedragsresultaat kan daarom nooit rechtstreeks
iets geconcludeerd worden over de verantwoordelijke subsystemen (en dus de beschadiging of
intactheid van specifieke hersenregionen).
Anderzijds toonde hij zich weer als lokalisationist, omdat hij ervan overtuigd was dat
nauwkeurige wetenschappelijke analyse van een gedragsstoornis een specifiek gestoorde factor
zou aantonen, waar ieder hersengebied aan gekoppeld kon worden.
In zijn zoektocht naar meer ordening presenteerde hij een overzicht van de functionele
architectuur van de hersenen. Hij vatte deze samen aan de hand van drie globale indelingen.
1. Drie voortdurend interacterende functionele eenheden (units), gerelateerd aan
respectievelijk subcorticale, posterieure en anterieure hersengebieden (respectievelijk
'activatie', 'input' en 'output')
2. Drie hiërarchisch geordende niveaus van verwerking, gerelateerd aan primaire,
secundaire en tertiaire 'zones' in de hersenen
3. Gedrag dat wel of niet gereguleerd wordt door taalprocessen, gerelateerd aan
respectievelijk de linker- en rechterhemisfeer.
Bij iedere mentale activiteit zijn alle drie genoemde functionele eenheden betrokken.
- De eerste eenheid dient voor de regulatie van waakzaamheid en aandacht; stoornissen
daarin worden met name veroorzaakt door letsels in de hersenstam, het diëncephalon
en de mediale gebieden van de grote hersenen.
- De rol van de tweede functionele eenheid is cognitieve informatieverwerking:
waarneming, verwerking en opslag van informatie. Stoornissen daarin worden
, veroorzaakt door letsels achter de centrale fissuur: de posterieure gebieden van de
laterale cortex.
- De derde functionele eenheid dient voor de organisatie van gedrag: planning, regulatie
en monitoring van doelgerichte activiteiten. Stoornissen daarin treden op bij letsels voor
de centrale fissuur: de motorische, premotorische en prefrontale cortex.
In principe kan binnen ieder van deze eenheden onderscheid gemaakt worden primaire,
secundaire en tertiaire zones:
- Primaire zones: Projectiegebieden van zintuigen en motoriek (de modaliteitspecifieke
occipitale, temporale en postcentrale gebieden in de tweede eenheid en het precentrale
(motorische) gebied in de derde eenheid.
- Secundaire zones: eveneens nog grotendeels modaliteitspecifiek. In de tweede eenheid
betrokken bij verdere verwerking van binnenkomende informatie en in de derde eenheid
bij voorbereiden van de motoriek.
- Tertiaire zones: overgebleven gebieden, met name temporo-pariëto-occipitale
overgangsgebied en de prefrontale cortex, noodzakelijk voor multimodale en cognitieve
integratie en vormen van intenties en plannen en evalueren van eigen gedrag.
Luria legde nadruk op de betekenis van taal (met name internal speech) voor de regulatie van
cognitieve, emotionele en planningsfuncties.
De hypothesen over de seriële verwerking door primaire, secundaire en tertiaire zones worden
niet meer onderschreven. Zijn samenvatting als algemeen beschrijvend kader waarbinnen
klinische verschijnselen en hun dissociaties geplaatst kunnen worden, blijft nuttig.
Een eerste aanzet: de testbatterij
Met de ontwikkeling van testinstrumenten konden psychologen een deel van het werk van de
neurologen overnemen, wat leidde tot de specialisatie van psychologen op neurologische
afdelingen.
De neuropsychologie als zelfstandige discipline
De snelle ontwikkeling van het onderzoek naar taalstoornissen en hemisfeerverschillen rond
1960 zorgde ervoor dat de neuropsychologie een eigenstandig specialisme werd.
Arthur Benton stimuleerde de ontwikkeling van nieuwe neuropsychologische tests.
Cognitieve neuropsychologie
Neurobeeldvorming
Neurobeeldvormende mogelijkheden namen in snel tempo toe. Sommige technieken maakten
een zeer nauwkeurige analyse mogelijk en andere waren goed om de precieze aard ervan in
beeld te brengen. In toenemende mate lukte het om die twee te combineren. We weten nu dat
een uitgebreider netwerk bij een bepaald proces betrokken is, maar nog niet wat dat precies
betekent (om welke representaties en welke transformaties het gaat).
