Doelen wetenschappelijk onderzoek
- Fenomenen beschrijven
- Fenomenen voorspellen (regressie)
- Fenomenen verklaren; causale verbanden
Criteria wetenschappelijk onderzoek
- Empirisch: kennis wordt opgedaan vanuit empirische ervaringen (onderzoek in de
natuurlijke omgeving) à observeren.
- Publieke verificatie: andere wetenschappers moeten jouw onderzoek kunnen
repliceren om te kijken of dezelfde resultaten uitkomen à moet bekritiseerd en
geverifieerd worden.
- Oplosbare (toetsbare) vragen
Empirische cyclus
- Observatie
o Initiële observatie leidt tot vraag
o In de wetenschap vaak reeds bestaand
onderzoek à er mist iets, dit klopt niet.
- Inductie
o Observatie naar algemene theorie
o Informed guess: weet nog niet zeker wat ten
grondslag van de observatie ligt (hypothese)
o Als … dan … formuleren
o Van klein naar groot
- Deductie
o Van theorie naar toetsbare implicaties à wat voorspelt de theorie
o Van groot naar klein
o Van conceptuele definitie (bijv. leesvaardigheid) naar operationele
definitie (bijv. aantal gelezen zinnen per tijdseenheid).
- Toetsing
o Toets de werkhypothese door onderzoek
o Verzamel data, analyseer data, trek conclusie
- Evaluatie
o Bevestigen de conclusies de algemene theorie
o Dient de theorie aangepast te worden?
o Was het onderzoek zuiver?
,Lastige van theorie
- Impossibility of proof: bevestiging afgeleide werkhypothese bevestigt de theorie
op zichzelf nooit.
- Ontkrachting van de afgeleide hypothese weerlegt de theorie wel, maar als het
onderzoek niet zuiver genoeg is, dan kan je de theorie niet volledig te weerleggen.
- Methodologisch pluralisme: 1 theorie wordt op verschillende manieren
onderzocht à bijv. niet alleen d.m.v. observatie maar ook via interviews en
replicatie.
Doelen onderzoek
- Fundamenteel onderzoek: gericht op het vergroten van kennis, kennis die niet
een directe toepassing vereist voor het onderzoek à hoe verloopt de
ontwikkeling van een kind (niet praktijkgericht).
- Toegepast onderzoek: gericht op het oplossen van concrete problemen m.b.v.
technieken of producten à rekening houden de met de ontwikkeling, hoe kunnen
we pesten op school aanpassen.
Soorten onderzoek
- Kwalitatief: data gaat vooral over meningen en betekenissen
o Bijv. observatie, interview, focusgroep
- Kwantitatief: data gaat vooral over getallen en statistiek
o Bijv. MRI-scan, enquête, reactietijd.
- Volgens Leary
o Beschrijvend: je beschrijft de populatie, gebeurtenis of fenomeen zonder
variabelen te manipuleren.
§ Hoeveel kinderen in Nederland worden mishandeld?
o (Cor)relationeel: kijken naar een samenhang/ verband tussen variabelen,
zonder de variabelen te manipuleren.
§ Wat is de relatie tussen kenmerken van het kinderdagverblijf en de
sociale vaardigheden van kinderen?
o Experimenteel: oorzakelijke verbanden hard maken door een of meerdere
onafhankelijke variabelen te manipuleren.
§ Heeft suikerconsumptie een e<ect op externaliserend
probleemgedrag?
o Quasi experimenteel: hetzelfde als oorzakelijke verbanden, participanten
worden hierbij niet willekeurig over groepen verdeeld à niet ethisch (valt
tussen experimenteel en correlationeel).
§ Is het gebruik van
kalmerende middelen
van invloed op de
tentamencijfers?
,Meetmethodes
- Observatie
o Doelgroep observeren
o Drie onderdelen:
§ Setting
• Naturalistisch: observeren in de natuurlijke omgeving van de
onderzochten zonder interventie van de onderzoeker.
o Voordelen: realistisch
o Nadelen: gebrek aan controle, subjectief
• Vooropgezet (contrived): situatie is speciaal ingericht voor
observatie en registratie van gedrag.
o Voordelen: controle en overzicht
o Nadelen: niet realistisch
§ Onderzoeker
• Verborgen: ethische problemen à wanneer begin en start
observatie.
• Openlijk: reactiviteit à participanten kunnen zich anders
gedragen.
• Tussenoplossingen: niet alles vertellen (maar wel open zijn
over dat je ze gaat observeren), informanten gebruiken,
indirect meten.
• Participerende observatie: onderzoeker doet zelf mee met
het onderzoek.
§ Methode
• Ongestructureerd
o Participerende observatie
o Narratieven
• Gestructureerd
o Checklists
o Tijdsmetingen
o Beoordelingsschalen
- Fysiologisch
o Meten in/ aan het lichaam
§ Processen in het lichaam koppelen aan psychologische processen
§ Steeds vaker gebruikt in sociaalwetenschappelijk onderzoek
§ Denk aan hartslag, bloedafname
• Harde maten
• Inzicht in processen
- Zelfrapportage
o Welke methode?
, o Voorbeelden format vragen
§ Open vragen
§ Multiple choice
§ 5 puntenschaal (stellingen)
o Bias zelfrapportage
§ Sociale wenselijkheid
§ Halo-eAect: de eigenschap die je kent van een onbekend iemand
gebruik je om een heel beeld van iemand te maken.
§ Leniency bias: je kent iemand wel heel goed en die moet je
beoordelen, ga je het juist positiever of negatiever inkleuren dan
dat het werkelijk is.
§ Ja/nee zeggers
§ Centrale tendentie: je neigt om naar het gemiddelde te gaan
§ Logische fout
- Archiefdata (meta-analyse)
o Bestaande gegevens gebruiken voor onderzoek
§ Voordeel: data is al beschikbaar
§ Nadeel: afhankelijk van bestaande data, je kan geen nieuwe data
ontwikkelen.
o Beschrijvend, correlationeel, (quasi-)experimenteel.
o Elke type meting kan gebruikt worden in elk type onderzoek
Ethiek
- Algemene benaderingen
o Deontologisch: je beoordeelt of iets goed of fout is o.b.v. principes of
morele plichten, niet o.b.v. van het resultaat.
§ Bijzonder rigide, want het kijkt vanuit 1 ethisch kader (geen
aandacht voor context)
o Sceptisch: er wordt sterk getwijfeld of er überhaupt objectieve ethische
standaarden zijn à onderzoeker moet bepalen of het ethisch is of niet.
o Utilitaristisch: focus ligt op de gevolgen van de handelingen.
§ Kan leiden tot onrechtvaardige beslissingen tegenover individuen.
- Voordat een onderzoek begint, moet altijd om de geïnformeerde toestemming
gevraagd worden.
- Aan het einde van de meeste studies vindt een debriefing plaats à nog kort een
herhaling van het doel van het onderzoek om de deelnemers gerust weg te laten
gaan.