HC 1: Introductie in de Psychodiagnostiek
Betrouwbaarheid van psychodiagnostiek is goed, de validiteit echter minder. Validiteit is ook gevoelig voor
de tijdsgeest; meten we wat we willen meten en wat is het wat we dan willen meten? Die vraag kan over
100 jaar anders beantwoord worden dan nu. Daarnaast wordt er nu ook veel gediscussieerd over de
validiteit van psychodiagnostiek.
Definities van psychodiagnostiek:
Psychodiagnostiek= het verkrijgen en verwerken van informatie ter ondersteuning van te nemen
beslissingen in het begeleidingsproces om tot een voldoende volledig, uniek en gedetailleerd beeld te komen
van de problematiek van de hulpzoekende(n) en zijn/haar situatie met het oog op het verlenen van goed
onderbouwd advies en probleemoplossing.
Psychodiagnostiek= een proces van gerichte informatieverzameling en analyse om tot een besluit te komen
over hulpverlening die moet worden ingezet.
Psychodiagnostiek wordt gebruikt om een onderscheid te maken tussen entiteiten (verschillende
symptomen) en ze te kunnen clusteren in wat bij elkaar hoort. Zo kom je tot een syndroom/ziektebeeld.
Psychodiagnostiek kan je relateren aan de empirische cyclus. Je kan dan ook meermaals psychodiagnostiek
uitvoeren, als het ware meerdere keren de cyclus doorlopen, om zo een gedetailleerder beeld te krijgen.
Het werd eerst ontwikkeld voor economisch belang. IQ testen werden afgenomen zodat mensen met een te
laag IQ niet het leger in kwamen. Later werden IQ testen ook ingezet om te bepalen of mensen bij bepaalde
banen/taken paste of dat ze daar bijvoorbeeld te slim voor waren.
Zo werd psychodiagnostiek dus eerst gebruikt om onderscheid te maken tussen mensen die bij het ene of
het andere zouden passen m.b.t. werk.
Diagnose= het verhaal van een persoon, met alle specifieke klachten die er spelen. Is individueel.
Classificatie= een label die dient om bepaalde voorspellingen te maken. Is niet individueel.
→ In dit vak worden deze termen echter als één gebruikt.
Voor psychodiagnostiek worden vaak classificatiesystemen gebruikt, dit zijn handige manieren om een beeld
te kunnen clusteren:
- DSM
- ICD
Problemen met classificatiesystemen:
- Het heeft geen wetenschappelijke oorsprong, het is ooit begonnen als een omschrijving van
veelvoorkomende entiteiten/stoornissen/symptomen.
- Er is wel of geen diagnose; categorisch systeem:
o Niet alle stoornissen passen in homogene categorieën.
VB: Iemand met een bepaalde diagnose voldoet aan een aantal criteria, maar dat betekend
niet dat je aan de hand van die diagnose meteen iets kan zeggen over hoe een individuele
stoornis er uit ziet. Er zit veel verschil tussen mensen en dus ook veel verschil tussen
behandelingen die nodig zijn.
o Belangrijke informatie gaat verloren bij geforceerde classificatie.
o Diagnostische criteria laten vaak veel ruimte voor interpretatie.
o Gebrek aan heldere procedures om een diagnose te bepalen.
, - Beinvloed door politiek en economie.
- Over classificatie:
Hier kan echter ook van worden gezegd dat mildere klachten nu ook worden meegenomen in de
diagnostiek maar dat dat niet perse hoeft te betekenen dat een stoornis er niet is of niet bestaat.
- Is gevoelig voor de tijdsgeest.
VB: Homoseksualiteit stond ook ooit in de DSM.
Als je echter terug gaat naar de eerste versies van de DSM, dan zie je dat er een aantal terugkerende
klachtenpatronen te onderscheiden zijn. Zo zijn angstklachten iets van alle tijden, maar ook OCD.
Wat er van een psycholoog-diagnosticus wordt verwacht:
- Professionele kennis en vaardigheden die nodig zijn om problemen te analyseren en bij te dragen
aan de oplossing:
Je doet dus geen diagnostiek bij iemand die geen probleem heeft/oplossing nodig heeft.
- Methodische werkwijze en doelstelling.
- Altijd kunnen verantwoorden wat je doet en waarom:
VB: ADHD onderzoek bij jong volwassenen;
WAIS afnemen of niet, afhankelijk van pragmatische doeleinden. Je kan het bijvoorbeeld afnemen
om te kijken of iemand minder executieve functies heeft in vergelijking met leeftijdsgenoten.
- Professionaliteit als het gaat om afstand of nabijheid.
- Beroepscode handhaven:
BAPD en NIP beroepscode.
Diagnostische cyclus is dus een gestandaardiseerde werkwijze om tot betrouwbare diagnoses/resultaten te
komen, vergelijkbaar met de empirische cyclus.
Je test niet omwille van het testen.
VB: Je doet random een IQ test bij een kind, na een jaar is er een indicatie voor een IQ test vanwege een
probleem. Alleen is de IQ test nu niet meer betrouwbaar door leereffecten.
VB: Bij lichte problematiek kan een diagnose/label juist stigmatiserend zijn. Dan kan lichte ondersteuning ook
al voldoende zijn zonder dat je daarvoor allerlei testen hebt afgenomen.