Een belangrijk gevolg van de beeldvorming was dat het onderzoek zich steeds meer ging richten
op de neurale correlaten van cognitieve processen. Er is meer aandacht voor fysiologische
processen (gebieden in de hersenen die bij bepaalde processen actief zijn).
Neuropsychologie in Nederland
In de 19e eeuw en begin 20e eeuw werd er nog nauwelijks onderzoek verricht in Nederland. In
1970 werd de Nederlandse Vereniging voor Neuropsychologie gevestigd en kregen psychologen
meer de overhand. Ook op het gebied van de cognitieve neurowetenschappen zijn er steeds
meer belangrijke ontwikkelingen in Nederland, waardoor Nederland bijdraagt aan de
hedendaagse discussie over hersenen en gedrag en de gevolgen van hersenletsel.
, 1.2 – Neuropsychologische wetenschappelijke aanpak
De relatie tussen neuropsychologie en wetenschappelijk onderzoek omschrijven
Aangeven welke typen vraagstellingen aan de orde zijn binnen het wetenschappelijk gebied
van de neuropsychologie en deze toepassen
3. Neuropsychologie: de wetenschappelijke aanpak
Inleiding
Het wetenschappelijk onderzoek binnen de neuropsychologie richt zich vooral op de relatie
tussen hersenen en gedrag. De focus kan liggen op hersenaandoeningen of gezond gedrag.
Uiteenlopende vraagstellingen worden onderzocht met verschillende soorten methoden en
instrumenten, zoals met neuropsychologische tests of beeldvormende onderzoekstechnieken.
- Klinische vraagstellingen: onderzoek naar kenmerken van patiënten met een bepaald
ziektebeeld of naar kenmerken van neuropsychologische tests.
- Theoretisch onderzoek: hoe cognitieve processen werken, of een proces verder
uiteengerafeld kan worden in deelprocessen (dissociatie en dubbele dissociatie).
Vraagstellingen
Klinische neuropsychologische vraagstellingen
Vragen binnen een gezondheidszorgsetting strekken zich uit van differentiaaldiagnostische
vragen (bij welke aandoeningen kunnen de klachten, symptomen en stoornissen passen?) tot
het evalueren van behandelingen en beantwoorden van adviesvragen van behandelteam en
omgeving. Hierbij zal in de regel gebruik gemaakt worden van neuropsychologisch diagnostisch
onderzoek volgende de empirische cyclus.
Op klinische vraagstellingen gericht onderzoek kent ook beperkingen:
- De waarde van conclusies is afhankelijk van de kwaliteit van de tests/vragenlijsten.
- Interpretatie van testscores: oorzaak van uitval kan verschillen en uitval op bijv. een
aandachtstaak kan het gevolg zijn van beschadigingen op veel verschillende locaties in de
hersenen.
- Een testbatterij kan slechts een beperkt aantal tests omvatten en cognitieve functies zijn
complex, waardoor er tal van specifieke uitvalspatronen kunnen optreden. Tevens zijn
uitspraken uit studies met grote groepen niet altijd vertaalbaar naar individuele diagnostiek.
- Missing values in de database bij patiënten vanwege bijv. vermoeidheid of onvermogen een
taak te verrichten.
Fundamentele vraagstellingen
Wetenschappelijke vragen naar de precieze aard van een stoornis en daarmee naar de
onderliggende cognitieve processen worden in de regel met experimentele paradigmata
onderzocht. Vergelijkingen vinden binnen het experiment plaats; het is niet vereist om met
gestandaardiseerde en genormeerde procedures te werken.
De begrippen substractie, enkelvoudige dissociatie en dubbele dissociatie toepassen
Onderzoeksopzet
Substractie
Substratiemethode: de procedure om de score behaald op een simpelere conditie aftrekken van
een complexere conditie (bijv. het reactietijdparadigma van Frans Donders). Deze procedure
wordt veel gebruikt in het neurobeeldvormend onderzoek.