H1: WAT IS KLINISCHE NEUROPSYCHOLOGIE?
Neuropsychologie: het wetenschapsgebied waarin de samenhang tussen gedrag
en de werking van de hersenen wordt bestudeerd. Denkprocessen worden aangeduid
als cognitieve functies. Deze maken het mogelijk om informatie te verwerken, te
begrijpen en erop te reageren.
VB. cognitieve functies: geheugen en taal, waarneming, aandacht, plannen en
sociale cognitie.
Mentale functies = cognitieve functies + emotie.
Neuropsychologie is onderdeel van het bredere veld van neurowetenschappen.
Gedrag bestaat uit:
waarneembare acties en reacties – overt gedrag.
Innerlijke mentale processen (denken en voelen) – cognitie en emotie.
Binnen de neuropsychologie speelt ontwikkeling en toetsing van theoretische
modellen over cognitieve functies a.d.h.v. hersenziekten of stoornissen een
belangrijke rol.
Klinische neuropsychologie is een deskundigheid op het gebied van de relatie tussen
hersenstoornissen en gedrag, kennis wordt toegepast in diagnostiek, begeleiding en
behandeling.
Niet de hersenen zelf worden bestudeerd, maar de cognitieve functies d.m.v.
onderzoek met de veronderstelling dat er sprake is van lesie (hersenbeschadiging) of
hersendisfuncties die kunnen leiden tot cognitieve functiestoornissen (lesie is in dit
geval niet aantoonbaar, zoals bij autisme).
Ook kunnen cognitieve functiestoornissen het gevolg zijn van lichamelijke ziekten
buiten de hersenen.
Neuropsychologisch onderzoek (NPO) is vaak gericht op: gestandaardiseerde
cognitieve tests, vragenlijsten en observaties. M.b.v. de uitkomsten kunnen we
patiënten begrijpen en behandelen.
Klinische neuropsychologie in historisch perspectief
De klinische neuropsychologie komt voort uit het denken in de filosofie en het
empirisch onderzoek naar de menselijke geest en de relatie met de hersenen.
Het idee dat de hersenen een rol spelen bij mentale functies stamt uit de klassieke
oudheid.
Hippocrates (400 BC): hield de hersenen verantwoordelijk voor intellect, zintuigen,
kennis en emoties.
Aristoteles (300 BC): beweerde dat zetel van ziel zich in het hart bevond (hersenen
van weinig belang).
Herophilus (400 BC): onderzocht hersenen na overlijden – hij zag met vocht gevulde
holtes (ventrikels) en beredeneerde dat waarneming, het begrijpen en het geheugen
zich moesten bevinden in deze holtes, die hij cellen noemde (de celtheorie of
ventrikelleer) – gangbare theorie tot 18e eeuw.
Zij zagen de hersenen als één algemeen systeem van informatieverwerking.
1
,Deze visie veranderde onder invloed van Descartes (1596 – 1650): formuleerde een
dualistisch standpunt waarbij ratio (geest) en het lichaam gescheiden werden. De
geest bevond zich volgens hem in de pijnappelklier (epifyse).
Lokalisatie en functiedifferentiatie
Franz Joseph Gall (1758 – 1828): de mens bezit verschillende mentale functies en
deze zijn onafhankelijk van elkaar terug te voeren op specifieke, zelfstandig
functionerende delen van de
hersenen, die zich aan de buitenzijde van de hersenen bevinden (de cortex).
A.d.h.v. van uitstulpingen (knobbels) op de schedel, was af te lezen hoe goed een
bepaalde functie ontwikkeld was. Velen vonden Gall materialistisch (geen plaats
meer voor de ziel).
Situatie Phineas Gage: baanbrekend de rol van frontaalkwab bij gedragsinhibitie en
sociale interactie.
Broca (1861): voorspelde dat hersenbeschadiging in frontale hersengebieden zou
moeten zitten bij spraakverlies. belangrijk gebied voor spreken in de
linkerfrontaalkwab = gebied van Broca.
