Thema 6 - Eindopdracht
In deze eindopdracht breng je de opgedane kennis in de praktijk aan de hand van een
onderzoekscasus.
Na het afronden van de eindopdracht kun je
samen met een medestudent meerdere complexe analyses uitvoeren op een
longitudinaal databestand
je onderzoek bondig rapporteren in een samenvatting
de door jullie gemaakte keuzes bij een analyse van het soort onderzoek zoals in
deze cursus wordt behandeld kort en bondig mondeling toelichten.
De eindopdracht bestaat uit een onderzoekscasus waarin je op basis van zelf-
geformuleerde onderzoeksvragen longitudinale multilevelanalyses uitvoert en waarover
je een samenvatting schrijft en een presentatie geeft. Het idee achter de eindopdracht is
dat de situatie wordt nagebootst dat je als wetenschapper je onderzoek wilt presenteren
op een wetenschappelijk congres.
Stappen om tot afronding van de eindopdracht te komen
1. Zoek een presentatiepartner, bijvoorbeeld via het Discussieforum.
2. Schrijf je indien nodig/mogelijk alvast in voor het tentamen door een geschikt
tijdslot voor jullie presentatie te reserveren, of doe dat nadat je de opdracht hebt
uitgewerkt. Zie verderop op deze pagina voor meer informatie over het reserveren
van een tijdslot.
Reserveringsdetails
Uw reservering is bevestigd.
Reserveringsdetails
Servicenaam
Presentatie_OLO_1
Wanneer
dinsdag 20 januari 2026
09:30 - 10:00
(UTC+01:00) Amsterdam, Berlin, Bern, Rome, Stockholm, Vienna
3. Bestudeer de casus en de aanwijzingen voor de eindopdracht in studietaak 6.2.
zie separaat bestand: Onderzoekscasus longitudinaal onderzoek.docx
4. Formuleer de volgende onderdelen aan de hand van de informatie over de casus:
a. Probleemstelling (aanleiding, relevantie, doel). Raadpleeg aanvullende
literatuur indien nodig.
b. Een of meerdere onderzoeksvragen die aansluit(en) bij het genoemde doel
in de casus en die je kunt beantwoorden met de beschikbare data.
c. Toetsbare hypotheses die aansluiten bij je onderzoeksvraag.
d. Conceptueel model dat aansluit bij de onderzoeksvraag en bij de
hypotheses.
De casus beschrijft een experimenteel longitudinaal onderzoek met drie condities
(positieve groepsvorming, anti-pestprogramma, controle), waarin leerlingen gedurende
1
,acht maanden zijn gevolgd om de ontwikkeling van verbondenheid met de klas te
meten, en waarin gepest worden (ja/nee) als moderator wordt beschouwd.
Probleemstelling
Aanleiding
Sociale verbondenheid met klasgenoten vormt een essentiële basis voor het welzijn, de
motivatie en het sociaal-emotioneel functioneren van leerlingen in het basisonderwijs.
Een lage ervaren verbondenheid hangt samen met een verhoogd risico op eenzaamheid,
internaliserende problematiek en blijvende moeilijkheden in sociale relaties op latere
leeftijd.
Pesten vormt een ernstige bedreiging voor deze verbondenheid. Leerlingen die
structureel worden gepest voelen zich vaker buitengesloten en kunnen terechtkomen in
een negatieve sociale ontwikkelingsspiraal. Om dit tegen te gaan worden op scholen
verschillende interventies ingezet, zoals programma’s gericht op positieve groepsvorming
en specifieke anti-pestprogramma’s. Hoewel deze interventies op grote schaal worden
toegepast, is hun effect op de longitudinale ontwikkeling van verbondenheid nog beperkt
empirisch onderbouwd, met name in vergelijking met een controleconditie zonder
interventie.
