Ontwikkelingspsychologie oefenvragen
🧠 OEFENING 1 – Flashcards (vraag → antwoord)
(Beantwoord ze eerst zelf)
1. Welke lichamelijke kenmerken horen bij een baby (0–1 jaar)?
2. Wat is kenmerkend voor de cognitieve ontwikkeling van een dreumes?
3. Welke denkfout zie je bij een peuter?
4. Welke taalontwikkeling past bij een kleuter?
5. Wanneer ontstaan echte vriendschappen met wederkerigheid?
✍️ OEFENING 2 – Invullen
Vul het ontwikkelingsstadium in:
1. Parallelspel en egocentrisch gedrag → __________
2. Abstract en hypothetisch redeneren → __________
3. Driftbuien en beginnende empathie → __________
4. Goede oog-handcoördinatie en leren schrijven → __________
5. Innerlijke normen ontstaan → __________
🔀 OEFENING 3 – Koppelen
Koppel het kenmerk aan de juiste leeftijdsfase.
Kenmerken
A. Objectpermanentie
B. Nee-fase
C. Fantasie en werkelijkheid lopen door elkaar
D. Schuld en trots ervaren
E. Parallelspel
Leeftijdsfases
1. Baby
2. Dreumes
3. Peuter
4. Kleuter
5. Ouder basisschoolkind
❌ OEFENING 4 – Waar / Niet waar
1. Een kleuter kan al abstract denken
2. Een dreumes speelt vooral samen met anderen
3. Schaamte voor bloot zijn ontstaat bij het ouder basisschoolkind
4. Baby’s hebben al een ontwikkeld geweten
5. Peuters stellen veel waarom-vragen
🎯 OEFENING 5 – Korte examenvragen
, 1. In welke fase ontstaat ik-besef?
2. Wanneer begint het besef van goed en fout?
3. Welke leeftijdsfase hoort bij affectieve sharing?
✅ ALLE ANTWOORDEN
Oefening 1 – Flashcards
1. Reflexen, open fontanel, optrekken, zintuigen in ontwikkeling
2. Mentale voorstellingen, denken los van directe waarneming
3. Magisch en animistisch denken, geen logisch oorzaak-gevolg
4. Korte zinnen, innerlijke taalontwikkeling
5. Ouder basisschoolkind (8–12 jaar)
Oefening 2 – Invullen
1. Peuter
2. Ouder basisschoolkind
3. Peuter
4. Jong schoolkind
5. Jong schoolkind
Oefening 3 – Koppelen
A–1
B–3
C–4
D–5
E–2
Oefening 4 – Waar / Niet waar
1. ❌
2. ❌
3. ✅
4. ❌
5. ✅
Oefening 5 – Examenvragen
, 1. Peuter
2. Kleuter
3. Dreumes
🔁 EXTRA HERHALING – BASISSCHOOLKIND & PUBER
🧠 DEEL 1 – Herkennen van de fase
Welke fase hoort erbij?
1. Logisch denken, oog-handcoördinatie, vriendschappen op basis van interesses
2. Innerlijke normen ontstaan, emoties beter reguleren
3. Abstract en hypothetisch redeneren, schuld en trots
4. Begin puberteit, schaamte voor bloot zijn
5. Zelfbeeld versterken door prestaties
6. Complex taalgebruik en reflectie op zichzelf
✍️
DEEL 2 – Invullen per ontwikkelingsgebied
🧍 Lichamelijke ontwikkeling
1. Jong basisschoolkind: __________________________
2. Ouder basisschoolkind: ________________________
3. Puber: ______________________________________
🧠 Cognitieve ontwikkeling
4. Jong basisschoolkind: __________________________
5. Ouder basisschoolkind: ________________________
6. Puber: ______________________________________
🗣️
Taalontwikkeling
7. Jong basisschoolkind: __________________________
8. Ouder basisschoolkind: ________________________
9. Puber: ______________________________________
👥 DEEL 3 – Sociaal & emotioneel (vaak examenvragen!)