De theorie van lokalisatie werd hiermee bevestigd: mentale functies zijn
gelokaliseerd op een specifieke plaats in de hersenen.
Taal bleek een samengesteld geheel van deelfuncties als spreken en begrijpen, wat
leidde tot ontwikkeling van functie- en locatiemodellen over taal.
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
----------------------------------------------------
Wernicke: onderzocht patiënten met taalstoornissen na een lesie. Hij onderstreepte
het belang van de linkerfrontaalkwab bij het spreken maar trof een patiënt met een
lesie aan deze kwab die vloeiend kon spreken. Echter was het begrip van taal
verstoord geraakt.
Gebied van Wernicke: gebied in de hersenen betrokken bij het begrijpen van
woorden.
Naast het veronderstellen van specifieke hersengebieden voor spreken en begrijpen,
stelde Wernicke ook dat deze gebieden via verbindingsbanden met elkaar
verbonden zijn. Schade aan deze banden zou ook tot specifieke functiestoornissen
moeten leiden.
Voorspelling Wernicke: na beschadiging van de verbindingsbanden tussen het
gebied van Broca (in linkerfrontaalkwab) en het gebied van Wernicke (in
linkertemporaalkwab), ontstaat een specifiek syndroom waarbij men wel kan spreken
en begrijpen, maar gesproken woorden niet kan nazeggen (= conductieafasie).
Syndromen als afasie, agnosie, apraxie en amnesie hebben hier hun oorsprong.
Lissauer: ontwikkelde een theoretisch model voor het onderzoeken van stoornissen
in de objectwaarneming: visuele agnosie (onvermogen herkennen van objecten).
Objectherkenning verloopt in twee fasen:
1. Apperceptie: structuur en kenmerken van en object worden waargenomen en
ontleed.
2. Associatie: deze kenmerken worden gekoppeld aan kennis- of
betekenisinformatie (concept).
Apperceptieve agnosie: verstoring in 1e fase onvermogen om losse delen als één
geheel te zien.
2
,Associatieve agnosie: verstoring in 2e fase herkennen het geheel niet (koppeling
betekenisinformatie vindt niet plaats).
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
---------------------------------------------------
Wernicke en Lissauer: laten zien hoe m.b.v. gedetailleerde casussen fundamentele
ontdekkingen over cognitieve functies worden gedaan en theoretische modellen
kunnen worden geconstrueerd.
19e eeuw – kritiek op lokalisatiegedachte: lokalisatie zou leiden tot simplificatie.
Complexe cognitieve functies zijn niet terug te voeren op de respons van één groepje
neuronen op één plek in de hersenen.
Ook hielpen deze modellen niet bij de ontwikkeling van behandelingen.
Jackson: schade op een specifieke locatie in de hersenen kan leiden tot een
functiestoornis, maar dit betekent niet automatisch dat die functie zelf zich ook op
die plaats in de hersenen bevindt.
Goldstein: pleitte ook voor een holistische kijk op het functioneren van de hersenen:
mensen reageren niet alleen op stimuli uit de omgeving, maar gedrag wordt door
verschillende factoren gestuurd (waaronder herinneringen, gevoelens en motivatie).
Mensen gaan heel anders om met de gevolgen van hersenbeschadiging, desondanks
de locatie of ernst (belangrijk voor cognitieve revalidatie).
Ontwikkeling van de experimentele psychologie
Wundt: filosoof en grondlegger van de experimentele psychologie ontwikkelde
diverse experimentele onderzoeksmethoden en gestandaardiseerde beschrijvingen
van subjectieve bevindingen. De onderzoeksresultaten droegen bij aan de vorming
van theorieën over cognitieve functies zoals waarneming, aandacht en cognitieve
controle.
Ook kwam in de 19e eeuw, het onderzoek m.b.v. kwantitatieve metingen van
cognitieve functies op.
