,Hoofdstuk 1 - Inleiding
1. Wat is psychologische criminologie?
Definitie: De wetenschappelijke studie van gedrag en mentale processen die bijdragen aan
het begrijpen van misdaad en daders.
Centrale vraag: Wat is er aan de hand met individuen en hun ervaringen waardoor zij
misdrijven plegen en/of crimineel worden?
Daarbij wordt criminaliteit niet gezien als puur “kwaad” of als willekeurige losse gebeurtenis,
maar als het resultaat van oorzaken. Die oorzaken kunnen biologisch zijn (bijvoorbeeld
temperament), psychologisch (denkpatronen, impulsiviteit) of sociaal (opvoeding, peers,
kansen). Het doel is niet om verantwoordelijkheid weg te redeneren, maar om te begrijpen
waarom gedrag ontstaat, zodat je ook beter kunt voorspellen en ingrijpen.
2. Vergelijking met sociologische criminologie
Als je psychologische en sociologische criminologie naast elkaar zet, lijkt het een beetje op
microscoop vs helikopterview. Psychologische criminologie zoomt in op het individu:
persoonlijkheid, cognitie, emoties, biologie, ervaringen. De typische vraag is dan: waarom
pleegt persoon X dit delict, terwijl persoon Y in een vergelijkbare situatie niets doet?
Sociologische criminologie kijkt meer van bovenaf naar structuren en groepen. Daar gaat het
om vragen als: waarom komt criminaliteit vaker voor in bepaalde wijken, klassen of
subculturen? De focus ligt op armoede, ongelijkheid, marginalisering, kansenstructuren en
normsystemen.
Ook de doelen verschillen in eerste instantie:
● Psychologisch: risico inschatten, recidive voorspellen, behandeling en preventie bij
risicogroepen of daders.
● Sociologisch: sociale structuren en beleid aanpassen (onderwijs, werk,
woonomgeving) om criminaliteit op populatieniveau te verminderen.
Belangrijk is dat deze benaderingen elkaar aanvullen. Om criminaliteit te snappen heb je
soms de microscoop nodig (individu), soms de helikopter (maatschappij) en vaak allebei
tegelijk.
3. Kernbegrippen in de psychologische criminologie
Als je naar individuen kijkt, zijn een paar begrippen cruciaal: crime, criminal, antisociaal
gedrag, en het idee dat criminaliteit geen aan/uit-knop is maar een continuüm.
Crime vs criminal
● Crime is de handeling: gedrag dat in een bepaald land en tijdstip bij wet strafbaar is.
Omdat wetten veranderen, kan iets vandaag crimineel zijn en morgen niet meer.
2
, ● Criminal verwijst naar iemand met een neiging tot crimineel gedrag: een relatief
stabiele bereidheid om normen en wetten te overtreden.
Deze twee leiden tot verschillende vragen:
● Bij crime: waarom werd juist op dát moment en op díe plek een delict gepleegd?
● Bij criminals: welke psychologische eigenschappen (bijv. impulsiviteit, empathie)
hangen samen met een grotere criminele neiging, en hoe ontstaan die?
Boek aantekeningen psychologisc…
Antisociaal gedrag en antisociale persoonlijkheidsstoornis
Sommige gedragingen schenden normen of rechten van anderen zonder dat ze per se
strafbaar zijn. Dat valt onder antisociaal gedrag. Iemand die langdurig zulk gedrag vertoont,
kan voldoen aan de criteria van een antisociale persoonlijkheidsstoornis: bedrog,
impulsiviteit, onverantwoordelijkheid, gebrek aan berouw, herhaaldelijk negeren van regels
of wet.
Belangrijk: het plegen van delicten is niet genoeg om automatisch van een stoornis te
spreken; er moet sprake zijn van een onderliggende psychische disfunctie. Andersom kan
een stoornis bij sommige daders wel een rol spelen, maar dat verandert niets aan de
noodzaak om oorzaken van hun gedrag wetenschappelijk te onderzoeken.
Criminaliteit als continuüm
Criminaliteit is het handigst om te zien als een glijdende schaal:
● de meeste mensen bevinden zich rond het midden (soms normoverschrijding,
meestal niet),
● slechts een kleine groep is extreem vaak of extreem nooit delinquent.
