Samenvatting Decentraal
Contents
Samenvatting Decentraal.......................................................................................................1
Hoofdstuk 1 De bestuurlijke kaart van Nederland...............................................................1
Hoofdstuk 2 De Nederlandse staat.....................................................................................2
Hoofdstuk 3 De politiek-bestuurlijke instituties....................................................................3
Hoofdstuk 5 Nationaal Bestuur: het Rijk..............................................................................5
Hoofdstuk 6 Middenbestuur: provincie en waterschap........................................................6
Hoofdstuk 7 Lokaal bestuur: de gemeente..........................................................................7
Hoofdstuk 9 Bestuur en maatschappelijke omgeving..........................................................8
Hoofdstuk 10 Europees Bestuur.........................................................................................8
Hoofdstuk 11 De internationale context van bestuur.........................................................11
Kennisclips........................................................................................................................... 12
Les 1................................................................................................................................. 12
Les 2................................................................................................................................. 12
Les 3................................................................................................................................. 13
Les 5................................................................................................................................. 15
Les 7................................................................................................................................. 15
Hoofdstuk 1 De bestuurlijke kaart van Nederland
Paragraaf 1.1 Wat is openbaar bestuur?
Juridisch gezien hebben alle organisaties met een publiekrechtelijke grondslag tot het
openbaar bestuur. Hiermee wordt bedoelt het dat het bestaan van een organisatie wettelijk
vastgelegd is.
Een criterium betreft de financiering, publiekrechtelijke organisaties worden
gefinancierd uit algemene middelen.
Publieke organisaties richten zich op het algemeen belang. In veel gevallen is een
publieke taak vastgelegd in een wet.
Bovendien moet worden bedacht dat het openbaar bestuur voortdurend aan
verandering onderhevig is.
Het uitgangspunt is dat het openbaar bestuur in Nederland niet kan worden benaderd als
een gesloten, helder en begrensd geheel.
Naast de overheid verricht een breed veld van maatschappelijke instellingen publieke
taken. Soms worden deze instelling gefinancierd uit belastingopbrengsten of
premieheffingen. Dit heet het maatschappelijk middenveld. De organisaties die hier deel
van uit maken hebben geen winstoogmerk, zij zijn onderdeel van de private sector, die ook
commerciële actoren omvat. Die actoren zijn van grote invloed op het functioneren van het
openbaar bestuur.
Paragraaf 1.2 Kenmerken Nederlands openbaar bestuur
Constitutionele monarchie
o Constitutie = inrichting van de staat
[1]
, Gedecentraliseerde eenheidsstaat
o Niet alle regering komt uit Den Haag, gezag komt van boven
Rechtsstaat
o Legaliteitsbeginsel
o Spreiding der machten
o Onafhankelijke en onpartijdige rechter
o Eerbiedigen van grondrechten en beginselen
Scheiding van kerk en staat
Parlementair stelsel
o De tweede kamer is de kern van ons parlementair stelsel
o Twee functies
De koning is onschendbaar en de ministers zijn verantwoordelijk >
ministeriële verantwoordelijkheid
Het kabinet moet het vertrouwen van een meerderheid in de Tweede
Kamer > vertrouwensregel
o Indirecte democratie
Stelsel van evenredige vertegenwoordiging
o Door middel van kiesdeler/kiesdrempel (150 zetels)
Bevolking kiest geen bestuurder
Geen constitutioneel hof
o Je mag wetten niet toetsen aan de grondwet, art. 120 Gw
Geen juryrechtspraak
Scheiding der machten/Trias Politica
Onderdeel van de EU
In internationaal perspectief is het Nederlandse openbaar bestuur als inclusief te kenmeren,
de nadruk ligt op de draagkracht in de besluitvorming: de mate waarin besluiten gedragen of
gesteund worden door politieke actoren.
De Nederlandse bestuursstijl is te karakteriseren met behulp van de zes co’s: coalitie,
collegialiteit, compromis, consensus, coöptatie en coöperatie.
Hoofdstuk 2 De Nederlandse staat
Een staat heeft vier kenmerken:
1. Gezag (wettelijke ordening en een bestuurlijke organisatie)
2. Grondgebied (territorium, specifiek afgegrensd grondgebied)
3. Gemeenschap (bevolking)
4. Erkenning (erkend door andere staten)
De Staat der Nederlanden is een rechtspersoon, dit is tevens de juridische term de
Nederlandse overheid.
