VERPLEEGTECHNISCHE VAARDIGHEDEN
Week 1 glucosegehalte bepalen en insuline toedienen
1. Je kunt in een voorbeeld de complicaties bij diabetes mellitus en het
insulinespuiten met een voor gevulde insulinepen herkennen en hiernaar
handelen;
Complicaties diabetes
Cardiovasculaire aandoeningen mensen met diabetes hebben een verhoogd risico op
hart- en vaatziekten, zoals een herseninfarct of hartinfarct. Door hoge bloedsuikers raken
de wanden van de bloedvaten beschadigd.
Chronische nierschade door diabetes kunnen de nieren minder goed gaan werken.
Nierschade door diabetes heet ook wel nefropathie. Het eerste teken van nefropathie is
het verlies van kleine hoeveelheden eiwit in de urine. Extra medicatie kan het eiwitverlies
terugdringen.
Afwijkingen aan de zenuwen diabetes kan zenuwen in het lichaam beschadigen. Dit
noem je neuropathie. Hierdoor kan iemand een verminderd gevoel hebben in delen van
het lichaam, bijvoorbeeld doof/pijn/tintelend gevoel in voeten en /of handen. De klachten
kunnen verbeteren door verbetering van de bloedglucosewaarden.
Diabetische voet door diabetes beschadigen de bloedvaten en zenuwen in de voeten. Het
bloed stroomt hierdoor minder makkelijk naar de voeten en tenen. Of het gevoel in de
voeten vermindert of verdwijnt helemaal. Wonden aan de voet worden minder snel
opgemerkt, daarnaast genezen ze moeilijk.
Retinopathie door hoge bloedglucosewaarden kan het netvlies van de ogen beschadigen.
Dit noem je retinopathie. Dit kan leiden tot slechtzien of zelfs blindheid.
Laserbehandelingen kunnen het proces afremmen.
Erectiestoornissen mannen met diabetes kunnen last krijgen van erectiestoornissen. Dit
komt doordat de bloedvaatjes zich vernauwen en de zenuwen beschadigen. Hierdoor kan
er minder bloed naar de penis stromen.
Maagproblemen door diabetes kunnen de zenuwen in en rond de maag beschadigd
raken. Eten wordt dan te langzaam van de maag naar de darmen gestuurd. Hierdoor kan
iemand last krijgen van een opgeblazen gevoel, misselijkheid, verstopping en diarree. Een
diëtist kan adviezen geven om klachten te verminderen.
Complicaties voorkomen
Voorkomen is altijd beter dan genezen. Het is bij diabetes daarom belangrijk om het lichaam goed
in de gaten te houden. Controles:
Jaarlijkse oogcontrole. Schade aan de ogen kan niet hersteld worden, maar laseren kan
voorkomen dat het slechter wordt.
Controle van voeten op wondjes, verkleuringen en vervormingen. Dit kan gedaan worden
door een medisch pedicure, podotherapeut of diabetesverpleegkundige.
Regelmatige controle van de bloedsuikers.
Voorkomen door; geen knellende schoenen, geen voetbaden, gezonde voeding, nagels recht en niet
te kort afknippen, niet op blote voeten lopen, niet roken.
9
,Complicaties toedienen
Bij het toedienen van insuline kunnen er verschillende dingen misgaan. Dit kan zorgen voor
complicaties bij de zorgvrager. Zorg daarom dat insuline op de juiste manier wordt geïnjecteerd.
Let op dat je de juiste materialen gebruikt en veilig en secuur werkt. Zorg dat je niet te diep of
ondiep injecteert. Bij ondiep injecteren kan de insuline in de opperhuid terechtkomen. Dit kan
leiden tot lekkage, onderdosering en huidschade. Daarnaast is het pijnlijk.
Bij te diep injecteren kan de insuline in de spier terechtkomen. De werking is dan onvoorspelbaar
en er kan zelfs een hypo optreden. Te diep injecteren is vooral een risico bij magere zorgvragers.
Pas in overleg met de arts of diabetesverpleegkundige de lengte van de naald en/of de
spuittechniek aan, of spuit in een ander lichaamsdeel met meer onderhuids bindweefsel.
Spuitplekken (lipodystrofie)
Door vaak te spuiten kan er een verandering optreden in het onderhuids bindweefsel.