Je doet aan need-based assessment= je stelt diagnose/test op basis van de verlangens van de client
(hulpvraag).
→ Need-basesd assessment betekend echter niet dat een client een bepaalde test mag eisen.
Het needs-based assessment model:
1. Intake:
- Onderzoek van de klachten van de client.
- Informatie verkrijgen.
- Hulpvraag identificeren.
- Attributie van de client uitvragen:
o Waarom denk je dat je deze klachten hebt.
o Wat maakt dat je nu hulp zoekt.
- Kan worden gedaan doormiddel van:
o Een korte screener voorafgaand aan gesprek.
o Intake interview.
o Anamnese= bevragen van de voorgeschiedenis. Je verkrijgt informatie op basis van
de herinnering van de client.
o Heteroanamnese.
, 2. Strategie:
- Clusteren van symptomen/informatie.
- Verbanden leggen tussen klachten van de client en problemen.
- Cross-referencing van problemen met wetenschappelijke kennis.
VB: Onderbouwen waarom je zeldzame stoornis toch wilt onderzoeken, of juist niet omdat
het zo zeldzaam is.
VB: Risicofactoren in kaart brengen als het gaat om comorbiditeit bijvoorbeeld.
3. Testen/diagnose:
- Op basis van de clusters ga je je hypothese vormen. Deze hypothese maak je toetsbaar, je
kiest een test die je wilt doen en benoemd je verwachting.
- Op basis van die toetsbare hypothese ga je een test afnemen.
- Kiezen van testbatterij.
- Evalueren van test resultaten.
- Integreren van test resultaten.
VB: Sommige stoornissen zijn lastig uit elkaar te halen zoals ADHD en trauma.
- Diagnose opstellen.
4. Needs-assessment:
- Hulpvraag van de client.
- Bepalen van het doel van de interventie.
- Bepalen van het soort hulp.
5. Advisering
- Doen van aanbevelingen.
De verschillende stappen hoeven niet perse los van elkaar te staan, je kan ook al een beetje behandelen
tijdens de intake. Denk dan aan psycho-educatie bijvoorbeeld. Dit kan een client ook het vertrouwen geven
dat jij diegene kan helpen. Het vergroot ook de kans dat iemand met een fijn gevoel de sessie verlaat. Zo is
een intake ook niet alleen maar geven voor de client maar kunnen ze ook een beetje ontvangen.
Onderdelen van een intake:
1. Observeren:
- Er is maar één eerste keer dat je iemand ophaalt uit de wachtkamer. Observeer het gedrag
en de houding van een client. Dit kan later ook waardevolle informatie zijn.
2. Opening met uitleg:
- Uitleg over vertrouwelijkheid.
- Gang van zaken bespreken.
3. Opbouwen therapeut-cliënt relatie.
- Vertrouwensband.
- Wat kan je van elkaar verwachten.
4. Inzicht krijgen in aard problemen:
- Begrijpen van de problemen:
Zoals een mogelijke oorzaak, of het bestaan van een relatie tussen de problemen.
, - Bekend raken met ouders:
Relatie met ouders, mogelijk invloed op ontstaan en in stand houden van problematiek.
- Eerste beeldvorming van een geschikt testproces.
- Raamwerk voor de interpretatie van de testuitkomsten.
- Anamnese:
o Speciële anamnese:
• Blootleggen van het klachtenpatroon.
• Wanneer zijn de klachten ontstaan.
• Wat ging vooraf aan de klachten.
• Wat zijn de gevolgen van de klachten.
• Wat is de opvatting van de client over de klachten.
• Wat is de hulpvraag.
• Waarom vraagt de client nu om hulp.
o Actueel functioneren en ontwikkelingsanamnese:
• Lichamelijke klachten.
• Geboorte/eerste levensmaanden.
• Emotioneel functioneren.
• Cognitieve ontwikkeling.
• Functioneren op school.
• Specifieke gewoonten.
• Familierelaties.
5. Ophelderen hulpvraag
- Wordt in eerste instantie geformuleerd in termen van de client.
- Hulpvragen zijn vaak heel algemeen.
- Om adequate psychologische zorg te bieden dient de hulpvraag verhelderd te worden, je
wilt weten wat de wensen en verwachtingen zijn van de client.
- Uiteindelijk na doorvragen formuleer je als psycholoog de uiteindelijke hulpvraag.
6. Behandelingsovereenkomst of doorverwijzing:
- Geven van uitleg over de verdere stappen of procedures tijdens het psychologisch
onderzoek. Dit kan ook in de vorm van een doorverwijzing zijn.
Onderdelen strategiefase:
1. Clusteren van symptomen die tot DSM diagnose zouden kunnen leiden:
- Beschrijven en clusteren van de kenmerken en symptomen van het kind.
- Ernsttaxatie= inschatten of de klacht normaal of abnormaal is:
o Leeftijdsadequaat:
Past de klacht bij de leeftijd of niet.
o Duur van de klacht.
o Omstandigheden:
Is er een aanleiding voor de klacht.
VB: Kind op een nieuwe school uit een ander land zal sneller denken dat de klas
hem/haar uitlacht. Het is dan niet perse normaal maar ook niet meteen een stoornis.
o Frequentie van de klacht.
o Intensiteit van de klacht.
o Impact/lijdensdruk.