Relevantie
Inzicht in de effectiviteit van deze interventies is van groot belang voor scholen en
beleidsmakers, omdat nog onvoldoende bekend is:
hoe verbondenheid zich gedurende een schooljaar ontwikkelt onder verschillende
interventiecondities;
of gepeste leerlingen in gelijke mate profiteren van deze interventies;
en in hoeverre interventies daadwerkelijk bijdragen aan het verbeteren van de
sociale positie van kwetsbare leerlingen.
Longitudinaal experimenteel onderzoek is noodzakelijk om deze
ontwikkelingsprocessen betrouwbaar in kaart te brengen en om scholen te
ondersteunen bij het maken van evidence-based keuzes.
Doelstelling
Het doel van dit onderzoek is om met behulp van longitudinale multilevelanalyses te
onderzoeken in hoeverre de ontwikkeling van verbondenheid met de klas over de tijd
verschilt tussen leerlingen in een positieve groepsvormingsinterventie, een anti-
pestinterventie en een controleconditie, en of deze effecten worden gemodereerd door
gepest worden aan het begin van het schooljaar.
Onderzoeksvragen – verbeterde en methodologisch strakke versie
Hypothesen
Nieuwe hypotheses:
H1 — Hoofdeffect van Tijd
H1. Naarmate het schooljaar vordert (t₀–t₇), ervaren leerlingen gemiddeld een
toename in verbondenheid met hun klas, onafhankelijk van interventieconditie en
gepest-status.
H2 — Interventie-effect: Tijd × Interventieconditie
H2. De ontwikkeling van verbondenheid over tijd verschilt tussen de
interventiecondities; leerlingen in de interventiecondities laten over het schooljaar
een sterkere toename in verbondenheid zien dan leerlingen in de controleconditie.
Deze algemene interactiehypothese (H2) wordt verder gespecificeerd in H2a en
H2b, die de richting van de verwachte verschillen tussen de condities aangeven
H2a. Leerlingen in de conditie positieve groepsvorming vertonen over tijd de
sterkste stijging in verbondenheid, vergeleken met zowel de anti-pestconditie als
de controleconditie zonder programma.
H2b. Leerlingen in de anti-pestconditie vertonen over tijd een grotere stijging in
verbondenheid dan leerlingen in de controleconditie zonder programma.
H3 — Tijd × Gepest-status
H3. De stijging in verbondenheid met de klas over tijd is gemiddeld minder sterk
voor leerlingen die substantieel worden gepest dan voor leerlingen die niet of
2
, nauwelijks worden gepest, onafhankelijk van interventieconditie.
H4 — Drieweginteractie Tijd × Interventie × Gepest-status
H4. Het effect van de interventiecondities op de ontwikkeling van verbondenheid
met de klas verschilt tussen gepeste en niet-gepeste leerlingen (drieweginteractie
Tijd × Interventieconditie × Gepest-status). Deze algemene interactiehypothese
(H4) wordt verder gespecificeerd in H4a en H4b, die de verwachte richting van de
verschillen voor gepeste leerlingen verduidelijken.
H4a – Anti-pestprogramma werkt minder goed voor gepeste leerlingen
H4a. In de anti-pestconditie is de stijging in verbondenheid over tijd minder sterk
voor leerlingen die substantieel worden gepest dan voor leerlingen die niet of
nauwelijks worden gepest.
H4b – Positieve groepsvorming werkt beschermend
H4b. In de conditie positieve groepsvorming vertonen gepeste leerlingen over tijd
een grotere toename in verbondenheid dan gepeste leerlingen in zowel de anti-
pestconditie als de controleconditie.
H5 — Controlevariabelen (leeftijd en geslacht)
H5. Leeftijd en geslacht van leerlingen hangen samen met het niveau en/of de
ontwikkeling van verbondenheid met de klas, maar de verwachte effecten van tijd,
interventieconditie en gepest-status op de ontwikkeling van verbondenheid blijven
bestaan na controle voor leeftijd en geslacht.
