Week 1
Handelingsgerichte diagnostiek (HGD) draait om een praktische
kernvraag: ‘wat heeft dit kind, met deze ouders, op deze school, met deze
leraren, in deze context nodig om de gewenste situatie te bereiken?’
Diagnostiek is pas “goed” als het concreet helpt bij handelen
(aanpak/interventies) en de situatie van het kind merkbaar verbetert.
Daarmee ligt de nadruk minder op classificeren (‘welke stoornis is het?’)
en juist op een uniek, gedetailleerd en compleet beeld van dit kind op dit
moment, zodat je tot een goede indicatiestelling en
ondersteunings-/behandelkeuze komt. Dit sluit aan bij het toegepaste
karakter van HGD: zo veel diagnostiek als nodig is, zo weinig als kan. Meer
testen is niet automatisch beter en kan ook onethisch of onnodig
belastend zijn.
Classificatie = symptomen onderbrengen in vaste categorieën
(beschrijvend: “wat zien we?”), verklaart niet waarom het zo is.
Diagnostiek = uniek, compleet én dynamisch beeld van kind én omgeving,
met focus op welke factoren eraan bijdragen en hoe je die kunt
beïnvloeden (handelingskeuzes/interventies).
Opvoeden kent een continuüm van problemen, van mild tot ernstig, met
een bijpassende trap van pedagogische ondersteuning:
1. Opvoedingsonzekerheid → normaliseren en informeren (psycho-
educatie, geruststellen).
2. Opvoedingsspanning →
adviseren en ondersteunen
(kortdurende
steun/vaardigheden, spanning
verminderen).
3. Opvoedingscrisis → intensieve
hulp (vaak thuis/ambulant,
meer betrokkenheid).
4. Opvoedingsnood → complexe zorg (gespecialiseerde jeugdzorg,
langdurig/hoogcomplex).
→ Pedagogisch adviseren is alleen zinvol bij opvoedingsonzekerheid en
opvoedingsspanning.
,Hoe complexer de problematiek, hoe verder de zorg ‘van het kind af’ kan
komen te staan (meer professionals, systemen en gespecialiseerde
trajecten), terwijl je in HGD juist probeert het kind centraal te houden en
ondersteuning zo veel mogelijk te laten aansluiten bij het dagelijkse leven.
In de praktijk zien we ook taakaccenten: pedagogen werken vaak breed
(onzekerheid/spanning), terwijl orthopedagogen relatief vaker betrokken
zijn bij crisis/nood, maar het uitgangspunt blijft: handelingsperspectief en
passende ondersteuning rondom het kind.
De kern van HGD: vraagstellingen, fasen en uitgangspunten
HGD werkt met verschillende soorten vragen, die steeds richting geven
aan wat je wél en niet onderzoekt:
1. Onderkennend: wat is er aan de hand?
2. Verklarend: waarom is het problematisch, welke factoren hangen
samen?
3. Veranderingsgericht: wat gebeurt er als we een klein
experiment/aanpak proberen?
4. Adviesgericht: welke doelen en wat is nodig om die te halen?
5. Evaluerend: heeft de interventie gewerkt, doelen behaald?
In de basis kent HGD 5 fasen (met daarna vaak
uitvoering/monitoring/evaluatie als vervolg in de praktijk):
1. Intakefase – overzicht krijgen (systeemperspectief centraal)
Je start de samenwerking en verzamelt doelgericht informatie: wat
gaat goed, wat gaat niet, waarom nu, en wat hopen
kind/ouders/school te bereiken? Je verkent ook verklaringen volgens
het cliëntsysteem (hun “persoonlijke theorie”), voorgeschiedenis
(alleen
relevant), en
schat
veiligheid in.
De intake is al
deels
, “behandelend” doordat mensen zich gehoord voelen en er overzicht
ontstaat.
Stem je gesprek af op leeftijd (spel/tekening bij jongere kinderen;
meer autonomie/privacy bij adolescenten), kies een prettige setting
(niet strak tegenover elkaar), en bewaak transparantie (wat doe je
met info, wat is vertrouwelijk, wanneer moet je delen bij zorgen).
2. Strategiefase – plan maken (pedagogische blik + professionele
weging)
Je ordent informatie in clusters (overzicht) en schat ernst in: normale
variatie of problematische ontwikkeling? Hierbij gebruik je onder
andere criteria zoals duur, frequentie, context, impact, enz.
Vervolgens beslis je: weten we genoeg om door te gaan naar
aanbevelingen, of is gericht onderzoek nodig?