Nederland is onderdeel van het Koninkrijk der Nederlanden (Aruba, Curaçao en Sint
Maarten. De Nederlandse koning is staatshoofd van het gehele Koninkrijk der Nederlanden.
In Aruba, Curaçao en Sint Maarten wordt de koning vertegenwoordigd door de gouverneur.
De regering van het koninkrijk bestaat uit de koning en de Raad van Ministers. De Raad van
Ministers alle Nederlandse ministers en drie gevolmachtigde ministers. In het Nederlandse
kabinet is één bewindspersoon in het bijzonder belast met koninkrijksrelaties.
Paragraaf 2.1 Parlementair stelsel
Nederland is een democratie waarin de bevolking van >18 jaar de Tweede Kamer kiest. Dat
is de kern van ons parlementaire stelsel, dit stelsel kent twee principes:
1. De regel van ministeriele verantwoordelijkheid.
2. Vertrouwensregel.
[2]
, Paragraaf 2.2 Rechtsstaat
Een rechtsstaat heeft de volgende kernmerken:
- Al het overheidshandelen dient te zijn gebaseerd op bevoegdheden die zijn
vastgelegd in wetten.
- De leer van de Trias Politica.
- Het bestaan van vrije en geheime verkiezingen.
- Het bestaan van grondrechten.
- Het bestaan van vrije en onafhankelijke media.
Paragraaf 2.3 Gedecentraliseerde eenheidsstraat
De verhouding tussen decentralisatie en eenheid komt tot uitdrukking in de begrippen
autonomie, medebewind en toezicht. Gemeenten en provincies hebben eigen
bevoegdheden met betrekking tot de taken op hun grondgebied. Hierdoor is er sprake van
rechtspluralisme in Nederland. De eigen bevoegdheid van provincies en gemeenten wordt
autonomie.
Het komt ook voor dat provincies en gemeenten regels opstellen in opdracht van hogere
regeling, dit heet medebewind. De inhoud van de regels is vrij, maar gemeenten en
provincies moeten rekening houden met regels van hogere orde.
Autonomie en medebewind bepalen de decentralisatie in onze eenheidsstaat. Het principe
van de eenheid is uitgewerkt in het toezicht. De nationale overheid kan alle besluiten van
lagere overheden vernietigen wanneer die in strijd zijn met de wet of het algemeen belang.
In principe kan iedere burger de nationale overheid attenderen op dergelijke besluiten.
Hoofdstuk 3 De politiek-bestuurlijke instituties
Paragraaf 3.1 De regering
De Koning en de ministers vormen samen in Nederland de regering, art. 42 lid 1 Gw. De
term Kroon is een synoniem voor de term regering. In de Gw wordt over de Koning
gesproken, dat betreft de functionaris die het koningschap en het koninklijk gezag uitoefent.
De monarch ontvangt de notulen van de ministerraadsvergaderingen en heeft wekelijks een
gesprek met de mp.
De Gw bevat over de kabinetsformatie geen bepalingen. Gewoonterecht en politieke
spelregels bepaalden geruime tijd en gang van zaken tijdens dit proces. De Kamer komt
direct na de verkiezingen bijeen en kiest een formateur. Op basis van diens bevindingen
benoemt de Tweede Kamer een of meer informateurs die de onderhandelingen voor de
vorming van een kabinet leiden.
De informateur is gewoonlijk afkomstig uit de grootste partij. De informateur
onderzoekt de mogelijkheid tot samenwerking van twee of meer partijen in het kabinet. Een
formateur wordt ook weer aangewezen door de Tweede Kamer; deze rondt de vorming van
het kabinet af door voor de verschillende portefeuilles personen te zoeken. Een portefeuilles
betreft het geheel van verwante beleidsterreinen en of vraagstukken waarvoor een
bewindspersoon verantwoordelijk is.
Na de formatie komt het nieuwe kabinet tijdens het constituerend beraad eenmaal
bijeen om het regeerakkoord op te stellen en te ondertekenen en om afspraken te maken
over de exacte taakverdeling van de ministers en staatssecretarissen. Daarna volgen de
benoeming en de beëdiging door de koning en de presentatie aan het parlement door
middel van een regeringsverklaring.
Paragraaf 3.2 De Ministers
Een minister in beginsel belast met de leiding van een ministerie of departement van
algemeen bestuur. Sinds de grondwetsherziening van 1938 kunnen er ook ministers zonder
portefeuille worden benoemd. Deze projectministers hebben stemrecht in de ministerraad.