Conceptueel Model
Onderzoeksopzet en niveaus
Het onderzoek heeft een longitudinaal multileveldesign met herhaalde metingen
binnen leerlingen. De gegevens zijn hiërarchisch gestructureerd als volgt:
Niveau 1 (within-leerling): herhaalde metingen van gevoelens van
verbondenheid met de klas over acht meetmomenten (t₀–t₇).
Niveau 2 (between-leerling): stabiele leerlingkenmerken en de toegewezen
interventieconditie.
Dit model maakt het mogelijk om zowel veranderingen binnen leerlingen in de tijd
als verschillen tussen leerlingen te analyseren.
Variabelen in het model
Afhankelijke variabele (Y)
Verbondenheid met de klas
Gemeten met de Comfort-schaal van de Classroom Peer Context Questionnaire
(schaalgemiddelde 1–10), op acht meetmomenten (t₀–t₇).
Onafhankelijke variabelen (X)
Tijd (within-leerling predictor)
Meetmoment: t = 0–7
Continue predictor
Gecentreerd op t₀, zodat het intercept de beginsituatie vóór de interventies
weergeeft.
Interventieconditie (between-leerling predictor)
1 = Positieve groepsvorming
2 = Anti-pestprogramma
3 = Controleconditie (zonder programma; referentiecategorie via dummycodering
of contrasten)
Gepest-status (between-leerling predictor)
0 = Niet of nauwelijks gepest
1 = Substantieel gepest (vastgesteld op t₀)
Controlevariabelen (covariaten, niveau 2)
Leeftijd in maanden op t₀ (LT_maanden)
Geslacht (0 = man, 1 = vrouw)
Moderatiestructuur
De moderator in het model is gepest-status.
Gepest-status modereert het effect van de interventiecondities op de ontwikkeling van
3
, verbondenheid over de tijd. Dit wordt statistisch gemodelleerd via de
drieweginteractie:
Tijd × Interventieconditie × Gepest-status
Daarnaast worden de onderliggende tweeweginteracties meegenomen:
Tijd × Conditie
Tijd × Gepest
Hiermee wordt getoetst of:
interventies de groei in verbondenheid beïnvloeden,
en of dit interventie-effect verschilt tussen gepeste en niet-gepeste leerlingen.
Hoofdstructuur van het multilevelmodel
Random effects (toevallige effecten)
Random intercept per leerling:
Leerlingen verschillen in hun beginscore op verbondenheid (t₀).
Random slope voor Tijd:
Leerlingen verschillen in hun individuele groeitraject van verbondenheid over de
tijd.
Deze random effecten modelleren de individuele variatie in startniveau en
ontwikkeling.
Fixed effects (vaste effecten)
Het uiteindelijke model bevat ten minste de volgende vaste effecten:
Hoofdeffect Tijd
Hoofdeffect Interventieconditie
Hoofdeffect Gepest-status
Tweeweginteractie Tijd × Interventieconditie
Tweeweginteractie Tijd × Gepest-status
Drieweginteractie Tijd × Interventieconditie × Gepest-status
Covariaten: Leeftijd en Geslacht
Deze fixed effects testen gezamenlijk alle geformuleerde hypothesen.
Conceptuele toetsing van de hypothesen binnen het model
Het conceptuele model toetst de hypothesen als volgt:
1. H1 – Hoofdeffect van Tijd
→ Is er een gemiddelde verandering in verbondenheid over de tijd?
2. H2 – Tijd × Interventieconditie
→ Verschillen de groeitrajecten in verbondenheid tussen:
o positieve groepsvorming,
o anti-pestprogramma,
o en controleconditie?
3. H3 – Tijd × Gepest-status
→ Ontwikkelen gepeste leerlingen zich anders in verbondenheid dan niet-gepeste
leerlingen?
4. H4 – Tijd × Interventie × Gepest (moderatie)
→ Verschilt het effect van de interventies op de groei in verbondenheid tussen
gepeste en niet-gepeste leerlingen?
5. H5 – Covariaten (leeftijd en geslacht)
→ Blijven de effecten van tijd, interventie en gepest-status bestaan na controle
voor leeftijd en geslacht?
4