Je formuleert hypothesen
(onderkennend/verklarend/veranderingsgericht/adviesgericht) en
kiest alleen onderzoeksvragen die meerwaarde hebben voor
beslissingen. Kernregel: elke onderzoeksvraag heeft een als-dan-
redenering (“als dit blijkt…, dan betekent dat voor advies A; als dat
blijkt…, dan advies B”). Dit helpt ook om tunnelvisie te voorkomen.
, Bij de keuze van instrumenten en conclusies let je op kwaliteit:
betrouwbaarheid (zo min mogelijk afhankelijk van
onderzoeker/moment) en validiteit (meten wat je beoogt te meten).
→ Onderkennend: beschrijving van kenmerken van een kind.
Problemen worden geclusterd a.d.h.v. een erkend
classificatiesysteem, zoals de DSM-5. Je moet hierbij wel voorzichtig
zijn, omdat kinderen nog volop in ontwikkeling zijn. Het is belangrijk
om meerdere signalen te combineren voor je gaat denken over een
bepaalde stoornis.
→ Verklarend: ze verwoorden een mogelijke samenhang tussen
kenmerken van het kind en de omgeving. Verklarende hypothesen
onderzoeken potentiële (transactionele) verklaringen van het
probleem.
→ Veranderingsgericht: je onderzoekt of een interventie gedrag kan
beïnvloeden. Veranderingsgerichte hypothesen onderzoeken vanuit
verschillende invalshoeken de potentiële veranderbaarheid. Het is
vooral prospectief en geeft aanwijzingen voor de interventie.
→ Adviesgericht: hypothese die gericht is op de meest geschikte
aanpak.
3. Onderzoeksfase – gericht onderzoeken
Alleen onderzoek dat nodig is voor de gekozen vraag: je toetst
bijvoorbeeld of er sprake is van X (onderkennend), of X samenhangt
met Y (verklarend), of aanpak Z verandering geeft
(veranderingsgericht; klein experiment), of welke aanpak het meest
kansrijk is (adviesgericht, onderbouwd met effectiviteitskennis). Bij
aanbevelingen kun je onderscheid maken tussen algemene
werkzame factoren, contextspecifieke factoren (bijv.
school/pleegzorg) en specifiek werkzame factoren van een
interventie.
Handelingsgerichte diagnostiek (HGD) draait om een praktische
kernvraag: ‘wat heeft dit kind, met deze ouders, op deze school, met deze
leraren, in deze context nodig om de gewenste situatie te bereiken?’
Diagnostiek is pas “goed” als het concreet helpt bij handelen
(aanpak/interventies) en de situatie van het kind merkbaar verbetert.
Daarmee ligt de nadruk minder op classificeren (‘welke stoornis is het?’)
en juist op een uniek, gedetailleerd en compleet beeld van dit kind op dit
moment, zodat je tot een goede indicatiestelling en
ondersteunings-/behandelkeuze komt. Dit sluit aan bij het toegepaste
karakter van HGD: zo veel diagnostiek als nodig is, zo weinig als kan. Meer
testen is niet automatisch beter en kan ook onethisch of onnodig
belastend zijn.
Classificatie = symptomen onderbrengen in vaste categorieën
(beschrijvend: “wat zien we?”), verklaart niet waarom het zo is.
Diagnostiek = uniek, compleet én dynamisch beeld van kind én omgeving,
met focus op welke factoren eraan bijdragen en hoe je die kunt
beïnvloeden (handelingskeuzes/interventies).
Opvoeden kent een continuüm van problemen, van mild tot ernstig, met
een bijpassende trap van pedagogische ondersteuning:
1. Opvoedingsonzekerheid → normaliseren en informeren (psycho-
educatie, geruststellen).
2. Opvoedingsspanning →
adviseren en ondersteunen
(kortdurende
steun/vaardigheden, spanning
verminderen).
3. Opvoedingscrisis → intensieve
hulp (vaak thuis/ambulant,
meer betrokkenheid).
4. Opvoedingsnood → complexe zorg (gespecialiseerde jeugdzorg,
langdurig/hoogcomplex).
→ Pedagogisch adviseren is alleen zinvol bij opvoedingsonzekerheid en
opvoedingsspanning.
,Hoe complexer de problematiek, hoe verder de zorg ‘van het kind af’ kan
komen te staan (meer professionals, systemen en gespecialiseerde
trajecten), terwijl je in HGD juist probeert het kind centraal te houden en
ondersteuning zo veel mogelijk te laten aansluiten bij het dagelijkse leven.