Dit noem je ook wel lipodystrofie of spuitplekken. Dit kun je zien en/of voelen aan de
huid.
Het ontstaat sneller door onvoldoende afwisseling van de spuitplekken. Of meerdere
keren gebruiken van dezelfde injectienaald, terwijl er eigenlijk voor iedere injectie een
nieuwe naald gebruikt moet worden. Er zijn twee vormen lipodystrofie;
Bulten en harde schuiven, ook wel lipohypertrofie
Kuiltjes, ook wel lipoatrofie. Dit komt vaker voor. Het is vaak makkelijker te
voelen dan te zien. Normale huid kan nauw worden samengeknepen, maar bij
lipoatrofie gaat dit lastiger.
2. Je kunt de veiligheidsaspecten benoemen die belangrijk zijn en de
procedure en aandachtspunten toelichten bij het bepalen van de
bloedglucosewaarde;
Voordat je insuline gaat injecteren meet je de bloedglucosewaarde met een bloedglucosemeter of
een onderhuidse chip met een sensor. De waarde waarmee de hoeveelheid glucose in het bloed
wordt uitgedrukt is millimol per liter (mmol/l). Het bloedglucosegehalte varieert door de dag heen
en hangt af van het moment van de dag en of je hebt gegeten. Op een nuchtere maag voor je
ontbijt, is de waarde laag. Na een maaltijd loopt het weer op. Een diabetespatiënt moet er steeds
voor zorgen dat de bloedglucose in evenwicht blijft.
De bloedglucose kan gemeten worden door de zorgvrager zelf of door een zorgverlener, zoals een
verpleegkundige of huisarts. Een zorgvrager controleert de bloedglucose vaak zelf om de
behandeling zelf aan te passen. Dit noem je zelfregulatie. Een arts meet de bloedglucosewaarde om
de diagnose diabetes vast te stellen. Het meten van de bloedglucosewaarde geeft ook informatie
over hoe iemand reageert op een behandeling, dieet of ziekte. Een arts meet de bloedglucose om
een behandeling te evalueren. Voor een operatieve ingreep wordt de bloedglucose ook altijd
gemeten bij patiënten met diabetes.
De bloedglucosewaarde wordt altijd gecontroleerd in deze situaties;
Als voorbereiding op een behandeling met insuline
Bij (risico op) zwangerschapsdiabetes
Bij gebruik van andere bloedglucosewaarde beïnvloedende medicijnen
Voor een operatie of bij verdenking van ontregeling
10
, Hoe vaak je meet hangt af van een aantal factoren;
De persoonlijke situatie
Type diabetes
De behandeling en hoe vaak insuline wordt
gebruik
Leeftijd en leefstijl zorgvrager
Het bepalen ervan kan variëren van een paar keer
per dag tot een keer paar maand. Soms worden ze gedurende de dag gemeten om een beter beeld
te krijgen van de waarden. Dit gebeurt door een glucosedagcurve. (Zie plaatje) Die bestaat een
reeks van bloedglucosewaarden die op vaste momenten op de dag worden gemeten. Een dagcurve
kan bestaan uit 2 tot 8 metingen per dag. Bijvoorbeeld voor en/of na de hoofdmaaltijden, voor het
slapen gaan of juist ’s nachts. Minimaal 8 uur niet eten of drinken voor een nuchtere
bloedglucosewaarde, met uitzondering van water, koffie en thee.
Door de bloedglucose te meten kan een hypo- of hyperglykemie (een te lage of hoge
bloedsuikerspiegel) vroegtijdig herkend en voorkomen worden. Bij hypoglykemie ontstaan
klachten meestal bij een waarde onder de 3,6 mmol/L, bij hyperglykemie is de waarde hoger dan 9
mmol/L.
Oorzaken hypo
Te veel insuline spuiten
Te diep of niet diep genoeg spuiten
Anders eet of te weinig eet of drinkt
Ziek bent
Hard hebt gesport
Stress hebt
Klachten
Honger
Niet lekker voelen
Trillen
Bang zijn
Hartkloppingen
Geen gevoel in lippen tong of vingers
Bleek zien
Koud zweer
Incontinentie
Desoriëntatie
Verandering in persoonlijkheid of stemming
Hallucinatie
Neurologische krachten
Duizeligheid
Wazig, dubbel of andere kleuren zien
Slecht horen
Raar praten
Warm of koud hebben
Niet goed kunnen lopen
11
Week 1 glucosegehalte bepalen en insuline toedienen
1. Je kunt in een voorbeeld de complicaties bij diabetes mellitus en het
insulinespuiten met een voor gevulde insulinepen herkennen en hiernaar
handelen;
Complicaties diabetes
Cardiovasculaire aandoeningen mensen met diabetes hebben een verhoogd risico op
hart- en vaatziekten, zoals een herseninfarct of hartinfarct. Door hoge bloedsuikers raken
de wanden van de bloedvaten beschadigd.
