H1.1 Uiteenlopende standpunten
Darwin overleed (1882). De rouwdienst werd gehouden in de Westminster Abbey in Londen.
Ook werd hij daar begraven. Dit had te maken met zijn status als wetenschapper, maar het
geeft ook aan dat er blijkbaar anglicaanse geestelijken waren die zijn opvattingen wilden
combineren met het christelijk geloof. Darwin had afstand genomen van het geloof en
noemde zichzelf een agnost (iemand die niks weet).
H1.2 Begrippen
Evolutietheorie: de opvatting dat het leven op aarde een gemeenschappelijke afstammeling
heeft en dat complexere organismen in de loop van de tijd ontwikkeld zijn uit eenvoudiger
organismen. Evolutie is letterlijk ontwikkelen.
Er is een onderscheid tussen macro-evolutie en micro-evolutie:
- Macro-evolutie: belangrijke veranderingen gedurende een lange periode, waarbij
nieuwe soorten ontstaan. (aap -> mens)
- Micro-evolutie: variaties binnen een soort, zoals kleur of grootte. Dieren blijven
herkenbaar als behorend tot 1 soort.
Je kunt onderscheid maken tussen chemische evolutie (ontstaan van heelal en aarde) en
biologische ontwikkeling (ontwikkeling van levende wezens).
Het Woord ‘schepping’ kan in strikte en ruime zin opgevat worden:
- Strikte zin: scheppen is het maken uit niets. Klassieke uitleg vanuit eerste regel
uit Genesis.
- Ruimere zin: scheppen is het laten voortkomen van iets nieuws uit iets wat al
bestaat. Wat God bijv. deed op de 3e scheppingsdag (gewas en vruchtbomen uit
aarde).
De big bang: interpretatie dat het heelal een begin gehad heeft. Aanhangers van
naturalistisch wereldbeeld menen dat dit begin er ‘vanzelf’ gekomen is. Ook het leven
ontstaat op een natuurlijke manier.
Creationisme is afgeleid van creatio (Schepping). 2 verschillende betekenissen:
1. In brede zin als aanduiding van het geloof dat God de wereld geschapen heeft.
2. In beperkte zin als aanduiding van de stroming die het geloof in een recente
schepping als uitgangspunt neemt en daaruit consequenties trekt voor de
wetenschappen. Het gaat niet om een algemeen geloof, maar om de aanvaarding van
de schepping zoals die beschreven wordt in de Bijbel.
Klassieke scheppingsgeloof: de aarde is hooguit 6.000 jaar geleden geschapen door Gods
bijzondere ingrijpen.
Kort na de 2e Wereldoorlog ontstaat het wetenschappelijk creationisme: gaat uit van Gods
openbaring in de Bijbel en doordenkt de huidige wetenschappen die over het verleden gaan.
Zij leggen meer de nadruk op de consequenties van Genesis 1:1-11 voor het beoefenen van
wetenschappen. Aanhangers sluiten zich aan bij het klassieke scheppingsgeloof. We spreken
hier van een scheppingsmodel i.p.v. een evolutiemodel.
, Het creationisme gaat uit van historische betrouwbaarheid van de Bijbel en erkent dat het
eerste doel ervan geloofsopbouw is.
Theïstisch evolutionisme:
- Geloven dat God de Schepper is van de aarde en haar bewoners
- Accepteren ook de gangbare evolutietheorie
- Hanteren liever de term evolutionair creationisme dan theïstisch evolutionisme
- God gebruikt het middel van de evolutie i.p.v. dat hij alles plotseling schiep
- Theïsme wijst op het bestaan van God
- God heeft de aarde en haar wetmatigheden gemaakt en laat ontwikkelingen
volgens de natuurwetten verlopen. Nadruk ligt meer op het begin dan op Gods
voortdurende zorg voor Zijn schepping en op Zijn openbaring.
Intelligent Design:
- Bepaalde kenmerken van het heelal en van organismen kunnen het best
verklaard worden als het werk van een (bovennatuurlijke) intelligente ontwerper.
- Wereld is zo ingewikkeld dat het niet bij toeval ontstaan kan zijn (net als
ingewikkeld horloge). Wereld is doelbewust gemaakt .
- Gaat niet uit van bepaalde godsdienst en heeft aanhangers van diverse religieuze
overtuigingen. Waaronder christenen die zich beroepen op wetenschappelijke
waarnemingen en niet op de Bijbel of een ander godsdienstig geschrift.
H1.3 Verschillende vormen van wetenschap
Er bestaat een verschil tussen observerende wetenschap en historische (hermeutische,
interpreterende) wetenschap:
1. De observerende wetenschap houdt zich bezig met onderzoek in het laboratorium of
in het veld. Onderzoekt herhaalbare gebeurtenissen in het heden. Natuurkunde,
scheikunde en biologie, geologie die zich richt op waarnemingen, en een groot deel
van de astronomie.
Streeft ernaar te ontdekken volgens welke wetten de natuur gewoonlijk werkt.
Mogelijk dankzij herhaalbaarheid van verschijnselen.
Leidt effecten af uit oorzaken
2. De historische wetenschap houdt zich bezig met het doortrekken van waarnemingen
in het heden naar het (soms) verre, niet waarneembare en ook niet herhaalbare
verleden. Geschiedwetenschap, archeologie, kosmologie, historische geologie,
paleontologie en evolutiebiologie.
Rekent terug en neemt oorzaken in het verleden aan op basis van sleutels die in het
heden aanwezig zijn.
Grootste gedeelte van wetenschap betreft de paleontologie (de bestudering van fossielen)
en is daarmee historisch van aard. Herhalingen en experimenten zijn daarin niet mogelijk.
H1.4 Oorsprongswetenschap en levensbeschouwing