Hoofdstuk 1 Geest gedrag en wetenschap
Psychologie gaat over de 3 G’s
1. Gedachten: intern proces -> niet observeerbaar
2. Gevoel: intern proces -> niet observeerbaar
3. Gedrag: extern proces -> wel observeerbaar
7 Psychologische perspectieven (verklaren het gedrag van de mens)
1. Biologische perspectief: Gedrag kan verklaard worden door:
- Erfelijkheid -> DNA in genen
- Biologische processen en stofjes zoals hormonen en neurotransmitters
Als deze lichamelijke stofjes ontregeld raken kan dit leiden tot klachten of
stoornissen
Oplossing: medicijnen
2. Psychodynamische psychologie
Gaat ervan uit dat je persoonlijkheid ontstaat door de wijze waarop je
psychische structuren worden gevormd in je kindertijd/jeugd
- ID -> behoeftes, wensen of drang van de mens. ID wil al deze
behoeftes vervullen (onderbewust)
- EGO -> werkt volgens realiteitsprincipe. Houd rekening met je
omgeving, balans tussen ID en Superego
- Superego -> wat je in je opvoeding hebt meegekregen, normen en
waarden die je ouders hebben meegegeven
Als de balans niet goed is -> psychische storingen
3. Humanistische psychologie
Gaat ervan uit dat mensen gelukkig zijn als zij optimaal gebruik kunnen maken van
hun talenten, wensen en behoeftes. Als dit niet optimaal gebeurt kunnen ze niet
groeien -> lopen vast -> worden ongelukkig
4. Behavioristisch perspectief
Gaat ervan uit dat het gedrag volledig verklaard wordt door leerprincipes, je leert
gedrag aan en je kan gedrag afleren.
- klassieke conditionering -> geen interesses in gedachten
- operante conditionering -> geen interesses in gevoelens
5. Cognitief perspectief
Geeft aan dat het gedrag het gevolg is van interne processen. Waarom gedraagt
iemand zich zoals hij/ zij doet?
Introspectie = analyseren van alle mentale processen zoals geheugen, aandacht,
waarneming, denken en emotie.
Alleen interesse in gedachten want deze leiden tot gevoel en gedrag.
, 6. Ontwikkelingsperspectief
Nature (aangeboren) <--> Nurture (aangeleerd, uit ervaringen gevormd)
7. Socio Culturele perspectief
- Sociale invloeden
- Cultuur en culturele verschillen
Om iets wetenschap te noemen moet het zowel:
Betrouwbaar -> de herhaalbaarheid van de resultaten
Validiteit -> als een onderzoeker meet met zijn meetinstrument wat hij beoogt te
meten
Tijdens een onderzoek maak je gebruik van afhankelijke- en onafhankelijke
variabele
Afhankelijke (alle factoren op 1 na): hangt het onderzoek omheen, zorgvuldig
uitgekozen
Onafhankelijk (1 factor): de oorzaak van elk gevolg wat we waarnemen in het
onderzoek
5 soorten psychologisch onderzoek
Experimenteel onderzoek: Hierbij kun je kijken naar oorzaak-gevolg
Correlatie onderzoek (= samenhang): Hierbij kun je nooit kijken naar oorzaak-gevolg
Hoofdstuk 2 Sensatie en Perceptie
Zintuiglijke waarneming:
Stimulatie -> Transductie -> Sensatie -> Perceptie
Stimulatie: Prikkels worden opgevangen/waargenomen door zintuigen (geluid, beeld,
geur,
gevoel of smaak). Hierbij is een bepaalde minimale sterkte voor nodig (absolute
drempelwaarde)
Transductie: Het proces waarbij je de prikkels die je binnenkrijgt omzet in stroompjes
(hersentaal, neurale impulsen)
Sensatie: Is de bewustwording door middel van basispatronen herkennen. (losse
puzzelstukjes, klanken)
Perceptie: De persoonlijke betekenis die er gegeven wordt aan de neuro impulsen
tijdens de sensatie. (je herkent vanuit de klanken een melodie.