Chronische nierschade door diabetes kunnen de nieren minder goed gaan werken.
Nierschade door diabetes heet ook wel nefropathie. Het eerste teken van nefropathie is
het verlies van kleine hoeveelheden eiwit in de urine. Extra medicatie kan het eiwitverlies
terugdringen.
Afwijkingen aan de zenuwen diabetes kan zenuwen in het lichaam beschadigen. Dit
noem je neuropathie. Hierdoor kan iemand een verminderd gevoel hebben in delen van
het lichaam, bijvoorbeeld doof/pijn/tintelend gevoel in voeten en /of handen. De klachten
kunnen verbeteren door verbetering van de bloedglucosewaarden.
Diabetische voet door diabetes beschadigen de bloedvaten en zenuwen in de voeten. Het
bloed stroomt hierdoor minder makkelijk naar de voeten en tenen. Of het gevoel in de
voeten vermindert of verdwijnt helemaal. Wonden aan de voet worden minder snel
opgemerkt, daarnaast genezen ze moeilijk.
Retinopathie door hoge bloedglucosewaarden kan het netvlies van de ogen beschadigen.
Dit noem je retinopathie. Dit kan leiden tot slechtzien of zelfs blindheid.
Laserbehandelingen kunnen het proces afremmen.
Erectiestoornissen mannen met diabetes kunnen last krijgen van erectiestoornissen. Dit
komt doordat de bloedvaatjes zich vernauwen en de zenuwen beschadigen. Hierdoor kan
er minder bloed naar de penis stromen.
Maagproblemen door diabetes kunnen de zenuwen in en rond de maag beschadigd
raken. Eten wordt dan te langzaam van de maag naar de darmen gestuurd. Hierdoor kan
iemand last krijgen van een opgeblazen gevoel, misselijkheid, verstopping en diarree. Een
diëtist kan adviezen geven om klachten te verminderen.
Complicaties voorkomen
Voorkomen is altijd beter dan genezen. Het is bij diabetes daarom belangrijk om het lichaam goed
in de gaten te houden. Controles:
Jaarlijkse oogcontrole. Schade aan de ogen kan niet hersteld worden, maar laseren kan
voorkomen dat het slechter wordt.
Controle van voeten op wondjes, verkleuringen en vervormingen. Dit kan gedaan worden
door een medisch pedicure, podotherapeut of diabetesverpleegkundige.
Regelmatige controle van de bloedsuikers.
Voorkomen door; geen knellende schoenen, geen voetbaden, gezonde voeding, nagels recht en niet
te kort afknippen, niet op blote voeten lopen, niet roken.
9
,Complicaties toedienen
Bij het toedienen van insuline kunnen er verschillende dingen misgaan. Dit kan zorgen voor
complicaties bij de zorgvrager. Zorg daarom dat insuline op de juiste manier wordt geïnjecteerd.
Let op dat je de juiste materialen gebruikt en veilig en secuur werkt. Zorg dat je niet te diep of
ondiep injecteert. Bij ondiep injecteren kan de insuline in de opperhuid terechtkomen. Dit kan
leiden tot lekkage, onderdosering en huidschade. Daarnaast is het pijnlijk.
Bij te diep injecteren kan de insuline in de spier terechtkomen. De werking is dan onvoorspelbaar
en er kan zelfs een hypo optreden. Te diep injecteren is vooral een risico bij magere zorgvragers.
Pas in overleg met de arts of diabetesverpleegkundige de lengte van de naald en/of de
spuittechniek aan, of spuit in een ander lichaamsdeel met meer onderhuids bindweefsel.
Spuitplekken (lipodystrofie)
Door vaak te spuiten kan er een verandering optreden in het onderhuids bindweefsel.
Dit noem je ook wel lipodystrofie of spuitplekken. Dit kun je zien en/of voelen aan de
huid.
