Leerdoelen:
- De basale uitgangspunten van de hedendaagse psychologie herkennen en benoemen.
- Uitleggen hoe deze uitgangspunten het wetenschappelijk perspectief op menselijk gedrag
vormen.
- Uitleggen hoe de omgeving zowel via natuurlijke selectie als via de ervaring inwerkt op
gedrag.
- De belangrijkste vormen van verklaring, zoals die gebruikelijk zijn in de psychologie,
benoemen en onderscheiden.
- Beschrijven hoe de psychologie uiteenvalt in diverse specialisaties en zich verhoudt tot
aangrenzende disciplines.
- Een beknopt overzicht geven van het werkveld van de psycholoog.
Psychologie (psychology) De wetenschap van gedrag en geest
• Gedrag (behavior) De waarneembare acties van een persoon of dier.
• Geest (mind) Alle subjectieve ervaringen; sensaties, percepties, herinneringen,
gedachten, dromen, motieven en emoties.
De geest omvat ook onbewuste kennis en regels die in de hersenen
zijn opgeslagen en die gedrag en bewuste ervaringen organiseren.
Wetenschap (science)
Alle pogingen om vragen te beantwoorden door:
• Systematische verzameling van gegevens.
• Logische analyse van objectief waarneembare gegevens.
→ Psychologen observeren vooral gedrag, omdat dat direct waarneembaar is.
→ De geest is niet direct waarneembaar, maar psychologen gebruiken gedragsdata om
conclusies te trekken.
Drie uitgangspunten voor psychologie:
1. Materialisme;
• Gedrag en mentale ervaringen hebben een fysieke oorzaak.
• Alles komt voort uit hersenactiviteit. Geen ziel nodig.
• Filosofen: Hobbes en Descartes.
• Begrippen: Materialisme, dualisme.
2. Empirisme;
• Ervaringen via de zintuigen is de bron van alle kennis.
• Geest is bij geboorte een onbeschreven blad (tabula rasa).
• Filosofen: John Locke, John Stuart Mill, Immanuel Kant.
• Begrippen: Lokalisatie functies in hersenen, empirisme, associatie door contiguïteit, mentale
chemie, nativisme, a-priori-kennis.
3. Natuurlijke selectie;
• Gedrag en geest zijn geëvolueerd via natuurlijke selectie om overleving en voortplanting te
bevorderen.
• We hebben aangeboren kennisstructuren door natuurlijke selectie.
• Filosofen: Darwin,
• Begrippen: Natuurlijke selectie.
,1. Meer uitleg: Materialisme; Mentale processen hebben fysieke oorzaken
• Gedrag en mentale ervaringen komen voort uit lichamelijke processen (hersenen, zenuwen,
reflexen) die wetenschappelijk bestudeerd kunnen worden.
• Denkwijze begon tijdens de Grieken, daarna weinig tot in de 15e eeuw en definitief in de 18e
eeuw.
• Westerse filosofie was verbonden met religie:
o Dualisme:
▪ Geest ≠ lichaam: Geest en het lichaam bestaan afzonderlijk en mentale
processen kunnen niet volledig worden verklaard door alleen lichamelijke
processen.
▪ Descartes: “Ik denk, dus ik ben”. Geest is fundament van ons bestaan.
▪ Invloed op psychologie: Vroeger leidde dualisme ertoe dat mentale
processen niet wetenschappelijk werden bestudeerd, omdat ze als niet-
fysiek werden beschouwd. Moderne psychologie en neurowetenschappen
gaan uit van materialisme.
• 2 wetenschappers (rond 17e eeuw) geloofden dat de mens ook zonder gedachten dingen
kon doen:
o René Descartes:
▪ Lichaam kan bewegen zonder ziel: Bewegingen kunnen zonder invloed vd
ziel plaatsvinden, zoals reflexen (hand in vuur).
▪ Pijnappelklier: Descartes zag deze als de plek waar de ziel het lichaam
beïnvloedt (tussen 2 hersenhelfden, achter de ogen).
