1. Inleiding
Werkloosheid als maatschappelijk probleem
• Werkloosheid is een politiek en maatschappelijk zorgpunt, beïnvloed door:
o Politieke beslissingen
o Economische crisissen
o Bredere maatschappelijke ontwikkelingen
• In een meritocratie (maatschappijmodel waarin sociale positie wordt bepaald door
verdiensten, talenten en prestaties) wordt werkloosheid sneller gezien als “eigen schuld”.
→ Kan leiden tot gevoelens van mislukking en verlies van zelfrespect.
Cijfers over werkloosheid
• 2019: ca. 313.000 mensen zonder baan (3% werkloosheid).
• Juni 2019: 243.000 WW-uitkeringen.
• Daling t.o.v. 2014-2015, ruim 7% werkeloosheid → door positieve economische groei.
Verschillen tussen groepen
• Leeftijd: sterkste daling van werkloosheid bij jongeren, maar nog relatief hoog: 2017 → 8%.
• Werkloosheid verschilt naar opleidingsniveau:
o Laagopgeleid: 12%
o Middelbaar opgeleid: 6,2%
o Hoogopgeleid: 5,5%
• NEETs = Not in Education, Employment, or Training:
o Jongeren zonder onderwijs en zonder werk.
o Vaak in sociaaleconomisch achtergestelde posities.
o SCP (2010): Werklozen en NEETS zijn over het algemeen:
▪ Minder tevreden.
▪ Ervaren meer gezondheidsproblemen.
▪ Voelen zich meer sociaal uitgesloten dan werkenden.
Bevokingstrends
• Minder mensen kunnen werken en werkenden werken gemiddeld minder uren.
• Immigratie en vergrijzing worden genoemd als factoren voor stijging van werkloosheid.
Ontwikkelingen in organisaties en werkvormen
• Het Nieuwe Werken (HNW)
o Tijd- en plaatsonafhankelijk
o Meer flexibiliteit in werk-privé-integratie
o Meer autonomie en verantwoordelijkheid voor eigen planning.
o Kan leiden tot meer thuiswerkinterferentie: werk en privé beïnvloeden elkaar
negatief.
• Internationalisering en diversiteit:
o Internationalisatie → groeiende diversiteit in organisaties:
▪ Meer talen, etniciteiten en culturen.
o Dit maakt diversiteitsmanagement noodzakelijk.
,Genderdiversiteit en arbeidsparticipatie
• Werkende allochtone vrouwen hebben vaker een voltijdbaan dan autochtone vrouwen.
• Vrouwen: jongere vrouwen werken vaker voltijd dan oudere.
• 46% van autochtone vrouwen zonder kinderen werkt voltijd.
• Kleinere deeltijdbanen (12-24 uur) vooral bij autochtone moeders.
• Ruim 30% van werkende vrouwen (25-65) kiest kleine deeltijd.
• Allochtone vrouwen kunnen deeltijd vaak niet permitteren.
• Arbeidsparticipatie vrouwen in Nederland: ca. 50%.
Tegenwoordig worden autochtone/allochtone worden tegenwoordig vaak vervangen door (geen)
migratieachtergrond, boek gebruikt nog oude termen.
Veranderingen in loopbanen en inzetbaarheid
• Loopbaantrends:
o Mannen:
▪ Blijven korter bij dezelfde werkgever.
▪ Jongere mannen werken minder uren en vaker als zzp’er.
▪ Werk verschuift van technisch naar administratief-economisch.
o Vrouwen:
▪ Nemen meer deel aan arbeidsmarkt.
▪ Onderbreken loopbaan minder bij geboorte kinderen.
▪ Werken langer bij dezelfde werkgever dan vroeger.
• Leven lang ontwikkelen (life long learning): door voortdurende veranderingen moeten
werkenden zich blijven aanpassen aan nieuwe arbeids-, scholings- en trainingsbehoeften
(bijv. via training en ontwikkeling).
• Micro-credentials: certificaten voor kortdurende, flexibele en inclusieve scholing in
vaardigheden en competenties.
• Gedeelde verantwoordelijkheid & fit:
o Werkgever én werknemer zijn verantwoordelijk voor inzetbaarheid en voor het
voldoen aan veranderende arbeidsbehoeften (bijv. via bijscholing of
loopbaanontwikkeling).
o Kernvraag: is er nog voldoende fit tussen organisatiebehoeften en individuele
loopbaanbehoeften?
, 1.1 Theoretische psychologie en arbeidspsychologie
Psychologie volgens Miller: de wetenschap van het mentale leven (gedrag, gedachtes en emoties).
Controverse: is psychologie wel een “echte” wetenschap?
• Wetenschap = systematisch verzamelen van gegevens in gecontroleerde omstandigheden,
zodat theorie en praktijk op verifieerbare zaken kunnen worden gebaseerd.