[3]
Contents
Samenvatting Decentraal.......................................................................................................1
Hoofdstuk 1 De bestuurlijke kaart van Nederland...............................................................1
Hoofdstuk 2 De Nederlandse staat.....................................................................................2
Hoofdstuk 3 De politiek-bestuurlijke instituties....................................................................3
Hoofdstuk 5 Nationaal Bestuur: het Rijk..............................................................................5
Hoofdstuk 6 Middenbestuur: provincie en waterschap........................................................6
Hoofdstuk 7 Lokaal bestuur: de gemeente..........................................................................7
Hoofdstuk 9 Bestuur en maatschappelijke omgeving..........................................................8
Hoofdstuk 10 Europees Bestuur.........................................................................................8
Hoofdstuk 11 De internationale context van bestuur.........................................................11
Kennisclips........................................................................................................................... 12
Les 1................................................................................................................................. 12
Les 2................................................................................................................................. 12
Les 3................................................................................................................................. 13
Les 5................................................................................................................................. 15
Les 7................................................................................................................................. 15
Hoofdstuk 1 De bestuurlijke kaart van Nederland
Paragraaf 1.1 Wat is openbaar bestuur?
Juridisch gezien hebben alle organisaties met een publiekrechtelijke grondslag tot het
openbaar bestuur. Hiermee wordt bedoelt het dat het bestaan van een organisatie wettelijk
vastgelegd is.
Een criterium betreft de financiering, publiekrechtelijke organisaties worden
gefinancierd uit algemene middelen.
Publieke organisaties richten zich op het algemeen belang. In veel gevallen is een
publieke taak vastgelegd in een wet.
Bovendien moet worden bedacht dat het openbaar bestuur voortdurend aan
verandering onderhevig is.
Het uitgangspunt is dat het openbaar bestuur in Nederland niet kan worden benaderd als
een gesloten, helder en begrensd geheel.
Naast de overheid verricht een breed veld van maatschappelijke instellingen publieke
taken. Soms worden deze instelling gefinancierd uit belastingopbrengsten of
premieheffingen. Dit heet het maatschappelijk middenveld. De organisaties die hier deel
van uit maken hebben geen winstoogmerk, zij zijn onderdeel van de private sector, die ook
commerciële actoren omvat. Die actoren zijn van grote invloed op het functioneren van het
openbaar bestuur.
Paragraaf 1.2 Kenmerken Nederlands openbaar bestuur
Constitutionele monarchie
o Constitutie = inrichting van de staat
[1]
, Gedecentraliseerde eenheidsstaat
o Niet alle regering komt uit Den Haag, gezag komt van boven
Rechtsstaat
o Legaliteitsbeginsel
o Spreiding der machten
o Onafhankelijke en onpartijdige rechter
o Eerbiedigen van grondrechten en beginselen
Scheiding van kerk en staat
Parlementair stelsel
o De tweede kamer is de kern van ons parlementair stelsel
o Twee functies
De koning is onschendbaar en de ministers zijn verantwoordelijk >
ministeriële verantwoordelijkheid
Het kabinet moet het vertrouwen van een meerderheid in de Tweede
Kamer > vertrouwensregel
o Indirecte democratie
Stelsel van evenredige vertegenwoordiging
o Door middel van kiesdeler/kiesdrempel (150 zetels)
Bevolking kiest geen bestuurder
Geen constitutioneel hof
o Je mag wetten niet toetsen aan de grondwet, art. 120 Gw
Geen juryrechtspraak
Scheiding der machten/Trias Politica
Onderdeel van de EU
In internationaal perspectief is het Nederlandse openbaar bestuur als inclusief te kenmeren,
de nadruk ligt op de draagkracht in de besluitvorming: de mate waarin besluiten gedragen of
gesteund worden door politieke actoren.
De Nederlandse bestuursstijl is te karakteriseren met behulp van de zes co’s: coalitie,
collegialiteit, compromis, consensus, coöptatie en coöperatie.
Hoofdstuk 2 De Nederlandse staat
Een staat heeft vier kenmerken:
1. Gezag (wettelijke ordening en een bestuurlijke organisatie)
2. Grondgebied (territorium, specifiek afgegrensd grondgebied)
3. Gemeenschap (bevolking)
4. Erkenning (erkend door andere staten)
De Staat der Nederlanden is een rechtspersoon, dit is tevens de juridische term de
Nederlandse overheid.
