Jamie Ward – The student’s Guide to social neuroscience 2e edition
Inhoudsopgave
1. Introductie van sociale neurowetenschappen ......................................................................................... 3
De opkomst van sociale neurowetenschappen .................................................................................................. 3
Het sociale brein? ............................................................................................................................................... 4
Is neurowetenschap een geschikt level van verklaren voor sociale gedragsstudies? ......................................... 6
2. De methoden van sociale neurowetenschappen ................................................................................... 10
Het meten van gedrag en cognitie: psychologische methoden ........................................................................ 11
Meten van lichamelijke reacties ....................................................................................................................... 14
Electrophysiologische methoden ...................................................................................................................... 17
Functionele imaging: hemodynamic measures ................................................................................................ 22
Letsel methodes en brein stimulaties ............................................................................................................... 27
Meten van biologische individuele verschillen ................................................................................................. 31
3. De evolutionaire origins van sociale intelligentie en cultuur ................................................................. 40
De sociale intelligentie hypothese .................................................................................................................... 40
Evolutionaire origine van cultuur ..................................................................................................................... 43
Materiaal symbolen: neurale recycling en uitgebreide cognitie ...................................................................... 45
Culturele skills: tools en technologie ................................................................................................................ 45
4. Emoties en motivatie ............................................................................................................................ 49
Historische perspectieve van de emoties .......................................................................................................... 49
Verschillende categorieën van emotie in het brein .......................................................................................... 53
Motivatie: beloning en straf, genot en pijn ...................................................................................................... 59
Hoe emoties aansluiten met andere cognitieve processen .............................................................................. 65
5. Het lezen van gezichten en lichamen .................................................................................................... 70
Waarnemen van gezichten ............................................................................................................................... 70
Waarnemen van lichamen ............................................................................................................................... 75
Gedeelde aandacht: van perceptie naar intentie ............................................................................................. 77
Kenmerkende inferenties van gezichten en lichamen ...................................................................................... 79
6. Begrijpen van anderen .......................................................................................................................... 85
Empathie en simulatie theorie.......................................................................................................................... 86
Empathie als een veelzijdig concept ................................................................................................................. 86
Theory of mind en beredenering over de mentale status ................................................................................. 89
Uitleg over autisme .......................................................................................................................................... 94
7. Interactie met anderen ....................................................................................................................... 101
, Altruïsme en helpend gedrag ......................................................................................................................... 101
8. Relaties ............................................................................................................................................... 110
Alles wat je nodig hebt is liefde ...................................................................................................................... 110
Hechting ......................................................................................................................................................... 113
Scheiding, afwijzing en eenzaamheid ............................................................................................................. 119
9. Groepen en identiteit .......................................................................................................................... 123
Identificeren en het self-concept .................................................................................................................... 124
Ingroups, outgroups en vooroordelen ............................................................................................................ 132
10. Moraliteit en antisociaal gedrag ..................................................................................................... 142
De neurowetenschap van moraliteit .............................................................................................................. 142
Boosheid en agressie ...................................................................................................................................... 149
Controle en verantwoordelijkheid: “ik was het niet, het was mijn brein” ...................................................... 157
11. Ontwikkeling van sociale neurowetenschappen ............................................................................. 161
Het aangeboren en aangeleerde van sociale cognitie.................................................................................... 161
Sociaal leren tijdens de kinderjaren (babytijd) ............................................................................................... 163
Het sociale brein in de kindertijd: begrijpen van jezelf en anderen ................................................................ 169
Het brein van een adolescent ......................................................................................................................... 171
, 1. Introductie van sociale neurowetenschappen
Tegenwoordig hebben we de mogelijkheden om aan de hand van een magnetisch veld
hersengolven/ hersenactiviteiten te meten bij personen ten aanzien van hun
reactie/interactie. Zo kan een interactie ervoor zorgen dat er stimuli ontstaan op diverse
gebieden binnen het brein.