Onderzoekers moeten daarom vaak pragmatisch een grens trekken: waar begint “crimineel”
in de praktijk? Daarbij komt nog dat veel daders niet specialiseren, maar juist crimineel
veelzijdig zijn: diefstal, geweld, vandalisme lopen door elkaar. Een kleine groep chronische
daders is verantwoordelijk voor een groot deel van de totale criminaliteit (Pareto: ongeveer
5% van de daders voor ± 50% van de delicten).
Age-crime curve en criminal career
Over de levensloop gezien volgt criminaliteit vaak een age-crime curve:
● veel delinquent gedrag rond de adolescentie,
● afname richting volwassenheid.
In dat patroon worden vaak twee groepen onderscheiden:
● Life-Course Persistent (LCP): al vanaf jonge leeftijd frequent delinquent, blijven lang
doorgaan; vaak gekoppeld aan combinatie van temperament, neurobiologie en
problematische omgeving.
● Adolescent-Limited (AL): tijdelijk delinquent in de puberteit (status, peers), maar
stoppen grotendeels wanneer school, werk, relaties en verantwoordelijkheden
komen.
3
,Het idee van een criminal career helpt om criminaliteit als een dynamisch patroon door de
tijd te zien: er is een begin, er kunnen pauzes zijn, en er kan een einde komen, afhankelijk
van kansen, keuzes en omstandigheden.
Fundamentele discussies
Binnen dit alles lopen een paar klassieke spanningsvelden:
● Free will vs determinism: zie je crimineel gedrag als vrije keuze, of als het resultaat
van oorzaken buiten iemands controle? De huidige benadering neigt naar een vorm
van soft determinism: oorzaken doen ertoe, maar mensen hebben binnen grenzen
wél keuzeruimte en verantwoordelijkheid.
● Nature vs nurture: biologische factoren (genetica, neurobiologie) tegenover
omgevingsfactoren (opvoeding, peers). De huidige visie is biosociaal: eigenschappen
ontstaan uit een combinatie van beiden.
● Normal vs pathological (mad/bad-debat): zie je criminaliteit als uiting van een
stoornis, of als in principe “normale” gedragingen die onder bepaalde
omstandigheden de grens van het strafbare overschrijden?
● Driving vs restraining forces: sommige theorieën focussen op aangeleerde criminele
motivatie, anderen op tekortschietende remmingen (zelfcontrole).
● Person vs situation: gaat het om stabiele persoonskenmerken, of juist om verschillen
tussen situaties? De conclusie is dat criminaliteit meestal het resultaat is van een
samenspel: persoonskenmerken × criminogene situatie.
Al deze begrippen vormen de basis voor het geïntegreerde model.
4. Geïntegreerde benadering: domeinen van psychologische criminologie
Als je de discussie over free will, nature–nurture en person–situation serieus neemt, is het
logisch om criminaliteit niet door één lens te bekijken, maar via meerdere domeinen. Het
geïntegreerde model zet die domeinen naast elkaar en verbindt ze.
Je kunt bijvoorbeeld denken aan:
● Human nature: algemene gedragstendenties van de mens (zoals eigenbelang) die in
sommige omstandigheden de kans op crimineel gedrag vergroten.
● Heredity (erfelijkheid): genetische overdracht van trekken zoals impulsiviteit en
risicobereidheid.
● The brain: structuren en netwerken die betrokken zijn bij emotieregulatie, beloning en
controle; tegelijk aangelegd door genen én gevormd door ervaringen.
● Personality: relatief stabiele karaktereigenschappen.
● Development: hoe sociaal gedrag zich door de tijd ontwikkelt (leren van regels,
hechting, levensgebeurtenissen).
● Learning: beloning, straf en observatie die gedrag versterken of afzwakken.
● Cognition: denkprocessen, moreel redeneren, interpretatie van situaties.
● Situations: directe omstandigheden waarin kansen, groepsdruk, anonimiteit en stress
een rol spelen.
Belangrijk is dat deze domeinen niet concurreren, maar samen een verklaringspakket
vormen. Crimineel gedrag komt vaak voort uit een combinatie van:
● een bepaalde aanleg (human nature, heredity, brain, personality),
● een ontwikkelingspad (development, learning),
4
, ● én een concrete setting (situations).
De kracht zit juist in de interactie: het samenvallen van meerdere risicofactoren kan een
soort “perfect storm” creëren, waarbij het geheel sterker is dan de som der delen. Tegelijk
zijn beschermende factoren (steunende opvoeding, positieve rolmodellen, goede kansen) in
staat om zelfs bij genetische of psychologische kwetsbaarheid de uitkomst radicaal te
veranderen.
5