Samenvatting per leerdoel
1. Je kunt aangeven hoe de hoofdregels van de Nederlandse spelling
een rol spelen bij de schrijfwijze van een woord.
3 toepassing integratievragen → 9,9%
Hoofdregels van de Nederlandse spelling
Om woorden goed te kunnen schrijven, moet je weten hoe de hoofdregels van de spelling
werken. Deze regels bepalen waarom een woord zo wordt geschreven.
Fonologisch principe
Schrijf wat je hoort. Elk foneem wordt door een apart grafeem weergegeven. Fonologische
woorden zijn dus altijd klankzuiver (voor elke letter 1 klank: kat, hek). Naast het letten op
spraakklanken moet je ook letten op de schrijfwijze van hele woorden.
De klanken (fonemen) bepalen de schrijfwijze.
Voorbeeld:
● roos → je hoort /r/ /oo/ /s/ → schrijf je als r-o-o-s
Morfologisch principe
Het morfologisch principe gaat over de opbouw van woorden.
Veel woorden bestaan uit kleine stukjes met een eigen betekenis, die we morfemen
noemen.
Voorbeelden van morfemen:
● on- in onrustig betekent niet
● -je in huisje betekent klein
Er zijn vrije morfemen (die kunnen zelfstandig een woord zijn (huis, wijs)) & gebonden
morfemen (die kunnen niet los staan, maar alleen als voor- of achtervoegsel (on-, -je, -heid))
Het morfologisch principe is op te delen in 2 regels:
- Regel van gelijkvormigheid
Je schrijft een woord steeds op dezelfde manier, ook als de uitspraak verandert. Het
woord blijft er in alle vormen zoveel mogelijk hetzelfde uitzien. Dat betekent dat je
kijkt naar de vorm van het woord, niet alleen naar hoe het klinkt.
a. Voorbeeld:
- Hond – honden
Je hoort de d in hond niet, maar je schrijft hem wel, omdat hij in
honden wel te zien en te horen is.
- Werkzaam klinkt als /werksaam/, maar je schrijft werkzaam met een z,
omdat het achtervoegsel -zaam altijd met een z wordt geschreven
(vergelijk: gehoorzaam, spraakzaam).
Je vergelijkt woorden niet met elkaar, maar je herkent ze.
- Regel van overeenkomst
, Hierbij vergelijk je het woord met een andere woordvorm om te weten hoe je het
woord moet schrijven
a. Voorbeeld:
- grootte schrijf je met tt, omdat vergelijkbare woorden zoals lengte en
diepte ook twee medeklinkers hebben.
- hij vindt schrijf je met een t, omdat je kunt vergelijken met hij loopt →
loopt heeft ook een t.
Syllabisch principe
Het syllabisch principe gaat over klankgroepen (syllaben) in een woord.
Het bepaalt wanneer je letters moet verdubbelen of juist niet.
Een klankgroep lijkt op een lettergreep, maar is niet precies hetzelfde.
bak-ker = 2 lettergrepen
Klankgroepen: /ba/ en /kur/
Dus: een klankgroep draait om hoe het klinkt, niet alleen hoe je het schrijft.
Bij het syllabisch principe horen twee spellingregels:
- Vereenvoudigingsregel → Na een lange klinker verdwijnt één letter.
Voorbeeld: raam → ramen
- Verdubbelingsregel → Na een korte klinker verdubbel je de volgende medeklinker.
Voorbeeld: kop → koppen, letter
Etymologisch principe
De herkomst van het woord bepaalt hoe je het schrijft.
Sommige woorden komen uit een andere taal of uit het oud-Nederlands.
Daarom schrijf je ze anders dan ze klinken.
Voorbeelden:
- Chauffeur (uit het frans)
- Yoghurt (uit het turks)
- Computer (uit het engels)
Maar ook klanken die je moet uithouden via woordbeeld, omdat deze uit het oud-Nederlands
komen.
● ijs – eis
● hei – hij
Voor deze woorden is geen vaste regel.
Je moet ze onthouden en de context gebruiken om te weten welke juist is.
2. Je kunt woorden verdelen in fonemen en grafemen.
1 toepassing integratievragen → 3,3%
Fonemen en grafemen
Je kunt woorden opdelen in fonemen en grafemen.
- Grafeem = wat je ziet
Een grafeem is een letter of lettercombinatie die een klank weergeeft.
Bijvoorbeeld:
○ boek → drie grafemen: b, oe, k