Cognitie in een individueel brein wordt gekenmerkt door een netwerk van stromende
signalen tussen verschillende hersengebieden. Sociale interacties tussen verschillende
individuen kunnen echter worden gekenmerkt door hetzelfde principe: een soort "mega-
brein" waarin verschillende regio's in verschillende hersenen elkaar wederzijds kunnen
beïnvloeden. Dit wordt niet veroorzaakt door een fysieke stroom van activiteit tussen
hersenen (zoals gebeurt tussen verschillende regio's in dezelfde hersenen), maar door ons
vermogen om het sociale gedrag van anderen waar te nemen, te interpreteren en ernaar te
handelen.
• De techniek van hyperscanning registreert vanuit twee of meer verschillende
hersenen tegelijk (zoals MRI-scanners). Het is echter een relatief zeldzame
methodologie.
De opkomst van sociale neurowetenschappen
Allport (1968) defineert sociale psychology als “een poging om te begrijpen en te verklaren
hoe de gedachten, gevoelens en gedragingen van individuen worden beïnvloed door de
werkelijke, ingebeelde of impliciete aanwezigheid van anderen".
Een uitgebreide redelijke werkdefinitie van sociale neurowetenschap zijn:
Een poging om met behulp van neurale mechanismen te begrijpen en te verklaren hoe de
gedachten, gevoelens en gedragingen van individuen worden beïnvloed door de werkelijke,
ingebeelde of impliciete aanwezigheid van anderen.
Cognitieve psychologie is de studie van mentale processen zoals denken, waarnemen,
spreken, handelen en plannen. Het ontleed processen in verschillende sub-mechanismes en
verklaard complex gedrag op het gebied van hun interactie. Het heeft een belangrijke rol
binnen de sociale neurowetenschappen omdat het als doel complexe sociale gedragingen te
ontleden in eenvoudiger mechanismen heeft die onderzocht kunnen worden door
neurowetenschappelijke methoden. Hierbij worden de gedachtes en de biologische
aspecten met elkaar gelinkt.
In 1990s werd er een nieuwe verfijnde methoden voor neurowetenschappen geïntroduceerd
zoals fMRI (functional magnetic resonance imaging) en TMS (transcranial magnetic
stimulation). Deze methodes
waren meer gepast bij sociale
processen maar ook bij de
traditionele cognitieve
psychologie.
De sociale neurowetenschap
moet zich in de eerste plaats
bezighouden met de
onderliggende mechanismen,
en het is onwaarschijnlijk dat
, deze gelokaliseerd kunnen worden in afzonderlijke hersengebieden.
Het sociale brein?
Een overkoepelende vraag binnen de sociale neurowetenschappen is in hoeverre het
zogenaamde "sociale brein" kan worden onderscheiden van alle andere functies die het
brein vervult - praten, lopen, plannen, enz. Met andere woorden, is het "sociale brein" op
enigerlei wijze bijzonder?
• Eén mogelijkheid is dat er bepaalde neurale substraten in de hersenen zijn die
betrokken zijn bij sociale cognitie, maar niet bij andere soorten cognitieve
verwerking. Dit houdt verband met de begrippen modulariteit en
domeinspecificiteit. Een module is de term voor een computationele routine die
reageert op bepaalde inputs en daarop een bepaalde berekening uitvoert, dat wil
zeggen een routine die zeer gespecialiseerd is in termen van wat hij doet met wat
• De alternatieve, diametraal tegenovergestelde, benadering is het argument dat het
"sociale brein" in feite niet uitsluitend gespecialiseerd is voor sociaal gedrag, maar
ook betrokken is bij niet-sociale aspecten van cognitie (bv. redeneren, visuele
waarneming, detectie van bedreigingen). De evolutie van algemene neurale en
cognitieve mechanismen die het intellect verhogen, zoals het hebben van grotere
hersenen, kan ons ook sociaal slimmer maken.
