📘 OEFENTOETS A –
Deel 1 – Meerkeuze (20 vragen)
1. Welke ontwikkeling gaat over identiteit en eigen wil?
A. Cognitief
B. Emotioneel
C. Persoonlijk
D. Sociaal
2. Wat is een kenmerk van nurture?
A. Genetisch bepaald
B. Erfelijk
C. Opvoeding en omgeving
D. Chromosomen
3. In welke prenatale fase begint het hart te kloppen?
A. Zygote
B. Embryo
C. Foetus
D. Baby
4. Wat is een mogelijke bedreiging in de prenatale fase?
A. Borstvoeding
B. Stress van de moeder
C. Huidcontact
D. Slaap
5. Wat betekent objectpermanentie?
A. Objecten verdwijnen echt
B. Objecten blijven bestaan als je ze niet ziet
C. Objecten maken geluid
D. Objecten hebben gevoelens
6. Welke reflex hoort bij 0–3 maanden?
A. Loopreflex
B. Grijpreflex
C. Zoek- en zuigreflex
D. Zitreflex
7. Wat hoort bij veilige hechting?
A. Geen nabijheid zoeken
B. Angst voor opvoeder
C. Basisvertrouwen
D. Chaotisch gedrag
8. Een peuter denkt dat een stoel pijn heeft. Dit is:
A. Abstract denken
B. Logisch denken
C. Animistisch denken
D. Kritisch denken
9. Wat is kenmerkend voor peuters sociaal gezien?
A. Samenwerken
B. Naast elkaar spelen
C. Diepe vriendschappen
D. Peergroup belangrijk
,10. Wat hoort bij de seksuele ontwikkeling van baby’s?
A. Schaamtegevoel
B. Bewust verschil jongen/meisje
C. Ontdekken van het lichaam
D. Seksuele fantasieën
11. Wat hoort bij kleuters?
A. Alleen concreet denken
B. Realistisch en abstract denken
C. Magisch denken en fantasie
D. Hypothetisch denken
12. Wat is een taak van schoolkinderen?
A. Hechting aangaan
B. Identiteit zoeken
C. Leren logisch denken
D. Midlifecrisis
13. Wat hoort bij het puberbrein?
A. Volledige impulscontrole
B. Planning goed ontwikkeld
C. Risicogedrag
D. Stabiele emoties
14. Wat is een peergroup?
A. Familie
B. Volwassenen
C. Vrienden met dezelfde leeftijd
D. Leerkrachten
15. Wat is kenmerkend voor adolescenten?
A. Concreet denken
B. Kritisch en abstract denken
C. Geen emoties
D. Afhankelijkheid
16. Wat hoort bij de midlifecrisis?
A. Rust en tevredenheid
B. Onrust en heroriëntatie
C. Aftakeling
D. Identiteitsvorming
17. Wat is een sociaal-emotionele verandering bij ouderen?
A. Meer vrienden
B. Lege-nest-syndroom
C. Peergroup
D. Bewijsdrang
18. Wat is een symptoom van dementie?
A. Sneller leren
B. Gedragsverandering
C. Betere concentratie
D. Meer inzicht
19. Wat is een kenmerk van veilige hechting bij baby’s?
A. Geen contact zoeken
B. Angst bij vreemden en troost zoeken bij opvoeder
C. Chaotisch gedrag
D. Vermijdend gedrag
, 20. Zelfbepaling betekent:
A. Alles ligt vast
B. Opvoeding bepaalt alles
C. Eigen keuzes beïnvloeden ontwikkeling
D. Genen bepalen gedrag
Deel 2 – Open vragen (10 vragen)
21. Noem de zes ontwikkelingsaspecten.
22. Leg uit waarom tastzin belangrijk is voor baby’s.
23. Noem twee kenmerken van onveilige hechting.
24. Wat is het verschil tussen magisch en animistisch denken?
25. Noem twee lichamelijke veranderingen in de puberteit.
26. Wat is het doel van de peergroup in de puberteit?
27. Beschrijf kort de cognitieve ontwikkeling van schoolkinderen.
28. Wat is dubbele of driedubbele vergrijzing?
29. Noem twee sociaal-emotionele taken van volwassenen.
30. Wat is het lege-nest-syndroom?
Deel 3 – Casusvragen (5 vragen)
Casus 1
Een baby huilt bij afscheid, maar wordt rustig als de opvoeder terugkomt.
31. Welke hechtingsstijl is dit?
32. Noem één kenmerk.
Casus 2
Een peuter zegt dat zijn speelgoed boos is omdat het is gevallen.
33. Welke denkstijl laat dit zien?
Casus 3
Een schoolkind schaamt zich, vergelijkt zichzelf met anderen en wil ergens goed in zijn.
34. Welke ontwikkeling speelt hier een rol?
, Casus 4
Een puber gaat laat slapen, zoekt risico’s en reageert emotioneel.
35. Leg dit gedrag uit vanuit het puberbrein.
Casus 5
Een oudere raakt de weg kwijt, herhaalt verhalen en verandert in gedrag.