• Discussiepunt: niet iedereen is het erover eens dat gedrag, gedachten en emoties op een
volledige wetenschappelijke manier kunnen worden bestudeerd.
Theoretische psychologie, belangrijke deelgebieden
Dit zijn deelgebieden die vooral gericht zijn op verklaren en begrijpen (theorieontwikkeling).
1. Biopsychologie:
• Richt zich op relatie tussen lichaam en geest.
• Voorbeeld: hersenactiviteit vergelijken met bepaalde emoties.
2. Cognitieve psychologie:
• Gericht op cognitief functioneren, zoals: informatieverwerking, besluitvorming, etc.
• Inzichten hieruit zorgen ervoor dat de selectieprocedures eerlijk en inclusief verlopen
(zonder bias door geslacht, leeftijd, etc.).
3. Ontwikkelingspsychologie:
• Bestudeert hoe mensen psychologisch groeien en veranderen.
• Voorbeeld: hoe een kind de moedertaal eigen maakt.
• Tegenwoordig ook meer aandacht voor groei en verandering bij volwassenen.
4. Sociale psychologie:
• Gaat over hoe gedragingen, gedachten en emoties:
o Invloed uitoefenen op anderen, of
o Beïnvloed worden door anderen.
• Voorbeelden:
o Hoe groepen beslissingen maken.
o Hoe iemands mening over een groep gedrag tegenover anderen beïnvloedt.
5. Persoonlijkheidsleer:
• Over de neiging van mensen om zich op een kenmerkende manier te gedragen.
• Dus: hoe mensen psychologisch verschillen en hoe je deze verschillen kunt meten.
o Benadrukt dat gedrag/gedachten/emoties worden beïnvloed door situaties en
persoonlijkheid.
Toegepaste psychologie vs. theoretische psychologie
• Toegepaste psychologie:
o Gericht op het oplossen van praktische vraagstukken (meer dan op theorie bouwen).
o Wil gebruik maken van direct toepasbare theorieën/technieken.
• Spanningsveldrisico’s:
o Risico’s bij toegepaste psychologie: kan achterblijven bij ontwikkeling in de
theoretische psychologie (als men vooral “oplossingen” zoekt en minder theorie
bijhoudt).
o Risico bij theoretische psychologie: kan onvoldoende rekening houden met
problemen en complexiteit uit de praktijk.
, Arbeids- en organisatiepsychologie (A&O)
• Positie binnen de psychologie:
o A&O-psychologie is toepassingsgericht, valt daarmee onder toegepaste psychologie.
o Andere toegepaste psychologiën: klinische psychologie, educatieve, juridische, etc.
• Hoe A&O werkt (theorie ↔ praktijk):
o Arbeidspsychologen gebruiken concepten, theorieën en methoden uit meerdere
deelgebieden van theoretische psychologie.
o Vaak zijn meerdere perspectieven nodig om mensen in hun werkomgeving en
problemen goed te begrijpen.
o Wederzijdse invloed:
▪ Theoretische psychologie kan bijdragen aan praktijkproblemen.
▪ Praktijkproblemen kunnen bijdragen aan ontwikkeling van theorie.
1.2 Vijf tradities in de psychologie
Arbeids- en organisatiepsychologie (AOP) heeft eigen theorieën en methodieken. Psychologie is geen
éénheidswetenschap, er zijn meerdere tradities die naast elkaar bestaan en soms botsen.
Psychoanalyse (psychodynamiek)
Kern
• Ontwikkeld door Freud, later uitgebreid/anders ingevuld door Jung.
• Beïnvloedde literatuur, kunst en sociale wetenschappen.
• Stelt dat psychologisch functioneren sterk wordt bepaald door instinctieve drijfveren.
o Veel daarvan ligt in het onderbewuste.
Conflicten en werk
• Onbewuste psychologische conflicten kunnen o.a. persoonlijke effectiviteit op het werk
verminderen.
• Verklaringen voor zulke conflicten worden vaak gezocht in de vroege kinderjaren.
Kritiek
• Rond 1950: theorie is te veel gebaseerd op interpretatie, daardoor moeilijk
bewijsbaar/toetsbaar.
• Toch zijn veel Freudiaanse termen en concepten nog steeds bekend en in gebruik.
Persoonlijkheidsleer
Richt zich op:
• Meten van iemands persoonlijkheidskenmerken (incl. intellectueel functioneren), worden
vaak gezien als redelijk stabiel zijn.
Genen vs. omgeving
• Aanhangers: kenmerken zijn deels genetisch bepaald (verklaring voor stabiliteit), maar dit is
omstreden.
• Controverse: hoeveel wordt verklaard door genen en hoeveel door omgeving.
• Veel onderzoek via tweelingstudies gedaan.
o ¼ van variatie in persoonlijk wordt verklaard door erffactoren
→ Dus veel variatie komt door andere factoren.