• Een andere mogelijkheid is dat niet bepaalde regio's van het sociale brein "speciaal"
zijn, maar dat er bepaalde soorten neurale mechanismen zijn die speciaal geschikt
zijn voor sociale processen.
Barrett en Satpute (2013) bieden een nuttig overzicht van dit algemene debat over de aard
van het sociale en emotionele brein. Zij beschouwen drie brede manieren waarop het
'sociale brein' kan worden geïmplementeerd.
1. De eerste scenario is een eenvoudige domeinspecifieke visie die bestaat uit
hersengebieden die gespecialiseerd zijn voor het verwerken van bepaalde soorten
sociale informatie (bv. persoonsperceptie) en niet-sociale informatie (bv.
cognitieve controle). Weinig of geen hedendaagse onderzoekers zouden een
dergelijke visie onderschrijven. Het tweede en derde scenario hebben betrekking op
het idee van hersennetwerken en sluiten beter aan bij de hedendaagse ideeën in de
literatuur.
2. Het tweede scenario postuleert netwerken van regio's waarin elke regio in het net-
werk een hoge mate van specialisatie heeft (bijvoorbeeld specifiek voor sociale
informatie), terwijl in
3. Het derde scenario (het scenario dat door deze auteurs wordt onderschreven) noch
hersenregio's noch individuele hersennetwerken functioneel gespecialiseerd of
gescheiden zijn in sociale en niet-sociale functies. Natuurlijk zijn er ook hybride
scenario's denkbaar die elementen van beide hebben (Fedorenko, Duncan, &
Kanwisher, 2013). Om tussen deze verschillende scenario's te kunnen kiezen, moet
bewijsmateriaal van een groot aantal technieken aan elkaar worden gekoppeld.
Bijvoorbeeld, terwijl bewijs van functionele beeldvorming, beoordeeld door Barrett
en Satpute (2013), vaak wijst op het bestaan van zeer generieke netwerken, heeft
ander bewijs (bijvoorbeeld van hersenletsels, of met behulp van hersenstimulatie) de
neiging om meer specificiteit binnen de netwerken te onthullen.
Inhoudsopgave
1. Introductie van sociale neurowetenschappen ......................................................................................... 3
De opkomst van sociale neurowetenschappen .................................................................................................. 3
Het sociale brein? ............................................................................................................................................... 4
Is neurowetenschap een geschikt level van verklaren voor sociale gedragsstudies? ......................................... 6
2. De methoden van sociale neurowetenschappen ................................................................................... 10
Het meten van gedrag en cognitie: psychologische methoden ........................................................................ 11
Meten van lichamelijke reacties ....................................................................................................................... 14
Electrophysiologische methoden ...................................................................................................................... 17
Functionele imaging: hemodynamic measures ................................................................................................ 22
Letsel methodes en brein stimulaties ............................................................................................................... 27
Meten van biologische individuele verschillen ................................................................................................. 31
3. De evolutionaire origins van sociale intelligentie en cultuur ................................................................. 40
De sociale intelligentie hypothese .................................................................................................................... 40
Evolutionaire origine van cultuur ..................................................................................................................... 43
Materiaal symbolen: neurale recycling en uitgebreide cognitie ...................................................................... 45
Culturele skills: tools en technologie ................................................................................................................ 45
4. Emoties en motivatie ............................................................................................................................ 49
Historische perspectieve van de emoties .......................................................................................................... 49
Verschillende categorieën van emotie in het brein .......................................................................................... 53
Motivatie: beloning en straf, genot en pijn ...................................................................................................... 59
Hoe emoties aansluiten met andere cognitieve processen .............................................................................. 65
5. Het lezen van gezichten en lichamen .................................................................................................... 70
Waarnemen van gezichten ............................................................................................................................... 70
Waarnemen van lichamen ............................................................................................................................... 75
Gedeelde aandacht: van perceptie naar intentie ............................................................................................. 77
Kenmerkende inferenties van gezichten en lichamen ...................................................................................... 79
