Hoofdstuk 8 Goederenrecht
8.1 Derdenbescherming
Art. 3:86 en 3:88 BW bieden de verkrijger onder
omstandigheden bescherming tegen de
beschikkingsonbevoegdheid van de
vervreemder van een goed. De overdracht kan
op grond van deze bepalingen toch geldig zijn,
ook al was de vervreemder
beschikkingsonbevoegd.
Daarnaast bieden art. 3:24-26 BW de koper van
een registergoed bescherming tegen feiten die
kunnen worden ingeschreven in de openbare
registers, maar waarvan een inschrijving
ontbreekt.
Art. 3:36 BW geldt in beginsel voor alle
goederen, deze bepaling beschermt de derde-
verkrijger te goeder trouw tegen de schijn die
door een verklaring of gedraging van iemand
anders is opgewekt. Het gaat hier om een moeilijk leesbare of lastig te doorgronden
bepaling.
8.2 art. 3:86 BW
Art. 3:86 BW repareert een gebrek in de beschikkingsbevoegdheid indien het gaat om de
verkrijging van roerende zaken, niet-registergoederen, en rechten aan toonder en order.
Behalve eisen aan het soort goed, stelt art. 3:86 BW voor toepasbaarheid ook eisen aan de
wijze waarop het goed is geleverd. Vereist is dat is geleverd overeenkomstig art. 3:90, 3:91
of 3:93 BW.
Indien deze twee vereisten zijn vervuld en art. 3:86 BW dus toepasbaar is, is voor
bescherming in de eerste plaats vereist dat de overdracht anders dan om niet (dus om baat)
is geschied. Dit houdt in dat tegenover de verkrijging een tegenprestatie moet staan. Er is
ook sprake van om baat als de afgesproken koopprijs voor een geleverde zaak nog niet is
betaald. De omvang van de tegenprestatie speelt wel
een rol, een koop tegen een symbolisch laag bedrag
wordt als verkrijging om niet gekwalificeerd. Bij
schenking biedt art. 3:86 BW geen bescherming.
Vereist is dat de verkrijger op het moment van
levering te goeder trouw is 9art. 3:86 lid jo 3:11 BW).
In art 3:87 BW vermeldt een extra vereiste voor een
geslaagd beroep op bescherming van art. 3:86 BW.
Een verkrijger moet desgevraagd binnen drie jaren na
zijn verkrijging de gegevens verschaffen die nodig zijn
om de vervreemder op te sporen (aanwijsplicht).
Art. 3:86 BW biedt ook bescherming tegen beperkte rechten (pand en vruchtgebruik) die op
het moment van overdracht op de zaak rusten en die de verkrijger kent noch behoort te
kennen (art. 3:86 lid 2 BW). De bescherming van art. 3:86 BW geldt ingevolge art. 3:86a BW
8.1 Derdenbescherming
Art. 3:86 en 3:88 BW bieden de verkrijger onder
omstandigheden bescherming tegen de
beschikkingsonbevoegdheid van de
vervreemder van een goed. De overdracht kan
op grond van deze bepalingen toch geldig zijn,
ook al was de vervreemder
beschikkingsonbevoegd.
Daarnaast bieden art. 3:24-26 BW de koper van
een registergoed bescherming tegen feiten die
kunnen worden ingeschreven in de openbare
registers, maar waarvan een inschrijving
ontbreekt.
Art. 3:36 BW geldt in beginsel voor alle
goederen, deze bepaling beschermt de derde-
verkrijger te goeder trouw tegen de schijn die
door een verklaring of gedraging van iemand
anders is opgewekt. Het gaat hier om een moeilijk leesbare of lastig te doorgronden
bepaling.
8.2 art. 3:86 BW
Art. 3:86 BW repareert een gebrek in de beschikkingsbevoegdheid indien het gaat om de
verkrijging van roerende zaken, niet-registergoederen, en rechten aan toonder en order.
Behalve eisen aan het soort goed, stelt art. 3:86 BW voor toepasbaarheid ook eisen aan de
wijze waarop het goed is geleverd. Vereist is dat is geleverd overeenkomstig art. 3:90, 3:91
of 3:93 BW.
Indien deze twee vereisten zijn vervuld en art. 3:86 BW dus toepasbaar is, is voor
bescherming in de eerste plaats vereist dat de overdracht anders dan om niet (dus om baat)
is geschied. Dit houdt in dat tegenover de verkrijging een tegenprestatie moet staan. Er is
ook sprake van om baat als de afgesproken koopprijs voor een geleverde zaak nog niet is
betaald. De omvang van de tegenprestatie speelt wel
een rol, een koop tegen een symbolisch laag bedrag
wordt als verkrijging om niet gekwalificeerd. Bij
schenking biedt art. 3:86 BW geen bescherming.
Vereist is dat de verkrijger op het moment van
levering te goeder trouw is 9art. 3:86 lid jo 3:11 BW).
In art 3:87 BW vermeldt een extra vereiste voor een
geslaagd beroep op bescherming van art. 3:86 BW.
Een verkrijger moet desgevraagd binnen drie jaren na
zijn verkrijging de gegevens verschaffen die nodig zijn
om de vervreemder op te sporen (aanwijsplicht).
Art. 3:86 BW biedt ook bescherming tegen beperkte rechten (pand en vruchtgebruik) die op
het moment van overdracht op de zaak rusten en die de verkrijger kent noch behoort te
kennen (art. 3:86 lid 2 BW). De bescherming van art. 3:86 BW geldt ingevolge art. 3:86a BW