College 4: De occipitale kwab
Leerdoelen:
• Het verschil begrijpen tussen sensa3e en percep3e
• Leren hoe sensorische signalen visuele percep3e worden van oog tot hersenen
• Kennis opdoen over bepaalde visuele stoornissen
Wat is visie?
Sensa;e versus percep;e
Sensa3e (gewaarwording):
• Proces waarbij onze zintuigen informa3e over de wereld ontvangen
• Deze informa3e is ruw, gefragmenteerd en aseman3sch (betekenisloos) à gewoon golflengtes die
de receptoren raken
• We hebben nooit een bewuste ervaring van onze ruwe sensorische informa3e
Percep3e (waarneming):
• Onze ervaring van de gezintuiglijke informa3e, die wordt samengesteld door de hersenen
• Deze ervaring is rela3ef verenigd en betekenisvol à de hersenen verenigen de golflengtes tot een
beeld dat betekenisvol is
Hoe zou ruwe informa;e eruitzien?
• Sensa3e: betekenisvolle lichtgolven worden gedetecteerd door onze ogen (alles staat
ondersteboven, is 2D en heeH een fisheye-lenseffect)
• Percep3e: reden dat we direct een gezicht zien (onze hersenen creëren die ervaring)
Change blindness (veranderingsblindheid)
• Change blindness: onvermogen om een verandering van de ene visuele scène naar de volgende op
te merken
• We zijn ons slechts bewust van een zeer klein deel van de visuele informa3e die voor ons
beschikbaar is
• We besteden aandacht aan wat voor ons relevant is en negeren al het andere à selec3eve
aandacht
, Gestaltprincipes van organisa;e
• Gestalt = geheel
• Legt uit hoe de hersenen visuele scène segmenteren in objecten
• Principes:
o Principe van nabijheid (proximity): hoe dichter figuren bij elkaar staan, hoe waarschijnlijker
het is dat we ze groeperen en ze als dezelfde figuur zien (voorbeeld: er zijn 4 groepen van 2
ver3cale lijnen)
o Principe van gelijkheid (similarity): hoe gelijker de figuren zijn, hoe waarschijnlijker het is dat
we ze groeperen (voorbeeld: de “o” en de “x” zijn georganiseerd in horizontale lijnen
o Principe van goede voortzeVng (good con3nua3on): we hebben de neiging om randen en
contouren te groeperen die dezelfde oriënta3e hebben (voorbeeld: A verbindt met B en C
verbindt met D)
o Principe van slui3ng (closure): we hebben de neiging om figuren die gaten bevaYen te
voltooien (voorbeeld: we nemen het achterste object waar als een cirkel, ook al zien we de
cirkel niet volledig)
Leerdoelen:
• Het verschil begrijpen tussen sensa3e en percep3e
• Leren hoe sensorische signalen visuele percep3e worden van oog tot hersenen
• Kennis opdoen over bepaalde visuele stoornissen
Wat is visie?
Sensa;e versus percep;e
Sensa3e (gewaarwording):
• Proces waarbij onze zintuigen informa3e over de wereld ontvangen
• Deze informa3e is ruw, gefragmenteerd en aseman3sch (betekenisloos) à gewoon golflengtes die
de receptoren raken
• We hebben nooit een bewuste ervaring van onze ruwe sensorische informa3e
Percep3e (waarneming):
• Onze ervaring van de gezintuiglijke informa3e, die wordt samengesteld door de hersenen
• Deze ervaring is rela3ef verenigd en betekenisvol à de hersenen verenigen de golflengtes tot een
beeld dat betekenisvol is
Hoe zou ruwe informa;e eruitzien?
• Sensa3e: betekenisvolle lichtgolven worden gedetecteerd door onze ogen (alles staat
ondersteboven, is 2D en heeH een fisheye-lenseffect)
• Percep3e: reden dat we direct een gezicht zien (onze hersenen creëren die ervaring)
Change blindness (veranderingsblindheid)
• Change blindness: onvermogen om een verandering van de ene visuele scène naar de volgende op
te merken
• We zijn ons slechts bewust van een zeer klein deel van de visuele informa3e die voor ons
beschikbaar is
• We besteden aandacht aan wat voor ons relevant is en negeren al het andere à selec3eve
aandacht
, Gestaltprincipes van organisa;e
• Gestalt = geheel
• Legt uit hoe de hersenen visuele scène segmenteren in objecten
• Principes:
o Principe van nabijheid (proximity): hoe dichter figuren bij elkaar staan, hoe waarschijnlijker
het is dat we ze groeperen en ze als dezelfde figuur zien (voorbeeld: er zijn 4 groepen van 2
ver3cale lijnen)
o Principe van gelijkheid (similarity): hoe gelijker de figuren zijn, hoe waarschijnlijker het is dat
we ze groeperen (voorbeeld: de “o” en de “x” zijn georganiseerd in horizontale lijnen
o Principe van goede voortzeVng (good con3nua3on): we hebben de neiging om randen en
contouren te groeperen die dezelfde oriënta3e hebben (voorbeeld: A verbindt met B en C
verbindt met D)
o Principe van slui3ng (closure): we hebben de neiging om figuren die gaten bevaYen te
voltooien (voorbeeld: we nemen het achterste object waar als een cirkel, ook al zien we de
cirkel niet volledig)