Hoofdstuk 3 – Algemeen
§2 De strafbaarstelling van fraude
- Fraude heeft geen vastomlijnde betekenis, niet in bijzonder strafrecht en niet in
maatschappelijk verkeer. Van Dale omschrijft het als: valsheid en/of bedrog. Begrip wordt
nader gespecificeerd door de context waarbinnen fraude plaatsvindt (bv. belastingfraude) of
door het object van fraude aan te duiden (bv. uitkeringsfraude).
o Horizontale fraude: relatie burger tot burger
o Verticale fraude: relatie burger tot overheid
- Vaak vindt fraudeleus handelen plaats binnen vermogensrechtelijk kader: slachtoffer wordt in
zijn vermogen benadeeld en/of de dader wordt in zijn vermogen veroordeeld (maar dit is
geen vereiste!).
- In commuun strafrecht komt fraude het meest terug in valsheid in geschrifte (225 Sr).
- In bijzonder strafrecht komt fraude terug is gebruiken van het woord ‘bank’ (3:7 Wft;
economisch delict ex 1 WED).
§3 zie week 3
§4 zie week 6
§5 zie week 1 en 3
Hoofdstuk 16 – De onderzoeksfase: toezicht, controle en opsporing
§1 Inleiding
- Sfeerovergang = resultaten van het bestuursrechtelijke optreden (bv. dat bestond in
toepassing van toezichtsbevoegdheden) aanleiding geven tot starten van een strafrechtelijk
handhavingstraject.
- Sfeercumulatie = zowel strafrechtelijke als bestuursrechtelijke handhaving naast elkaar
plaatsvinden.
- Vragen die hieruit voortkomen:
o Is het toegestaan om de resultaten van het bestuursrechtelijke traject te benutten
ten behoeve van het strafrechtelijke onderzoek?
o Mogen strafrechtelijke bevoegdheden worden toegepast op een moment dat er nog
geen redelijk vermoeden bestaat dat een strafbaar feit heeft plaatsgevonden, of mag
dan alleen onderzoek binnen het bestuursrechtelijke kader plaatsvinden?
o Voor welke (onderzoeks)activiteiten zijn de bestuursrechtelijke organen dan wel de
strafvorderlijke autoriteiten verantwoordelijk?
- Toezicht is het preventieve optreden van bestuursorganen om naleving van de wet te
bevorderen.
- Opsporing is het strafrechtelijk optreden van politie en justitie nadat een (vermoedelijke)
overtreding is vastgesteld.
- Controle bestaat uit:
o Preventie controle = toezicht gericht op voorkomen van overtredingen door naleving
van de wet te bevorderen
o Repressieve controle = optreden nadat een (vermoedelijke) overtreding heeft
plaatsgevonden, met als doel handhaving en bestraffing
§2 Het opsporingsbegrip
, - Opsporingsbegrip markeert het beginpunt van de strafvordering in de zin van 1 Sv. Vanaf dat
moment geldt het vereiste dat sv alleen plaats heeft op de wijze bij de wet voorzien en dat de
waarborgen en procedures van WvSv in acht moeten worden genomen.
- 148 Sv: OvJ belast met opsporing van strafbare feiten
- 132a Sv: opsporing is het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de OvJ
met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen
- Het doelcriterium is doorslaggevend: er is pas sprake van opsporing als het onderzoek is
gericht op het nemen van strafvorderlijke beslissingen.
- Dat informatie die via bestuursrechtelijk toezicht wordt verkregen strafrechtelijk relevant kan
zijn, is op zichzelf onvoldoende om van opsporing te spreken.
- Toezichthoudende activiteiten blijven toezicht zolang zij plaatsvinden binnen de eigen
taakopdracht en zonder strafvorderlijk doel, ook als de resultaten later strafrechtelijk worden
gebruikt.
- Repressieve controle door toezichthouders (zoals de AFM) kan materieel lijken op opsporing,
maar is geen opsporing in de zin 132a zolang geen strafvorderlijk doel centraal staat en geen
opsporingsambtenaren optreden.
- Belangrijk onderscheid bij de afbakening toezicht en opsporing is de taakopdracht van
functionaris (toezicht of opsporing) en gerichtheid van het onderzoek (wel of geen
strafvorderlijke beslissing).
- De formele benadering overheerst: opsporing is alleen aan de orde bij onderzoek door
(mede) opsporingsambtenaren ex 141 en 142 Sv.
§3.1-3.3 Onderzoek op basis van bijzondere wetgeving: gefragmenteerde regelgeving
- Bestuursrecht
o Hf 5 Awb regelt toezicht op naleving van wettelijke voorschriften.
Toezichtsbevoegdheden omvatten o.a. 5:15-5:19 Awb.
o 5:20 Awb: eenieder is verplicht aan een toezichthouder medewerking te verlenen
(behalve personen met geheimhoudingsplicht mogen weigeren).
o 5:11 Awb: toezichthouders zijn belast met toezicht op de naleving van wettelijke
voorschriften.
- Strafrecht
o WvSv heeft geen algemene medewerkingsplicht, maar geen medewerking betekent
vaak overgaan tot dwangmiddelen.
- Bijzonder strafrecht
o Onderzoeksbevoegdheden in de AWR
47-56 AWR controlebevoegdheden die zien op verplichting tot verstrekken
van gegevens, inlichtingen en diverse soorten bescheiden aan de
belastinginspecteur.
80-83 AWR verschillende bevoegdheden voor opsporen van bij de
belastingwet strafbaar gestelde feiten (bevoegd: opsporingsambtenaren 141
Sv en ambtenaren van rijksbelastingdienst 80 lid 1 AWR)
o Onderzoeksbevoegdheden in de WED
17 WED wie met opsporing van economische delicten zijn belast:
opsporingsambtenaren 141 Sv, door MinJV aangewezen ambtenaren en
ambtenaren van de rijksbelastingdienst voor zover deze bevoegd zijn inzake
douane.
18-23 WED bevoegdheden zijn: in beslag nemen van voorwerpen, geven
van bevel tot uitlevering, vorderen van inzage in gegevens en bescheiden,
betreden van plaatsen, nemen van monsters, onderzoeken van zaken en
vervoermiddelen (moet allemaal wel in belang van opsporing zijn, maar
verdenkingsvereiste is niet verplicht).