Diversiteit binnen de Geestelijke Gezondheidszorg – Literatuur
Mental health care for LGBT youths
American Psychiatric Association (2020)
LHBT-jongeren hebben vaak specifieke ontwikkelingservaringen en stressoren die een groter risico op
problemen opleveren.
Vroeger droeg de psychiatrische classificatie van homoseksualiteit bij aan het stigma, maar die
diagnose is inmiddels geschrapt.
Bevindingen van grote medische organisaties over gezondheidsverschillen onder LHBTI-jongeren
Institute of Medicine (IOM)
LHBT-kinderen en -adolescenten lopen een hoger risico op depressie, suïcidale gedachten en
zelfmoordpogingen.
Kleine studies wijzen ook op hogere depressie- en suïcidecijfers bij transgender jongeren.
LHBT-kinderen en -adolescenten roken vaker, drinken meer alcohol en gebruiken meer middelen dan
hun heteroseksuele leeftijdsgenoten.
LHBT-jongeren ervaren vaker intimidatie, geweld en dakloosheid.
Risicofactoren suïcidaliteit:
Seksuele minderheidsstatus
Afwijzing door familie
Homofoob slachtofferschap
Beschermende factoren:
Acceptatie door het gezin
Veiligheid op school
American Academy of Child and Adolescent Psychiatry (AACAP)
Richtlijn beschrijft de ontwikkelings-, psychologische- en sociale stressfactoren die de mentale
gezondheidszorg voor LHBT-jongeren beïnvloeden en helpt clinici bij het nemen van zorgbeslissingen.
9 principes van de AACAP-richtlijn:
1. Een diagnostisch onderzoek moet altijd een leeftijdspassende beoordeling van de
psychoseksuele ontwikkeling bevatten.
2. De noodzaak van vertrouwelijkheid is extra belangrijk bij de beoordeling van jongeren uit
seksuele of genderminderheidsgroepen.
3. De rol van familie en culturele waarden rond seksuele oriëntatie en genderidentiteit moeten
worden onderzocht.
4. Hulpverleners moeten vragen naar situaties die vaak voorkomen bij LHBT-jongeren, zoals
suïcide.
5. De zorg moet gericht zijn op het bevorderen van een gezonde psychoseksuele ontwikkeling
en geïntegreerde identiteit.
6. Er is geen bewijs dat therapie seksuele oriëntatie kan veranderen; pogingen daartoe kunnen
schadelijk zijn.
7. Hulpverleners moeten op de hoogte zijn van wetenschappelijke kennis over genderdysforie.
8. Clinici moeten samenwerken met scholen, instanties en zorgverleners.
9. Hulpverleners moeten bekend zijn met relevante gemeenschaps- en professionele
ondersteuningsmogelijkheden.
1
,American Psychiatric Association (APA)
Tijdens de herziening van de DSM-5 (2008-2013) werd gepleit voor het schrappen van de diagnose
genderidentiteitsstoornis om genderdiversiteit niet te pathologiseren.
APA besloot echter een diagnose te behouden, zodat transgenderpersonen toegang konden blijven
houden tot passende genderbevestigende zorg en verzekering.
2013: genderidentiteitsstoornis genderdysforie.
Genderdysforie
= de stress die een persoon kan ervaren als gevolg van een incongruentie tussen genderidentiteit en
het geboortegeslacht.
World Health Organization (WHO)
In 2019 wijzigde de WHO in de ICD-11 de diagnose genderidentiteitsstoornis in genderincongruentie
bij kinderen, adolescenten en volwassenen.
Daarnaast werden deze diagnoses verplaatst van de sectie voor psychische stoornissen naar een
nieuwe categorie over seksuele gezondheid.
Geestelijke gezondheidsbehoeften van LHBT-jongeren
LHBT-jongeren hebben in de basis dezelfde ontwikkelingsbehoeften als andere jongeren, maar ook
specifieke behoeften op vier belangrijke ontwikkelingsgebieden:
Seksuele geaardheid/oriëntatie: tot welk(e) geslacht(en) iemand zich seksueel of romantisch
aangetrokken voelt (homo-, hetero-, of biseksueel).
Seksuele identiteit: hoe iemand zichzelf benoemt in termen van oriëntatie (lesbisch, homo,
biseksueel).
Genderexpressie: hoe iemand zijn of haar gender tot uiting brengt, bijvoorbeeld via kleding
of gedrag.
Genderidentiteit: het gender waarmee iemand zich identificeert, wat wel of niet hoeft
overeen te komen met de genderexpressie.
