Strafrecht = het bestraffen van personen die een strafbaar feit hebben begaan.
De staat heeft een monopolie op straffen en doet dit namens de samenleving. Het
staatsorgaan dat belast is met de vervolging van strafbare feiten is het Openbaar Ministerie
(OM). In de rechtszaal treedt de officier van justitie (OvJ) namens het OM op.
Waarom een straffenmonopolie?
● Eigenrichting betekent: het recht in eigen hand nemen.
● Het straffenmonopolie voorkomt eigenrichting en zorgt voor een centrale en
gecontroleerde afdoening van strafbare feiten.
Omdat straffen zo ingrijpend is, moet strafrecht in een rechtsstaat niet alleen gedrag
normeren, maar ook zélf aan grenzen gebonden zijn. Strafrecht in de democratische
rechtsstaat: “normeert en is genormeerd”
Strafrecht normeert (het stelt grenzen en verbiedt gedrag), maar is tegelijk genormeerd: het
mag alleen worden toegepast binnen de regels van de democratische rechtsstaat.
Denk hierbij aan:
● bescherming van grondrechten,
● trias politica (machtenscheiding),
● de eis van legaliteit (de overheid kan niet willekeurig straffen, het moet op wet
berusten).
1.1 Doelen van straffen
Het opleggen van een straf kent twee doelen:
1) Vergelding
● Het kwaad dat de dader veroorzaakt bij slachtoffer of samenleving wordt
“beantwoord” met leedtoevoeging.
● Doel: morele genoegdoening.
2) Preventie
● Mensen willen geen straf krijgen en zullen gedrag dat mogelijk tot straf leidt proberen
te vermijden.
↳ Er zijn twee vormen van preventie:
Speciale preventie: Gericht op de dader zelf -> voorkomen of ontmoedigen dat de gestrafte
opnieuw de fout ingaat. (Vb: voorwaardelijke straffen; de straf hangt als stok achter de deur).
Generale preventie: Gericht op anderen -> mensen plegen minder strafbare feiten als zij
zien dat daders worden gestraft. De gestrafte werkt dan als afschrikwekkend voorbeeld voor
potentiële overtreders.
1.2 Indeling van het strafrecht
Het rechtsgebied strafrecht kan worden onderverdeeld in drie delen:
1) Materieel strafrecht
● Bepaalt welk gedrag niet is toegestaan en welke personen daarvoor kunnen worden
gestraft.
● Gaat over de grenzen van strafrechtelijke aansprakelijkheid.
2) Formeel strafrecht (strafprocesrecht)
, ● Bepaalt welke regels moeten worden gevolgd wanneer een norm van het materiële
strafrecht vermoedelijk is overtreden.
● Te vinden in het Wetboek van Strafvordering.
3) Sanctierecht
● Regels over welke sancties mogelijk zijn (straffen én maatregelen).
● Regelt onder welke voorwaarden sancties mogen worden opgelegd en hoe de
rechter ze mag toemeten.
● Te vinden in beide wetboeken (Sr en Sv) en bijbehorende regelgeving.
1.3 Commuun versus bijzonder strafrecht
Binnen het strafrecht wordt onderscheid gemaakt tussen commuun en bijzonder strafrecht.
Commuun strafrecht = Strafrecht dat in de wetboeken is opgenomen.
● Kern:
○ bevat basisregels die voor het hele strafrecht gelden,
○ bevat de meest algemene strafbare feiten.
Bijzonder strafrecht = Strafbepalingen in andere wetten dan de wetboeken.
● Kern:
○ beschermt specifieke belangen per beleidsterrein,
○ bevat vaak eigen delictskenmerken,
○ soms ook afwijkende sanctieregels.
Vb bijzonder strafrecht: Wegenverkeerswet 1994, Wet wapens en munitie, Opiumwet
Ook: APV (Algemene Plaatselijke Verordening), waarin per gemeente strafbaar kan worden
gesteld wat lokaal niet is toegestaan.
1.4 Legaliteitsbeginsel
Het legaliteitsbeginsel staat in art. 1 Sr: gedrag is alleen strafbaar als het ten tijde van het
feit strafbaar was gesteld.
Daarbij horen drie kernideeën:
● lex scripta: strafbaarheid vereist geschreven recht (“wettelijke strafbepaling”)
● lex certa: de wet moet toegankelijk en voorzienbaar zijn
● lex praevia: verbod van terugwerkende kracht (“daaraan voorafgegane”)
Doel: rechtszekerheid. Mensen moeten kunnen weten wat wel en niet mag.
Hoewel duidelijkheid noodzakelijk is, ontkomt een delictsomschrijving niet aan enige
vaagheid.
, Hoofdstuk 2 – Inleiding materieel strafrecht
In dit hoofdstuk draait alles om één centrale vraag: wanneer is gedrag strafbaar en wanneer
mag iemand daarvoor worden gestraft? Het materiële strafrecht geeft daarvoor het kader:
het bepaalt welke gedragingen strafbaar zijn gesteld, hoe je die gedragingen juridisch duidt,
en welke voorwaarden vervuld moeten zijn voordat bestraffing mag volgen.
2.1 Strafbepaling: de “volledigste” vorm
De wetgever legt strafbaarheid vast in een strafbepaling. In de “volledigste” vorm bevat zo’n
strafbepaling drie onderdelen:
1. Delictsomschrijving
Welke ongewenste gedraging strafbaar is gesteld.
2. Kwalificatieaanduiding
Hoe het gedrag juridisch heet (de naam van het delict).
3. Strafbedreiging / sanctienorm
Welke straf maximaal mag worden opgelegd.
Waar vind je delictsomschrijving en sanctienorm?
● In het Wetboek van Strafrecht staan delictsomschrijving en sanctienorm vaak bij
elkaar in één artikel.
● In het bijzonder strafrecht kunnen delictsomschrijving en sanctienorm gescheiden
zijn (bijvoorbeeld delict in het ene artikel, straf in een ander artikel). Dit heet ook wel
gelede normstelling.
- Vb: art. 5 Wegenverkeerswet 1994 bevat de norm (“zodanig gedragen dat
gevaar/hinder ontstaat”), en art. 177 WVW bevat de strafbedreiging.
2.2 Vierlagenmodel: vier cumulatieve voorwaarden voor strafbaarheid
Om te beoordelen of sprake is van een strafbaar feit en of iemand gestraft mag worden,
werk je met vier voorwaarden die alle vier vervuld moeten zijn:
1. Menselijke gedraging (MG)
2. Vallend binnen een wettelijke delictsomschrijving (DO)
3. Wederrechtelijkheid (W)
4. Schuld/verwijtbaarheid (V)
1) Menselijke gedraging (MG)
● Alleen personen kunnen worden vervolgd:
○ natuurlijke personen
○ rechtspersonen
“Gedraging” wordt in brede zin wordt opgevat: het kan een handeling zijn, een nalaten, het
veroorzaken van een gevolg, of het in stand houden van een toestand (zoals “in bezit
hebben”). Het enkele denken is geen strafbare gedraging.
Proceskoppeling: de menselijke gedraging vind je terug in de tenlastelegging (het
processtuk waarin staat welke gedraging de OvJ de verdachte verwijt).
2) Wettelijke delictsomschrijving (DO)