Het ontstaat sneller door onvoldoende afwisseling van de spuitplekken. Of meerdere
keren gebruiken van dezelfde injectienaald, terwijl er eigenlijk voor iedere injectie een
nieuwe naald gebruikt moet worden. Er zijn twee vormen lipodystrofie;
Bulten en harde schuiven, ook wel lipohypertrofie
Kuiltjes, ook wel lipoatrofie. Dit komt vaker voor. Het is vaak makkelijker te
voelen dan te zien. Normale huid kan nauw worden samengeknepen, maar bij
lipoatrofie gaat dit lastiger.
2. Je kunt de veiligheidsaspecten benoemen die belangrijk zijn en de
procedure en aandachtspunten toelichten bij het bepalen van de
bloedglucosewaarde;
Voordat je insuline gaat injecteren meet je de bloedglucosewaarde met een bloedglucosemeter of
een onderhuidse chip met een sensor. De waarde waarmee de hoeveelheid glucose in het bloed
wordt uitgedrukt is millimol per liter (mmol/l). Het bloedglucosegehalte varieert door de dag heen
en hangt af van het moment van de dag en of je hebt gegeten. Op een nuchtere maag voor je
ontbijt, is de waarde laag. Na een maaltijd loopt het weer op. Een diabetespatiënt moet er steeds
voor zorgen dat de bloedglucose in evenwicht blijft.
De bloedglucose kan gemeten worden door de zorgvrager zelf of door een zorgverlener, zoals een
verpleegkundige of huisarts. Een zorgvrager controleert de bloedglucose vaak zelf om de
behandeling zelf aan te passen. Dit noem je zelfregulatie. Een arts meet de bloedglucosewaarde om
de diagnose diabetes vast te stellen. Het meten van de bloedglucosewaarde geeft ook informatie
over hoe iemand reageert op een behandeling, dieet of ziekte. Een arts meet de bloedglucose om
een behandeling te evalueren. Voor een operatieve ingreep wordt de bloedglucose ook altijd
gemeten bij patiënten met diabetes.
De bloedglucosewaarde wordt altijd gecontroleerd in deze situaties;
Als voorbereiding op een behandeling met insuline
Bij (risico op) zwangerschapsdiabetes
Bij gebruik van andere bloedglucosewaarde beïnvloedende medicijnen
Voor een operatie of bij verdenking van ontregeling
10
, Hoe vaak je meet hangt af van een aantal factoren;
De persoonlijke situatie
Type diabetes
De behandeling en hoe vaak insuline wordt
gebruik
Leeftijd en leefstijl zorgvrager
Het bepalen ervan kan variëren van een paar keer
per dag tot een keer paar maand. Soms worden ze gedurende de dag gemeten om een beter beeld
te krijgen van de waarden. Dit gebeurt door een glucosedagcurve. (Zie plaatje) Die bestaat een
reeks van bloedglucosewaarden die op vaste momenten op de dag worden gemeten. Een dagcurve
kan bestaan uit 2 tot 8 metingen per dag. Bijvoorbeeld voor en/of na de hoofdmaaltijden, voor het
slapen gaan of juist ’s nachts. Minimaal 8 uur niet eten of drinken voor een nuchtere
bloedglucosewaarde, met uitzondering van water, koffie en thee.
Door de bloedglucose te meten kan een hypo- of hyperglykemie (een te lage of hoge
bloedsuikerspiegel) vroegtijdig herkend en voorkomen worden. Bij hypoglykemie ontstaan
klachten meestal bij een waarde onder de 3,6 mmol/L, bij hyperglykemie is de waarde hoger dan 9
mmol/L.
Oorzaken hypo
Te veel insuline spuiten
Te diep of niet diep genoeg spuiten
Anders eet of te weinig eet of drinkt
Ziek bent
Hard hebt gesport
Stress hebt
Klachten
Honger
Niet lekker voelen
Trillen
Bang zijn
Hartkloppingen
Geen gevoel in lippen tong of vingers
Bleek zien
Koud zweer
Incontinentie
Desoriëntatie
Verandering in persoonlijkheid of stemming
Hallucinatie
Neurologische krachten
Duizeligheid
Wazig, dubbel of andere kleuren zien
Slecht horen
Raar praten
Warm of koud hebben
Niet goed kunnen lopen
11