Iemand kan bijvoorbeeld een vrouwelijke genderidentiteit hebben maar zich openlijk mannelijk
uitdrukken.
Problemen of stress binnen één of meerdere van deze gebieden kunnen leiden tot negatieve
ervaringen en mentale gezondheidsproblemen.
Gender non-conformiteit
= gedrag dat niet overeenkomt met de traditionele verwachtingen van mannelijkheid of
vrouwelijkheid binnen een bepaalde cultuur.
Genderdysforie draait dus om de innerlijke beleving van gender, terwijl gender non-conformiteit gaat
over uiterlijk gedrag.
Negatieve reacties van peers, familie of de samenleving op iemands gender- of seksuele identiteit
vergroten het risico op psychische problemen.
LHBT-jongeren hebben vaker depressie, angststoornissen en middelengebruik.
LHBT-jongeren lopen twee tot vier keer meer risico op suïcidale gedachten of gedrag dan hun
leeftijdsgenoten.
o Afwijzing door familie of pesterijen versterken dit risico.
De angst voor afwijzing of schade kan ertoe leiden dat jongeren hun gevoelens verbergen.
2
, De strijd om al dan niet ‘uit de kast te komen’ is een unieke uitdaging in de emotionele
ontwikkeling van LHBT-jongeren.
Minderheidsstress (minority stress) en stigma
De minderheidsstresstheorie verklaart waarom LHBT-personen vaker fysieke en psychische
gezondheidsproblemen hebben.
volgens deze theorie ontstaan de verschillen doordat LHBT-jongeren worden blootgesteld aan anti-
LHBT-stigma.
Non-acceptatie door het gezin, pesten, discriminatie, etc.
Onderzoek naar minderheidsstress richt zich vooral op volwassenen, maar studies bij jongeren tonen
dat het model ook voor hen geldt.
Bij jongeren is het echter belangrijk om extra aandacht te geven aan copingvaardigheden, sociale en
familiale context en de ontwikkeling van seksuele identiteit.
Het beoordelen van verwachtingen van acceptatie is van belang voor de ontwikkeling van LHBT-
jongeren.
Minderheidsstress werkt op drie niveaus:
1. Individueel niveau: therapieën helpen jongeren omgaan met stress.
2. Interpersoonlijk niveau: interventies gericht op gezinsacceptatie, sociale steun, veiligheid op
school en samenwerking tussen zorgverleners.
3. Structureel niveau: beleid en belangenbehartiging op institutioneel, lokaal en nationaal
niveau om inclusieve zorg en gelijkheid te bevorderen.
Behandeling van geestelijke gezondheidsproblemen
De AACAP-richtlijn over depressieve stoornissen bij kinderen en jongeren adviseert om bij alle
jongeren standaard te screenen op depressie.
Vroege herkenning en behandeling van depressie vermindert de ernst van klachten, het risico op
zelfmoord en middelenmisbruik en voorkomt dat depressie aanhoudt tot in de volwassenheid.
Deze principes gelden ook voor LHBT-jongeren, mits uitgevoerd met klinische en culturele
sensitiviteit.
Behandeling en begeleiding:
Hulpverleners kunnen jongeren helpen door hun sociale steun, copingvaardigheden en
probleemoplossend vermogen te versterken.
Omdat stigma en afwijzing vaak bijdragen aan depressieve klachten, is soms langdurige
therapie nodig om jongeren te helpen omgaan met blijvende stress of conflicten.
Voortdurende conflicten met ouders vergroten het risico op terugval. Depressieve jongeren
ervaren vaak spanningen in relaties, wat kan leiden tot isolatie. Daarom is het belangrijk om
bij aanvang van behandeling het sociale netwerk van de jongeren te beoordelen.
Behandelopties:
Voor milde tot matige depressie zijn ondersteunende gesprekken of gestructureerde
therapieën zoals cognitive gedragstherapie (CGT), interpersoonlijke therapie of
psychodynamische therapie effectief.
School- en gezinsinterventies kunnen een belangrijk onderdeel van de behandeling zijn.
Hulpverleners moeten zorgvuldig omgaan met vertrouwelijkheid en openheid over de identiteit van
de jongeren.
3
, De veiligheid, acceptatie en steun van familie, school en gemeenschap moeten worden meegewogen
voordat een jongere besluit ‘uit de kast te komen’.
De coming-out is een persoonlijk proces dat afhankelijk is van de context. De hulpverlener moet
beoordelen of, wanneer en hoe dit veilig en passend is.