6. Begrijpen van anderen .......................................................................................................................... 85
Empathie en simulatie theorie.......................................................................................................................... 86
Empathie als een veelzijdig concept ................................................................................................................. 86
Theory of mind en beredenering over de mentale status ................................................................................. 89
Uitleg over autisme .......................................................................................................................................... 94
7. Interactie met anderen ....................................................................................................................... 101
, Altruïsme en helpend gedrag ......................................................................................................................... 101
8. Relaties ............................................................................................................................................... 110
Alles wat je nodig hebt is liefde ...................................................................................................................... 110
Hechting ......................................................................................................................................................... 113
Scheiding, afwijzing en eenzaamheid ............................................................................................................. 119
9. Groepen en identiteit .......................................................................................................................... 123
Identificeren en het self-concept .................................................................................................................... 124
Ingroups, outgroups en vooroordelen ............................................................................................................ 132
10. Moraliteit en antisociaal gedrag ..................................................................................................... 142
De neurowetenschap van moraliteit .............................................................................................................. 142
Boosheid en agressie ...................................................................................................................................... 149
Controle en verantwoordelijkheid: “ik was het niet, het was mijn brein” ...................................................... 157
11. Ontwikkeling van sociale neurowetenschappen ............................................................................. 161
Het aangeboren en aangeleerde van sociale cognitie.................................................................................... 161
Sociaal leren tijdens de kinderjaren (babytijd) ............................................................................................... 163
Het sociale brein in de kindertijd: begrijpen van jezelf en anderen ................................................................ 169
Het brein van een adolescent ......................................................................................................................... 171
, 1. Introductie van sociale neurowetenschappen
Tegenwoordig hebben we de mogelijkheden om aan de hand van een magnetisch veld
hersengolven/ hersenactiviteiten te meten bij personen ten aanzien van hun
reactie/interactie. Zo kan een interactie ervoor zorgen dat er stimuli ontstaan op diverse
gebieden binnen het brein.
Cognitie in een individueel brein wordt gekenmerkt door een netwerk van stromende
signalen tussen verschillende hersengebieden. Sociale interacties tussen verschillende
individuen kunnen echter worden gekenmerkt door hetzelfde principe: een soort "mega-
brein" waarin verschillende regio's in verschillende hersenen elkaar wederzijds kunnen
beïnvloeden. Dit wordt niet veroorzaakt door een fysieke stroom van activiteit tussen
hersenen (zoals gebeurt tussen verschillende regio's in dezelfde hersenen), maar door ons
vermogen om het sociale gedrag van anderen waar te nemen, te interpreteren en ernaar te
handelen.
• De techniek van hyperscanning registreert vanuit twee of meer verschillende
hersenen tegelijk (zoals MRI-scanners). Het is echter een relatief zeldzame
methodologie.
De opkomst van sociale neurowetenschappen
Allport (1968) defineert sociale psychology als “een poging om te begrijpen en te verklaren
hoe de gedachten, gevoelens en gedragingen van individuen worden beïnvloed door de
werkelijke, ingebeelde of impliciete aanwezigheid van anderen".
Een uitgebreide redelijke werkdefinitie van sociale neurowetenschap zijn:
Een poging om met behulp van neurale mechanismen te begrijpen en te verklaren hoe de
gedachten, gevoelens en gedragingen van individuen worden beïnvloed door de werkelijke,
ingebeelde of impliciete aanwezigheid van anderen.
Cognitieve psychologie is de studie van mentale processen zoals denken, waarnemen,
spreken, handelen en plannen. Het ontleed processen in verschillende sub-mechanismes en
verklaard complex gedrag op het gebied van hun interactie. Het heeft een belangrijke rol
binnen de sociale neurowetenschappen omdat het als doel complexe sociale gedragingen te
ontleden in eenvoudiger mechanismen heeft die onderzocht kunnen worden door
neurowetenschappelijke methoden. Hierbij worden de gedachtes en de biologische
aspecten met elkaar gelinkt.