▪ Overeenkomsten met moderne inzichten: Zijn visie lijkt op hedendaagse
kennis over zenuwstelsel, hoewel hij dit nog niet kende.
▪ Mens vs. dier: Volgens Descartes is enige verschil denkvermogen.
▪ Probleem voor wetenschap: Onduidelijk hoe ziel lichaam beïnvloed en
waarom lichaam soms onafhankelijk vd ziel handelt.
o Hobbes:
▪ Materialisme: Volgens Hobbes bestaat er niets anders dan materie en
energie.
▪ Geen aparte geest: Het concept van geest is zinloos; al het gedrag komt
voort uit fysieke processen.
▪ Hersenen als oorzaak: Zowel bewuste gedachten als vrijwillige keuzes
ontstaan in de hersenen.
▪ Natuurwetten: Omdat gedachten voortkomen uit fysische processen, vallen
ze onder natuurwetten.
▪ Geen limiet aan psychologische onderzoeken: Alles is fysiek verklaarbaar.
• Vormgeven van hedendaagse psychologie: Met het idee van Descartes over fysieke causatie
van gedrag, en definitief met het materialisme van Hobbes, werd de weg vrijgemaakt voor de
hedendaagse psychologie. Met hun ideeën maakten ze een natuurwetenschappelijke
benadering van gedrag, gedachten en gevoelens mogelijk. De ziel was door hun werk niet
langer ongrijpbaar, maar stond in direct contact met de fysieke wereld en werd daar – in het
werk van Hobbes – letterlijk onderdeel van.
,Meer uitleg: Empirisme; Kennis komt uit ervaring:
• De manier waarop mensen zich gedragen, denken en voelen, verandert in de loop van de tijd
door hun ervaringen in hun omgeving.
• Lokalisatie van functies in de hersenen:
o Onderzoek liet zien dat specifieke cognitieve functies, zoals taal, gekoppeld zijn aan
specifieke hersengebieden.
o Dit versterkte het idee dat de hersenen een fysieke basis vormen voor mentale
processen.
o De frenologie (een pseudowetenschap) ging zelfs zo ver dat men dacht dat mentale
capaciteiten af te lezen waren aan de vorm van de schedel – deze theorie is later
ontkracht, maar droeg wel bij aan het idee van lokalisatie van functie.
• Empirisme: leren door zintuiglijke ervaring:
o Alle kennis komt voort uit zintuiglijke ervaringen (horen, voelen, zien etc.)
o Machines zoals mensen leren via input uit de omgeving – er is geen “menselijke
natuur” buiten het vermogen om aan te passen.
o Logisch gevolg van de materialistische filosofie van Hobbes; als het hele lichaam,
inclusief de mentale ervaring, een materiële machine was, dan moet de omgeving,
via de zintuigen, verantwoordelijk zijn voor de kennis over die omgeving die in dat
lichaam aanwezig was.
o Filosofen als John Locke, David Hartley, James Mill en John Stuart Mill verdedigden
het Brits empirisme.
o Locke stelde dat de menselijke geest bij geboorte een tabula rasa (onbeschreven
blad) is.
• Associatie door contiguïteit:
o Empiristen geloofden dat ideeën met elkaar verbonden raken als ze gelijktijdig of
kort na elkaar worden ervaren.
▪ Een kind ervaart de kleur, vorm, geur en smaak van de appel samen – deze
aspecten vormen samen het idee “appel”.
o John Stuart Mill noemde dit mentale chemie: complexe ideeën ontstaan uit
eenvoudige sensaties, net zoals chemische verbindingen uit elementen.
• Tegenreactie: het nativisme:
o Filosofen als Immanuel Kant verdedigen dat sommige vormen van kennis
aangeboren zijn.
o Volgens Kant is er aangeboren kennis nodig om zintuiglijke ervaringen te
interpreteren:
▪ Bijv. om de wereld in termen van oorzaak – gevolg of tijdsvolgorde te
begrijpen.