Behandeling kan zich ook richten op het versterken van de ouder-kindrelatie, het begeleiden van
ouders en het verminderen van gezinsconflicten.
Verslavingszorg:
LHBT-jongeren die hulp zoeken bij middelengebruik hebben vaak extra uitdagingen, vooral bij
gezinsbetrokkenheid of opname in een kliniek.
Behandelinstellingen werken het best wanneer ze veilig, respectvol en bevestigend zijn ten
aanzien van de gender- en seksuele identiteit van de jongere.
Ondersteuning voor gezinnen van transgender jongeren
Transgender- en genderdiverse jongeren en hun families ervaren vaak stress door beslissingen over
sociale en medische genderbevestigende interventies.
Een sociale transitie (zonder medische ingrepen) kan verschillende vormen aannemen:
Kiezen van een ander kapsel of kleding.
Gebruiken van een naam of voornaamwoorden die passen bij de genderidentiteit.
De ontwikkeling van genderdysforie bij kinderen is variabeler dan bij volwassenen.
Veel prepuberale kinderen ervaren geen aanhoudende genderdysforie in de adolescentie of
volwassenheid; sommigen ontwikkelen later een niet-heteroseksuele oriëntatie.
Factoren die de kans vergroten dat genderdysforie blijft bestaan zijn:
Intensiteit van dysforie
Diagnosecriteria
Vroegtijdige sociale transitie
Jongere leeftijd
Mannelijk bij geboorte
Hulpverleners kunnen gezinnen ondersteunen door:
Opties te evalueren en de risico’s en voordelen van sociale of medische transitie af te wegen.
Onzekerheid te tolereren en gezinnen te begeleiden bij beslissingen over sociale transitie.
Te helpen bij school- en gemeenschapszaken.
Voorbereiding te bieden voor hormonale interventies bij puberteit.
Belangrijk is dat hulpverleners ontwikkelingsgericht communiceren over de risico’s en voordelen van
transitie, inclusief het risico van spijt of veranderende genderidentiteit later.
Ook kunnen zij gezinnen begeleiden in ondersteuning en acceptatie terwijl de genderidentiteit van
het kind zich ontwikkelt.
Samenwerking met kinderartsen
4
Mental health care for LGBT youths
American Psychiatric Association (2020)
LHBT-jongeren hebben vaak specifieke ontwikkelingservaringen en stressoren die een groter risico op
problemen opleveren.
Vroeger droeg de psychiatrische classificatie van homoseksualiteit bij aan het stigma, maar die
diagnose is inmiddels geschrapt.
Bevindingen van grote medische organisaties over gezondheidsverschillen onder LHBTI-jongeren
Institute of Medicine (IOM)
LHBT-kinderen en -adolescenten lopen een hoger risico op depressie, suïcidale gedachten en
zelfmoordpogingen.
Kleine studies wijzen ook op hogere depressie- en suïcidecijfers bij transgender jongeren.
LHBT-kinderen en -adolescenten roken vaker, drinken meer alcohol en gebruiken meer middelen dan
hun heteroseksuele leeftijdsgenoten.
LHBT-jongeren ervaren vaker intimidatie, geweld en dakloosheid.
Risicofactoren suïcidaliteit:
Seksuele minderheidsstatus
Afwijzing door familie
Homofoob slachtofferschap
Beschermende factoren:
Acceptatie door het gezin
Veiligheid op school
American Academy of Child and Adolescent Psychiatry (AACAP)
Richtlijn beschrijft de ontwikkelings-, psychologische- en sociale stressfactoren die de mentale
gezondheidszorg voor LHBT-jongeren beïnvloeden en helpt clinici bij het nemen van zorgbeslissingen.
9 principes van de AACAP-richtlijn:
1. Een diagnostisch onderzoek moet altijd een leeftijdspassende beoordeling van de
psychoseksuele ontwikkeling bevatten.
2. De noodzaak van vertrouwelijkheid is extra belangrijk bij de beoordeling van jongeren uit
seksuele of genderminderheidsgroepen.
3. De rol van familie en culturele waarden rond seksuele oriëntatie en genderidentiteit moeten
worden onderzocht.
4. Hulpverleners moeten vragen naar situaties die vaak voorkomen bij LHBT-jongeren, zoals
suïcide.
5. De zorg moet gericht zijn op het bevorderen van een gezonde psychoseksuele ontwikkeling
en geïntegreerde identiteit.