Donders: grondlegger chronometrische analyse van mentale processen -
ontwikkeling reactietijdtaken. Verschillen in reactietijden tussen taakcondities geeft
informatie over cognitieve functies.
Subtractiemethode: de systematische en kwantitatieve vergelijking van verschillende
taakcondities.
wordt bijv. toegepast d.m.v. MRI.
Het meten van individuele verschillen
Galton: opkomst van de psychometrie. verzamelde meetbare kenmerken bij
groepen mensen en introduceerde belangrijke statistische begrippen zoals correlatie,
normaalverdeling en regressie. Begin van de ontwikkeling psychometrische tests
om verschillen tussen mensen objectief te meten.
Donders- onderzocht individuele cognitieve functies, Galton- vergeleek individuen
met referentiegroep.
Binet: ontwikkelde de eerste intelligentietest als alternatieve manier voor
bestuderen individuele verschillen. Binet-test werd gebruikt om het
ontwikkelingsniveau van kinderen vast te stellen.
Moderne klinische neuropsychologie (na WO2)
3
, Na WO2 kwamen militairen met hersenbeschadiging terug en ontstond de Brain
injuries unit, die zich specialiseerden in onderzoek en revalidatie van deze patiënten.
Klinische neuropsychologie kreeg een stevige plaats in de Gezondheidszorg.
De functionele theorie van Luria (lokalisatie en holisme in balans)
Een invloedrijke grondlegger van de moderne klinische neuropsychologie. Model
van Luria: holistische en lokalisatietheorieën worden geïntegreerd tot één globale
functionele theorie.
In zijn benadering zijn alle hersengebieden betrokken bij drie basisfuncties (units) die
interacteren:
1e unit: de subcortiale hersengebieden (waaronder de hersenstam).
regulatie van arousal- en aandachtsprocessen (activatie).
2e unit: de posterieure hersengebieden.
verwerken van zintuigelijke informatie (input).
3e unit; de anterieure hersengebieden.
planning en organisatie van het handelen (output).
De informatie binnen elke functionele unit in de hersenen wordt verwerkt op drie
hiërarchische zones: primair (verwerking – modaliteitspecifiek), secundair
(ontleding – niet-modaliteitspecifiek) en tertiair (betekenisgeving – visuele
modaliteit wordt gekoppeld aan andere modaliteiten).
Luria onderscheidt nog een derde globale indeling:
Gedrag kan worden gemoduleerd door talige processen in de linkerhersenhelft of
door niet-talige processen in de rechterhersenhelft.
Een bepaald aspect in de informatieverwerking, kan in zijn model dus
plaatsvinden in een bepaalde functionele unit binnen een van beide
hersenhelften, binnen een specifieke zone.
Luria’s gedachtegoed vormde de basis voor het idee dat cognitieve (deel)functies
gemeten dienen te worden met een uitgebreide, systematische testbatterij en dat
hersenen als geheel verantwoordelijk zijn voor gedrag, met de mogelijkheid van
onderscheid van gelokaliseerde deelfuncties.
Gedragsneurologie van Geschwind (afasie-unit met Goodglass en
Kaplan)
Droeg in hoge mate bij aan de klinische neuropsychologie als zelfstandig vakgebied.
In de hersenen zijn functionele centra die met elkaar verbonden zijn.
Disconnectie van deze verbindingen leidt specifieke uitvalverschijnselen
(voortbordurend op Wernicke).
Geschwind maakte gebruik van het principe van dissociatie en dubbele
dissociatie:
Dissociatie: patiënt met een lesie op plaats X, heeft een stoornis op taak A,
maar niet op B.
Dubbele dissociatie: patiënt met een lesie op plaats Y, heeft een stoornis op
taak B, niet op A.
Principe van dubbele dissociatie vormt een krachtig methodologisch argument
voor differentiatie van functies.
4