In 1990s werd er een nieuwe verfijnde methoden voor neurowetenschappen geïntroduceerd
zoals fMRI (functional magnetic resonance imaging) en TMS (transcranial magnetic
stimulation). Deze methodes
waren meer gepast bij sociale
processen maar ook bij de
traditionele cognitieve
psychologie.
De sociale neurowetenschap
moet zich in de eerste plaats
bezighouden met de
onderliggende mechanismen,
en het is onwaarschijnlijk dat
, deze gelokaliseerd kunnen worden in afzonderlijke hersengebieden.
Het sociale brein?
Een overkoepelende vraag binnen de sociale neurowetenschappen is in hoeverre het
zogenaamde "sociale brein" kan worden onderscheiden van alle andere functies die het
brein vervult - praten, lopen, plannen, enz. Met andere woorden, is het "sociale brein" op
enigerlei wijze bijzonder?
• Eén mogelijkheid is dat er bepaalde neurale substraten in de hersenen zijn die
betrokken zijn bij sociale cognitie, maar niet bij andere soorten cognitieve
verwerking. Dit houdt verband met de begrippen modulariteit en
domeinspecificiteit. Een module is de term voor een computationele routine die
reageert op bepaalde inputs en daarop een bepaalde berekening uitvoert, dat wil
zeggen een routine die zeer gespecialiseerd is in termen van wat hij doet met wat
• De alternatieve, diametraal tegenovergestelde, benadering is het argument dat het
"sociale brein" in feite niet uitsluitend gespecialiseerd is voor sociaal gedrag, maar
ook betrokken is bij niet-sociale aspecten van cognitie (bv. redeneren, visuele
waarneming, detectie van bedreigingen). De evolutie van algemene neurale en
cognitieve mechanismen die het intellect verhogen, zoals het hebben van grotere
hersenen, kan ons ook sociaal slimmer maken.
• Een andere mogelijkheid is dat niet bepaalde regio's van het sociale brein "speciaal"
zijn, maar dat er bepaalde soorten neurale mechanismen zijn die speciaal geschikt
zijn voor sociale processen.
Barrett en Satpute (2013) bieden een nuttig overzicht van dit algemene debat over de aard
van het sociale en emotionele brein. Zij beschouwen drie brede manieren waarop het
'sociale brein' kan worden geïmplementeerd.
1. De eerste scenario is een eenvoudige domeinspecifieke visie die bestaat uit
hersengebieden die gespecialiseerd zijn voor het verwerken van bepaalde soorten
sociale informatie (bv. persoonsperceptie) en niet-sociale informatie (bv.
cognitieve controle). Weinig of geen hedendaagse onderzoekers zouden een
dergelijke visie onderschrijven. Het tweede en derde scenario hebben betrekking op
het idee van hersennetwerken en sluiten beter aan bij de hedendaagse ideeën in de
literatuur.
2. Het tweede scenario postuleert netwerken van regio's waarin elke regio in het net-
werk een hoge mate van specialisatie heeft (bijvoorbeeld specifiek voor sociale
informatie), terwijl in
3. Het derde scenario (het scenario dat door deze auteurs wordt onderschreven) noch
hersenregio's noch individuele hersennetwerken functioneel gespecialiseerd of
gescheiden zijn in sociale en niet-sociale functies. Natuurlijk zijn er ook hybride
scenario's denkbaar die elementen van beide hebben (Fedorenko, Duncan, &
Kanwisher, 2013). Om tussen deze verschillende scenario's te kunnen kiezen, moet
bewijsmateriaal van een groot aantal technieken aan elkaar worden gekoppeld.
Bijvoorbeeld, terwijl bewijs van functionele beeldvorming, beoordeeld door Barrett
en Satpute (2013), vaak wijst op het bestaan van zeer generieke netwerken, heeft
ander bewijs (bijvoorbeeld van hersenletsels, of met behulp van hersenstimulatie) de
neiging om meer specificiteit binnen de netwerken te onthullen.