In de praktijk zien we ook taakaccenten: pedagogen werken vaak breed
(onzekerheid/spanning), terwijl orthopedagogen relatief vaker betrokken
zijn bij crisis/nood, maar het uitgangspunt blijft: handelingsperspectief en
passende ondersteuning rondom het kind.
De kern van HGD: vraagstellingen, fasen en uitgangspunten
HGD werkt met verschillende soorten vragen, die steeds richting geven
aan wat je wél en niet onderzoekt:
1. Onderkennend: wat is er aan de hand?
2. Verklarend: waarom is het problematisch, welke factoren hangen
samen?
3. Veranderingsgericht: wat gebeurt er als we een klein
experiment/aanpak proberen?
4. Adviesgericht: welke doelen en wat is nodig om die te halen?
5. Evaluerend: heeft de interventie gewerkt, doelen behaald?
In de basis kent HGD 5 fasen (met daarna vaak
uitvoering/monitoring/evaluatie als vervolg in de praktijk):
1. Intakefase – overzicht krijgen (systeemperspectief centraal)
Je start de samenwerking en verzamelt doelgericht informatie: wat
gaat goed, wat gaat niet, waarom nu, en wat hopen
kind/ouders/school te bereiken? Je verkent ook verklaringen volgens
het cliëntsysteem (hun “persoonlijke theorie”), voorgeschiedenis
(alleen
relevant), en
schat
veiligheid in.
De intake is al
deels
, “behandelend” doordat mensen zich gehoord voelen en er overzicht
ontstaat.
Stem je gesprek af op leeftijd (spel/tekening bij jongere kinderen;
meer autonomie/privacy bij adolescenten), kies een prettige setting
(niet strak tegenover elkaar), en bewaak transparantie (wat doe je
met info, wat is vertrouwelijk, wanneer moet je delen bij zorgen).
2. Strategiefase – plan maken (pedagogische blik + professionele
weging)
Je ordent informatie in clusters (overzicht) en schat ernst in: normale
variatie of problematische ontwikkeling? Hierbij gebruik je onder
andere criteria zoals duur, frequentie, context, impact, enz.
Vervolgens beslis je: weten we genoeg om door te gaan naar
aanbevelingen, of is gericht onderzoek nodig?
Je formuleert hypothesen
(onderkennend/verklarend/veranderingsgericht/adviesgericht) en
kiest alleen onderzoeksvragen die meerwaarde hebben voor
beslissingen. Kernregel: elke onderzoeksvraag heeft een als-dan-
redenering (“als dit blijkt…, dan betekent dat voor advies A; als dat
blijkt…, dan advies B”). Dit helpt ook om tunnelvisie te voorkomen.
, Bij de keuze van instrumenten en conclusies let je op kwaliteit:
betrouwbaarheid (zo min mogelijk afhankelijk van
onderzoeker/moment) en validiteit (meten wat je beoogt te meten).
→ Onderkennend: beschrijving van kenmerken van een kind.
Problemen worden geclusterd a.d.h.v. een erkend
classificatiesysteem, zoals de DSM-5. Je moet hierbij wel voorzichtig
zijn, omdat kinderen nog volop in ontwikkeling zijn. Het is belangrijk
om meerdere signalen te combineren voor je gaat denken over een
bepaalde stoornis.
→ Verklarend: ze verwoorden een mogelijke samenhang tussen
kenmerken van het kind en de omgeving. Verklarende hypothesen
onderzoeken potentiële (transactionele) verklaringen van het
probleem.
→ Veranderingsgericht: je onderzoekt of een interventie gedrag kan
beïnvloeden. Veranderingsgerichte hypothesen onderzoeken vanuit
verschillende invalshoeken de potentiële veranderbaarheid. Het is
vooral prospectief en geeft aanwijzingen voor de interventie.
→ Adviesgericht: hypothese die gericht is op de meest geschikte
aanpak.
3. Onderzoeksfase – gericht onderzoeken
Alleen onderzoek dat nodig is voor de gekozen vraag: je toetst
bijvoorbeeld of er sprake is van X (onderkennend), of X samenhangt
met Y (verklarend), of aanpak Z verandering geeft
(veranderingsgericht; klein experiment), of welke aanpak het meest
kansrijk is (adviesgericht, onderbouwd met effectiviteitskennis). Bij
aanbevelingen kun je onderscheid maken tussen algemene
werkzame factoren, contextspecifieke factoren (bijv.
school/pleegzorg) en specifiek werkzame factoren van een
interventie.