6. Er is geen bewijs dat therapie seksuele oriëntatie kan veranderen; pogingen daartoe kunnen
schadelijk zijn.
7. Hulpverleners moeten op de hoogte zijn van wetenschappelijke kennis over genderdysforie.
8. Clinici moeten samenwerken met scholen, instanties en zorgverleners.
9. Hulpverleners moeten bekend zijn met relevante gemeenschaps- en professionele
ondersteuningsmogelijkheden.
1
,American Psychiatric Association (APA)
Tijdens de herziening van de DSM-5 (2008-2013) werd gepleit voor het schrappen van de diagnose
genderidentiteitsstoornis om genderdiversiteit niet te pathologiseren.
APA besloot echter een diagnose te behouden, zodat transgenderpersonen toegang konden blijven
houden tot passende genderbevestigende zorg en verzekering.
2013: genderidentiteitsstoornis genderdysforie.
Genderdysforie
= de stress die een persoon kan ervaren als gevolg van een incongruentie tussen genderidentiteit en
het geboortegeslacht.
World Health Organization (WHO)
In 2019 wijzigde de WHO in de ICD-11 de diagnose genderidentiteitsstoornis in genderincongruentie
bij kinderen, adolescenten en volwassenen.
Daarnaast werden deze diagnoses verplaatst van de sectie voor psychische stoornissen naar een
nieuwe categorie over seksuele gezondheid.
Geestelijke gezondheidsbehoeften van LHBT-jongeren
LHBT-jongeren hebben in de basis dezelfde ontwikkelingsbehoeften als andere jongeren, maar ook
specifieke behoeften op vier belangrijke ontwikkelingsgebieden:
Seksuele geaardheid/oriëntatie: tot welk(e) geslacht(en) iemand zich seksueel of romantisch
aangetrokken voelt (homo-, hetero-, of biseksueel).
Seksuele identiteit: hoe iemand zichzelf benoemt in termen van oriëntatie (lesbisch, homo,
biseksueel).
Genderexpressie: hoe iemand zijn of haar gender tot uiting brengt, bijvoorbeeld via kleding
of gedrag.
Genderidentiteit: het gender waarmee iemand zich identificeert, wat wel of niet hoeft
overeen te komen met de genderexpressie.
Iemand kan bijvoorbeeld een vrouwelijke genderidentiteit hebben maar zich openlijk mannelijk
uitdrukken.
Problemen of stress binnen één of meerdere van deze gebieden kunnen leiden tot negatieve
ervaringen en mentale gezondheidsproblemen.
Gender non-conformiteit
= gedrag dat niet overeenkomt met de traditionele verwachtingen van mannelijkheid of
vrouwelijkheid binnen een bepaalde cultuur.
Genderdysforie draait dus om de innerlijke beleving van gender, terwijl gender non-conformiteit gaat
over uiterlijk gedrag.
Negatieve reacties van peers, familie of de samenleving op iemands gender- of seksuele identiteit
vergroten het risico op psychische problemen.
LHBT-jongeren hebben vaker depressie, angststoornissen en middelengebruik.
LHBT-jongeren lopen twee tot vier keer meer risico op suïcidale gedachten of gedrag dan hun
leeftijdsgenoten.
o Afwijzing door familie of pesterijen versterken dit risico.
De angst voor afwijzing of schade kan ertoe leiden dat jongeren hun gevoelens verbergen.
2
, De strijd om al dan niet ‘uit de kast te komen’ is een unieke uitdaging in de emotionele
ontwikkeling van LHBT-jongeren.
Minderheidsstress (minority stress) en stigma
De minderheidsstresstheorie verklaart waarom LHBT-personen vaker fysieke en psychische
gezondheidsproblemen hebben.
volgens deze theorie ontstaan de verschillen doordat LHBT-jongeren worden blootgesteld aan anti-
LHBT-stigma.
Non-acceptatie door het gezin, pesten, discriminatie, etc.
Onderzoek naar minderheidsstress richt zich vooral op volwassenen, maar studies bij jongeren tonen
dat het model ook voor hen geldt.
Bij jongeren is het echter belangrijk om extra aandacht te geven aan copingvaardigheden, sociale en
familiale context en de ontwikkeling van seksuele identiteit.
Het beoordelen van verwachtingen van acceptatie is van belang voor de ontwikkeling van LHBT-
jongeren.
