Hoorcollege 1:
Voor wie ‘werkt’ het sociaal werk?
- Moet de persoon veranderen of de samenleving? Komt het probleem
vanuit de persoon of vanuit de samenleving?
- Is sociaal werk wel nodig? (als alles goed geregeld is)
- Hoe zorg je voor een rechtvaardige samenleving? (Nussbaum)
(outreachend werken?)
Wat jij ziet als probleem bepaald jouw hulpverlening. De manier waar je ergens
naar kijkt, maakt ook dat je bepaalde oplossingen ziet.
Een korte schets door de tijd:
Middeleeuwen: (tot +/- 1800)
- Mensbeeld: geloof in god erg groot, afwijking werd gezien als straf van
god. De mensen werden van de samenleving afgescheiden.
- Uitzonderlijke mensen
- Narren, zotten, onnozelen, idioten
Verlichting: (tot 2e WW)
- Mensbeeld: We hebben een taak, mensen heropvoeden.
- Opvoeden, Zelfbestuur en zelfbeheersing
- Zwakzinnigen, debielen, imbecielen
Na de 2e WW: (vanaf 2e WW, jaren ‘60, ‘70)
- Mensbeeld: Zij zijn niet gek, maar de samenleving. Samenleving moet
veranderen.
- Acceptatie
Jaren ‘80 tot nu: (vanaf jaren ‘90)
- Mensbeeld: Iedereen moet erbij horen.
- Integratie
- Mensen met mogelijkheden
De taal veranderd:
- Zwakzinning
- Idioot
- Achterlijk
- Imbeciel
- Mongool
- Verstandelijk beperkt
- Mens met mogelijkheden
Het bestaat niet zij moeten/ kunnen veranderen wij moeten
veranderen ze moeten mee (kunnen) komen.
, Individuele aanpak structurele aanpak
Psychologiseren politiseren (probleem wordt geplaatst in een politieke
context)
Dus individu aan pakken, of samenleving (breder kijken naar het individuele
signaal en hieruit dingen veranderen)
Verklaringsmodellen voor armoede en sociale problemen:
Modaliteit niveau: Schuld (intern): (is het je Ongeval (extern): (is het een
eigen schuld?) (van binnenuit) ongeval?) (van buitenaf)
Micro: Individueel schuldmodel Individueel ongevalmodel
Individu/gezin
Focus op houding, motivatie en Focus op individuele tegenslagen,
eigen verantwoordelijkheid genetische verklaringen
(Mensen vinden ze lui, vinden (Er zijn voorzieningen voor en
dat ze moeten werken, geen sociaal werk etc., gedachte dat ze
medelijden, ze vinden het hun er zelf niks aan kunnen doen.)
eigen schuld.)
Meso: Institutioneel schuldmodel Institutioneel ongevalmodel
Groep/
gemeenschappen/ Focus op armoedecultuur, Focus op aanpassingsstrategieën,
organisatie drempels, sociale isolatie, etikettering
selectiemechanismen
(cliënten zijn afhankelijk van
(De manier waarop organisaties organisaties/ groepen/
zich neerzetten kan bewust gemeenschappen, )
voor uitsluiting zorgen, of als de
gemeente heel veel regelingen
heeft)
Macro: Maatschappelijk schuldmodel of Maatschappelijk ongevalmodel of
Maatschappij structurele model conjuncturele model
Focus op dualisering, op de Focus op conjuncturele
maatschappelijke ordening die ontwikkelingen, economische
onwelzijn produceert crisis, demografische en
technologische ontwikkelingen
(De systemen die je binnen een
samenleving hebt zorgen voor (economische groei, baan
ongelijkheid en armoede etc.) kwijtraken door mechanisatie etc.
Hier moet de samenleving/sociaal
werk wat mee.)
Empowerment= een proces van versterking waarbij individuen, organisaties én
gemeenschappen greep krijgen op de eigen situatie en hun omgeving, en dit via
het verwerven van controle, het aanscherpen van kritisch bewustzijn en het
stimuleren van participatie.
,
, Hoorcollege 2:
Aantekeningen Cultuur:
Cultuur heeft invloed op het individu, de gemeenschap en de maatschappelijke
structuren.
Cultuur heeft te maken met gedrag van mensen.
Cultuur= wijzen van denken, handelen, de symbolen en materiële objecten
die in combinatie de levenswijze van het volk vormt.
Wijze van denken en de wijzen van handelen heeft te maken met normen
(gedragsregels) en waarden (diepere overtuigingen). Dus je manier van denken
en handelen wordt erg beïnvloedt door wat goed en fout is, dit wordt door cultuur
bepaald.
Materiële objecten= Deze kunnen symbool staan voor iets groters. (bv: een
auto hebben betekent vrijheid.) Ze zijn gemaakt door de leden van de
samenleving.
Denken en voelen is niet per se aangeboren:
- Socialisatie= Proces waarbij een individu de normen, waarden,
gedragsregels en cultuur van de groep/samenleving waarin hij/zij leeft
aanleren. Dit is door interactie met anderen.
- Internalisering= Proces waarbij een individu de normen, waarden en
gedragingen die het heeft geleerd via socialisatie, zo diep op zichzelf
opneemt, dat het een deel van diegene wordt. Het individu volgt deze
gedragsregels niet omdat het moet, maar omdat het ze als "eigen"
beschouwt.
Symbolen hebben een bepaalde betekenis voor mensen met dezelfde cultuur,
maar symbolen kunnen per culturen verschillen. De betekenis is dan anders.
Cultuurelementen:
- Symbolen
- Taal (er verdwijnen ook steeds meer talen)
- Waarden en overtuigingen (wat is goed/slecht, wat is respect etc.)
- Normen
- Etc.
Dit vormt in combinatie de levenswijze van een volk.
Cultuurelementen kunnen heel verschillend zijn, dit besef je je pas als je er mee
in aanraking komt.