10. Wanneer ontstaan vriendschappen op basis van wederkerigheid?
11. In welke fase kan een kind meerdere emoties tegelijk ervaren?
12. Welke fase is sterk gevoelig voor mening van leeftijdsgenoten?
13. In welke fase leert een kind emoties bewust sturen en reguleren?
🧠 OEFENING 1 – Flashcards (vraag → antwoord)
(Beantwoord ze eerst zelf)
1. Welke lichamelijke kenmerken horen bij een baby (0–1 jaar)?
2. Wat is kenmerkend voor de cognitieve ontwikkeling van een dreumes?
3. Welke denkfout zie je bij een peuter?
4. Welke taalontwikkeling past bij een kleuter?
5. Wanneer ontstaan echte vriendschappen met wederkerigheid?
✍️ OEFENING 2 – Invullen
Vul het ontwikkelingsstadium in:
1. Parallelspel en egocentrisch gedrag → __________
2. Abstract en hypothetisch redeneren → __________
3. Driftbuien en beginnende empathie → __________
4. Goede oog-handcoördinatie en leren schrijven → __________
5. Innerlijke normen ontstaan → __________
🔀 OEFENING 3 – Koppelen
Koppel het kenmerk aan de juiste leeftijdsfase.
Kenmerken
A. Objectpermanentie
B. Nee-fase
C. Fantasie en werkelijkheid lopen door elkaar
D. Schuld en trots ervaren
E. Parallelspel
Leeftijdsfases
1. Baby
2. Dreumes
3. Peuter
4. Kleuter
5. Ouder basisschoolkind
❌ OEFENING 4 – Waar / Niet waar
1. Een kleuter kan al abstract denken
2. Een dreumes speelt vooral samen met anderen
3. Schaamte voor bloot zijn ontstaat bij het ouder basisschoolkind
4. Baby’s hebben al een ontwikkeld geweten
5. Peuters stellen veel waarom-vragen
🎯 OEFENING 5 – Korte examenvragen
, 1. In welke fase ontstaat ik-besef?
2. Wanneer begint het besef van goed en fout?
3. Welke leeftijdsfase hoort bij affectieve sharing?
✅ ALLE ANTWOORDEN
Oefening 1 – Flashcards
1. Reflexen, open fontanel, optrekken, zintuigen in ontwikkeling
2. Mentale voorstellingen, denken los van directe waarneming
3. Magisch en animistisch denken, geen logisch oorzaak-gevolg
4. Korte zinnen, innerlijke taalontwikkeling
5. Ouder basisschoolkind (8–12 jaar)
Oefening 2 – Invullen
1. Peuter
2. Ouder basisschoolkind
3. Peuter
4. Jong schoolkind
5. Jong schoolkind
Oefening 3 – Koppelen
A–1
B–3
C–4
D–5
E–2
Oefening 4 – Waar / Niet waar
1. ❌
2. ❌
3. ✅
4. ❌
5. ✅
Oefening 5 – Examenvragen
, 1. Peuter
2. Kleuter
3. Dreumes
🔁 EXTRA HERHALING – BASISSCHOOLKIND & PUBER
🧠 DEEL 1 – Herkennen van de fase
Welke fase hoort erbij?
1. Logisch denken, oog-handcoördinatie, vriendschappen op basis van interesses
2. Innerlijke normen ontstaan, emoties beter reguleren
3. Abstract en hypothetisch redeneren, schuld en trots
4. Begin puberteit, schaamte voor bloot zijn
5. Zelfbeeld versterken door prestaties
6. Complex taalgebruik en reflectie op zichzelf
✍️
DEEL 2 – Invullen per ontwikkelingsgebied
🧍 Lichamelijke ontwikkeling
1. Jong basisschoolkind: __________________________
2. Ouder basisschoolkind: ________________________
3. Puber: ______________________________________
🧠 Cognitieve ontwikkeling
4. Jong basisschoolkind: __________________________
5. Ouder basisschoolkind: ________________________
6. Puber: ______________________________________
🗣️
Taalontwikkeling
7. Jong basisschoolkind: __________________________
8. Ouder basisschoolkind: ________________________
9. Puber: ______________________________________
👥 DEEL 3 – Sociaal & emotioneel (vaak examenvragen!)
10. Wanneer ontstaan vriendschappen op basis van wederkerigheid?
11. In welke fase kan een kind meerdere emoties tegelijk ervaren?
12. Welke fase is sterk gevoelig voor mening van leeftijdsgenoten?
13. In welke fase leert een kind emoties bewust sturen en reguleren?