Nederland is onderdeel van het Koninkrijk der Nederlanden (Aruba, Curaçao en Sint
Maarten. De Nederlandse koning is staatshoofd van het gehele Koninkrijk der Nederlanden.
In Aruba, Curaçao en Sint Maarten wordt de koning vertegenwoordigd door de gouverneur.
De regering van het koninkrijk bestaat uit de koning en de Raad van Ministers. De Raad van
Ministers alle Nederlandse ministers en drie gevolmachtigde ministers. In het Nederlandse
kabinet is één bewindspersoon in het bijzonder belast met koninkrijksrelaties.
Paragraaf 2.1 Parlementair stelsel
Nederland is een democratie waarin de bevolking van >18 jaar de Tweede Kamer kiest. Dat
is de kern van ons parlementaire stelsel, dit stelsel kent twee principes:
1. De regel van ministeriele verantwoordelijkheid.
2. Vertrouwensregel.
[2]
, Paragraaf 2.2 Rechtsstaat
Een rechtsstaat heeft de volgende kernmerken:
- Al het overheidshandelen dient te zijn gebaseerd op bevoegdheden die zijn
vastgelegd in wetten.
- De leer van de Trias Politica.
- Het bestaan van vrije en geheime verkiezingen.
- Het bestaan van grondrechten.
- Het bestaan van vrije en onafhankelijke media.
Paragraaf 2.3 Gedecentraliseerde eenheidsstraat
De verhouding tussen decentralisatie en eenheid komt tot uitdrukking in de begrippen
autonomie, medebewind en toezicht. Gemeenten en provincies hebben eigen
bevoegdheden met betrekking tot de taken op hun grondgebied. Hierdoor is er sprake van
rechtspluralisme in Nederland. De eigen bevoegdheid van provincies en gemeenten wordt
autonomie.
Het komt ook voor dat provincies en gemeenten regels opstellen in opdracht van hogere
regeling, dit heet medebewind. De inhoud van de regels is vrij, maar gemeenten en
provincies moeten rekening houden met regels van hogere orde.
Autonomie en medebewind bepalen de decentralisatie in onze eenheidsstaat. Het principe
van de eenheid is uitgewerkt in het toezicht. De nationale overheid kan alle besluiten van
lagere overheden vernietigen wanneer die in strijd zijn met de wet of het algemeen belang.
In principe kan iedere burger de nationale overheid attenderen op dergelijke besluiten.
Hoofdstuk 3 De politiek-bestuurlijke instituties
Paragraaf 3.1 De regering
De Koning en de ministers vormen samen in Nederland de regering, art. 42 lid 1 Gw. De
term Kroon is een synoniem voor de term regering. In de Gw wordt over de Koning
gesproken, dat betreft de functionaris die het koningschap en het koninklijk gezag uitoefent.
De monarch ontvangt de notulen van de ministerraadsvergaderingen en heeft wekelijks een
gesprek met de mp.
De Gw bevat over de kabinetsformatie geen bepalingen. Gewoonterecht en politieke
spelregels bepaalden geruime tijd en gang van zaken tijdens dit proces. De Kamer komt
direct na de verkiezingen bijeen en kiest een formateur. Op basis van diens bevindingen
benoemt de Tweede Kamer een of meer informateurs die de onderhandelingen voor de
vorming van een kabinet leiden.
De informateur is gewoonlijk afkomstig uit de grootste partij. De informateur
onderzoekt de mogelijkheid tot samenwerking van twee of meer partijen in het kabinet. Een
formateur wordt ook weer aangewezen door de Tweede Kamer; deze rondt de vorming van
het kabinet af door voor de verschillende portefeuilles personen te zoeken. Een portefeuilles
betreft het geheel van verwante beleidsterreinen en of vraagstukken waarvoor een
bewindspersoon verantwoordelijk is.
Na de formatie komt het nieuwe kabinet tijdens het constituerend beraad eenmaal
bijeen om het regeerakkoord op te stellen en te ondertekenen en om afspraken te maken
over de exacte taakverdeling van de ministers en staatssecretarissen. Daarna volgen de
benoeming en de beëdiging door de koning en de presentatie aan het parlement door
middel van een regeringsverklaring.
Paragraaf 3.2 De Ministers
Een minister in beginsel belast met de leiding van een ministerie of departement van
algemeen bestuur. Sinds de grondwetsherziening van 1938 kunnen er ook ministers zonder
portefeuille worden benoemd. Deze projectministers hebben stemrecht in de ministerraad.
[3]