Minderheidsstress werkt op drie niveaus:
1. Individueel niveau: therapieën helpen jongeren omgaan met stress.
2. Interpersoonlijk niveau: interventies gericht op gezinsacceptatie, sociale steun, veiligheid op
school en samenwerking tussen zorgverleners.
3. Structureel niveau: beleid en belangenbehartiging op institutioneel, lokaal en nationaal
niveau om inclusieve zorg en gelijkheid te bevorderen.
Behandeling van geestelijke gezondheidsproblemen
De AACAP-richtlijn over depressieve stoornissen bij kinderen en jongeren adviseert om bij alle
jongeren standaard te screenen op depressie.
Vroege herkenning en behandeling van depressie vermindert de ernst van klachten, het risico op
zelfmoord en middelenmisbruik en voorkomt dat depressie aanhoudt tot in de volwassenheid.
Deze principes gelden ook voor LHBT-jongeren, mits uitgevoerd met klinische en culturele
sensitiviteit.
Behandeling en begeleiding:
Hulpverleners kunnen jongeren helpen door hun sociale steun, copingvaardigheden en
probleemoplossend vermogen te versterken.
Omdat stigma en afwijzing vaak bijdragen aan depressieve klachten, is soms langdurige
therapie nodig om jongeren te helpen omgaan met blijvende stress of conflicten.
Voortdurende conflicten met ouders vergroten het risico op terugval. Depressieve jongeren
ervaren vaak spanningen in relaties, wat kan leiden tot isolatie. Daarom is het belangrijk om
bij aanvang van behandeling het sociale netwerk van de jongeren te beoordelen.
Behandelopties:
Voor milde tot matige depressie zijn ondersteunende gesprekken of gestructureerde
therapieën zoals cognitive gedragstherapie (CGT), interpersoonlijke therapie of
psychodynamische therapie effectief.
School- en gezinsinterventies kunnen een belangrijk onderdeel van de behandeling zijn.
Hulpverleners moeten zorgvuldig omgaan met vertrouwelijkheid en openheid over de identiteit van
de jongeren.
3
, De veiligheid, acceptatie en steun van familie, school en gemeenschap moeten worden meegewogen
voordat een jongere besluit ‘uit de kast te komen’.
De coming-out is een persoonlijk proces dat afhankelijk is van de context. De hulpverlener moet
beoordelen of, wanneer en hoe dit veilig en passend is.
Behandeling kan zich ook richten op het versterken van de ouder-kindrelatie, het begeleiden van
ouders en het verminderen van gezinsconflicten.
Verslavingszorg:
LHBT-jongeren die hulp zoeken bij middelengebruik hebben vaak extra uitdagingen, vooral bij
gezinsbetrokkenheid of opname in een kliniek.
Behandelinstellingen werken het best wanneer ze veilig, respectvol en bevestigend zijn ten
aanzien van de gender- en seksuele identiteit van de jongere.
Ondersteuning voor gezinnen van transgender jongeren
Transgender- en genderdiverse jongeren en hun families ervaren vaak stress door beslissingen over
sociale en medische genderbevestigende interventies.
Een sociale transitie (zonder medische ingrepen) kan verschillende vormen aannemen:
Kiezen van een ander kapsel of kleding.
Gebruiken van een naam of voornaamwoorden die passen bij de genderidentiteit.
De ontwikkeling van genderdysforie bij kinderen is variabeler dan bij volwassenen.
Veel prepuberale kinderen ervaren geen aanhoudende genderdysforie in de adolescentie of
volwassenheid; sommigen ontwikkelen later een niet-heteroseksuele oriëntatie.
Factoren die de kans vergroten dat genderdysforie blijft bestaan zijn:
Intensiteit van dysforie
Diagnosecriteria
Vroegtijdige sociale transitie
Jongere leeftijd
Mannelijk bij geboorte
Hulpverleners kunnen gezinnen ondersteunen door:
Opties te evalueren en de risico’s en voordelen van sociale of medische transitie af te wegen.
Onzekerheid te tolereren en gezinnen te begeleiden bij beslissingen over sociale transitie.
Te helpen bij school- en gemeenschapszaken.
Voorbereiding te bieden voor hormonale interventies bij puberteit.
Belangrijk is dat hulpverleners ontwikkelingsgericht communiceren over de risico’s en voordelen van
transitie, inclusief het risico van spijt of veranderende genderidentiteit later.
Ook kunnen zij gezinnen begeleiden in ondersteuning en acceptatie terwijl de genderidentiteit van
het kind zich ontwikkelt.
Samenwerking met kinderartsen
4