Of je een stimulus waarneemt hangt af van 3 verschillende signaaldetectietheoriën:
1. Kwaliteit van het zintuig (de detector)
Psychologie gaat over de 3 G’s
1. Gedachten: intern proces -> niet observeerbaar
2. Gevoel: intern proces -> niet observeerbaar
3. Gedrag: extern proces -> wel observeerbaar
7 Psychologische perspectieven (verklaren het gedrag van de mens)
1. Biologische perspectief: Gedrag kan verklaard worden door:
- Erfelijkheid -> DNA in genen
- Biologische processen en stofjes zoals hormonen en neurotransmitters
Als deze lichamelijke stofjes ontregeld raken kan dit leiden tot klachten of
stoornissen
Oplossing: medicijnen
2. Psychodynamische psychologie
Gaat ervan uit dat je persoonlijkheid ontstaat door de wijze waarop je
psychische structuren worden gevormd in je kindertijd/jeugd
- ID -> behoeftes, wensen of drang van de mens. ID wil al deze
behoeftes vervullen (onderbewust)
- EGO -> werkt volgens realiteitsprincipe. Houd rekening met je
omgeving, balans tussen ID en Superego
- Superego -> wat je in je opvoeding hebt meegekregen, normen en
waarden die je ouders hebben meegegeven
Als de balans niet goed is -> psychische storingen
3. Humanistische psychologie
Gaat ervan uit dat mensen gelukkig zijn als zij optimaal gebruik kunnen maken van
hun talenten, wensen en behoeftes. Als dit niet optimaal gebeurt kunnen ze niet
groeien -> lopen vast -> worden ongelukkig
4. Behavioristisch perspectief
Gaat ervan uit dat het gedrag volledig verklaard wordt door leerprincipes, je leert
gedrag aan en je kan gedrag afleren.
- klassieke conditionering -> geen interesses in gedachten
- operante conditionering -> geen interesses in gevoelens
5. Cognitief perspectief
Geeft aan dat het gedrag het gevolg is van interne processen. Waarom gedraagt
iemand zich zoals hij/ zij doet?
Introspectie = analyseren van alle mentale processen zoals geheugen, aandacht,
waarneming, denken en emotie.
Alleen interesse in gedachten want deze leiden tot gevoel en gedrag.
, 6. Ontwikkelingsperspectief
Nature (aangeboren) <--> Nurture (aangeleerd, uit ervaringen gevormd)
7. Socio Culturele perspectief
- Sociale invloeden
- Cultuur en culturele verschillen
Om iets wetenschap te noemen moet het zowel:
Betrouwbaar -> de herhaalbaarheid van de resultaten
Validiteit -> als een onderzoeker meet met zijn meetinstrument wat hij beoogt te
meten
Tijdens een onderzoek maak je gebruik van afhankelijke- en onafhankelijke
variabele
Afhankelijke (alle factoren op 1 na): hangt het onderzoek omheen, zorgvuldig
uitgekozen
Onafhankelijk (1 factor): de oorzaak van elk gevolg wat we waarnemen in het
onderzoek
5 soorten psychologisch onderzoek
Experimenteel onderzoek: Hierbij kun je kijken naar oorzaak-gevolg
Correlatie onderzoek (= samenhang): Hierbij kun je nooit kijken naar oorzaak-gevolg
Hoofdstuk 2 Sensatie en Perceptie
Zintuiglijke waarneming:
Stimulatie -> Transductie -> Sensatie -> Perceptie
Stimulatie: Prikkels worden opgevangen/waargenomen door zintuigen (geluid, beeld,
geur,
gevoel of smaak). Hierbij is een bepaalde minimale sterkte voor nodig (absolute
drempelwaarde)
Transductie: Het proces waarbij je de prikkels die je binnenkrijgt omzet in stroompjes
(hersentaal, neurale impulsen)
Sensatie: Is de bewustwording door middel van basispatronen herkennen. (losse
puzzelstukjes, klanken)
Perceptie: De persoonlijke betekenis die er gegeven wordt aan de neuro impulsen
tijdens de sensatie. (je herkent vanuit de klanken een melodie.
Of je een stimulus waarneemt hangt af van 3 verschillende signaaldetectietheoriën:
1. Kwaliteit van het zintuig (de detector)