▪ Een kind kan geen taal leren zonder aangeboren kennis van taalkundige
structuren.
o Dit idee leidde tot het concept van a priori-kennis: kennis die voorafgaat aan
ervaring.
• Vormgeven van hedendaagse psychologie: Locke en zijn tijdgenoten ontwikkelden met het
empirisme vervolgens een van de belangrijkste verklaringen voor menselijk gedrag, namelijk
de omgeving die als bron van alle kennis de geest vult, het lichaam in beweging zet, en dus
bepaalt welk gedrag dat lichaam vertoont. Het grootste deel van de moderne psychologie is
nog altijd gebaseerd op dit idee, namelijk dat menselijke machinerie via de zintuigen door de
omgeving wordt geprikkeld en zodoende wordt aangezet tot gedrag.
, Meer uitleg: Natuurlijke selectie; Gedrag als evolutieproduct:
• Het mechanisme van het lichaam, dat gedrag en mentale ervaringen produceert, is een
product van evolutie door natuurlijke selectie.
• Grondslag: Darwin en natuurlijke selectie
o Lichaam en geest zijn voortgekomen uit evolutionaire processen.
o Gedrag en mentale processen zijn mechanismen die zijn geëvolueerd om overleving
en voortplanting te bevorderen.
• Wat is natuurlijke selectie?
o Levende organismen evolueren door natuurlijke selectie.
o Eigenschappen worden overgeërfd van generatie op generatie.
o Bij elke generatie ontstaan mutaties in het DNA:
▪ Eigenschappen die helpen bij overleving en voortplanting blijven behouden
▪ Andere eigenschappen verdwijnen.
o Doel van natuurlijke selectie: aanpassing aan de omgeving.
• Darwins bijdrage aan psychologie:
o Terwijl fysiologen zich richtten op het zenuwstelsel en empiristische filosofen op de
invloed van de omgeving op gedrag, keek Darwin naar de functie van gedrag:
▪ Hoe draagt gedrag bij overleven en voortplanting?
o Hij beschouwde de mens als onderdeel van de natuurlijke wereld, niet als wezen
apart.
o Darwin wordt gezien als de eerste evolutionaire psycholoog: hij gaf psychologie een
wetenschappelijke basis.
o Zijn ideeën hielpen filosofen als Kant om hun inzichten te onderbouwen met
wetenschappelijke basis.
• Erfelijkheid van emoties en gedrag:
o Volgens Darwin zijn basisemoties erfelijk, omdat ze helpen bij communicatie en het
begrijpen van intenties → verhoogt de overlevingskans.
o Ook andere mentale functies zijn via evolutie ontstaan:
▪ Motivatie, waarneming, leren en redeneren → helpen bij aanpassing aan de
omgeving.
• Verbinding met nativisme:
o Volgens het nativisme heeft de mens, onafhankelijk van ervaringen, een bepaald
vorm van aangeboren kennis (a-priori-kennis) die helpt om de wereld te begrijpen.
▪ Deze kennis zit bij de geboorte al in de geest.
o Ideeën over aangeboren kennis zijn afkomstig van Leibniz en Kant.
o Darwin gaf deze ideeën een wetenschappelijke onderbouwing, door ze te koppelen
aan overleving en voortplanting.
• Vormgeven van hedendaagse psychologie:
o Dankzij Darwin en Kant kreeg de psychologie het inzicht dat:
▪ De mens niet alleen een machine is (zoals in het materialisme).
▪ En niet volledig wordt gevormd door de omgeving (zoals in het empirisme).
o De geest is bij geboorte al op een specifieke manier georganiseerd (nativisme):
▪ Sommige gedragingen of ervaringen zijn daardoor wél mogelijk of voor de
hand liggend.
▪ Andere gedragingen of ervaringen zijn onmogelijk of onwaarschijnlijk.