36. Welke aandoening past hierbij?
37. Noem twee kenmerken.
📄 ANTWOORDEN – OEFENTOETS A
Meerkeuze
1. C
2. C
3. B
4. B
5. B
6. C
7. C
8. C
9. B
10. C
11. C
12. C
13. C
14. C
15. B
16. B
17. B
18. B
19. B
20. C
Open vragen (kernwoorden voldoende)
21. Lichamelijk, emotioneel, sociaal, cognitief, seksueel, persoonlijk
22. Via mond en tast leert baby de wereld kennen (cognitief)
23. Geen vertrouwen, angst, vermijding, chaotisch gedrag
Deel 1 – Meerkeuze (20 vragen)
1. Welke ontwikkeling gaat over identiteit en eigen wil?
A. Cognitief
B. Emotioneel
C. Persoonlijk
D. Sociaal
2. Wat is een kenmerk van nurture?
A. Genetisch bepaald
B. Erfelijk
C. Opvoeding en omgeving
D. Chromosomen
3. In welke prenatale fase begint het hart te kloppen?
A. Zygote
B. Embryo
C. Foetus
D. Baby
4. Wat is een mogelijke bedreiging in de prenatale fase?
A. Borstvoeding
B. Stress van de moeder
C. Huidcontact
D. Slaap
5. Wat betekent objectpermanentie?
A. Objecten verdwijnen echt
B. Objecten blijven bestaan als je ze niet ziet
C. Objecten maken geluid
D. Objecten hebben gevoelens
6. Welke reflex hoort bij 0–3 maanden?
A. Loopreflex
B. Grijpreflex
C. Zoek- en zuigreflex
D. Zitreflex
7. Wat hoort bij veilige hechting?
A. Geen nabijheid zoeken
B. Angst voor opvoeder
C. Basisvertrouwen
D. Chaotisch gedrag
8. Een peuter denkt dat een stoel pijn heeft. Dit is:
A. Abstract denken
B. Logisch denken
C. Animistisch denken
D. Kritisch denken
9. Wat is kenmerkend voor peuters sociaal gezien?
A. Samenwerken
B. Naast elkaar spelen
C. Diepe vriendschappen
D. Peergroup belangrijk
,10. Wat hoort bij de seksuele ontwikkeling van baby’s?
A. Schaamtegevoel
B. Bewust verschil jongen/meisje
C. Ontdekken van het lichaam
D. Seksuele fantasieën
11. Wat hoort bij kleuters?
A. Alleen concreet denken
B. Realistisch en abstract denken
C. Magisch denken en fantasie
D. Hypothetisch denken
12. Wat is een taak van schoolkinderen?
A. Hechting aangaan
B. Identiteit zoeken
C. Leren logisch denken
D. Midlifecrisis
13. Wat hoort bij het puberbrein?
A. Volledige impulscontrole
B. Planning goed ontwikkeld
C. Risicogedrag
D. Stabiele emoties
14. Wat is een peergroup?
A. Familie
B. Volwassenen
C. Vrienden met dezelfde leeftijd
D. Leerkrachten
15. Wat is kenmerkend voor adolescenten?
A. Concreet denken
B. Kritisch en abstract denken
C. Geen emoties
D. Afhankelijkheid
16. Wat hoort bij de midlifecrisis?
A. Rust en tevredenheid
B. Onrust en heroriëntatie
C. Aftakeling
D. Identiteitsvorming
17. Wat is een sociaal-emotionele verandering bij ouderen?
A. Meer vrienden
B. Lege-nest-syndroom
C. Peergroup
D. Bewijsdrang
18. Wat is een symptoom van dementie?
A. Sneller leren
B. Gedragsverandering
C. Betere concentratie
D. Meer inzicht
19. Wat is een kenmerk van veilige hechting bij baby’s?
A. Geen contact zoeken
B. Angst bij vreemden en troost zoeken bij opvoeder
C. Chaotisch gedrag
D. Vermijdend gedrag
, 20. Zelfbepaling betekent:
A. Alles ligt vast
B. Opvoeding bepaalt alles
C. Eigen keuzes beïnvloeden ontwikkeling
D. Genen bepalen gedrag
Deel 2 – Open vragen (10 vragen)
21. Noem de zes ontwikkelingsaspecten.
22. Leg uit waarom tastzin belangrijk is voor baby’s.
23. Noem twee kenmerken van onveilige hechting.
24. Wat is het verschil tussen magisch en animistisch denken?
25. Noem twee lichamelijke veranderingen in de puberteit.
26. Wat is het doel van de peergroup in de puberteit?
27. Beschrijf kort de cognitieve ontwikkeling van schoolkinderen.
28. Wat is dubbele of driedubbele vergrijzing?
29. Noem twee sociaal-emotionele taken van volwassenen.
30. Wat is het lege-nest-syndroom?
Deel 3 – Casusvragen (5 vragen)
Casus 1
Een baby huilt bij afscheid, maar wordt rustig als de opvoeder terugkomt.
31. Welke hechtingsstijl is dit?
32. Noem één kenmerk.
Casus 2
Een peuter zegt dat zijn speelgoed boos is omdat het is gevallen.
33. Welke denkstijl laat dit zien?
Casus 3
Een schoolkind schaamt zich, vergelijkt zichzelf met anderen en wil ergens goed in zijn.
34. Welke ontwikkeling speelt hier een rol?
, Casus 4
Een puber gaat laat slapen, zoekt risico’s en reageert emotioneel.
35. Leg dit gedrag uit vanuit het puberbrein.
Casus 5
Een oudere raakt de weg kwijt, herhaalt verhalen en verandert in gedrag.
36. Welke aandoening past hierbij?
37. Noem twee kenmerken.
📄 ANTWOORDEN – OEFENTOETS A
Meerkeuze
1. C
2. C
3. B
4. B
5. B
6. C
7. C
8. C
9. B
10. C
11. C
12. C
13. C
14. C
15. B
16. B
17. B
18. B
19. B
20. C
Open vragen (kernwoorden voldoende)
21. Lichamelijk, emotioneel, sociaal, cognitief, seksueel, persoonlijk
22. Via mond en tast leert baby de wereld kennen (cognitief)
23. Geen vertrouwen, angst, vermijding, chaotisch gedrag