Inleiding (blz. 7-11):
De Bijbel telt 66 boeken. Het hele Oude Testament bevat 39 boeken en
het Nieuwe Testament bevat 27 boeken.
De Bijbel is door ongeveer 40 auteurs geschreven. Vanaf het jaar 1500 v.
Chr. Tot ongeveer 100 jaar na Chr.
De boodschap van de Bijbel: God openbaart Zich aan de zondige mens om
die met Zichzelf te verzoenen.
Soort boeken Oude Testament:
Wet: Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri, Deuteronomium
Historisch: Jozua, Richteren, Ruth, 1&2 Samuël, 1&2 Koningen, 1&2
Kronieken, Ezra, Nehémia, Esther
Poëtisch: Job, Psalmen, Spreuken, Prediker, Hooglied
Grote Profeten: Jesaja, Jeremia, Klaagliederen, Ezechiël, Daniël
Kleine Profeten: Hosea, Joël, Amos, Obadja, Jona, Micha, Nahum,
Habakuk, Zefanja, Haggaï, Zacharia, Maleachi
Soort boeken Nieuwe Testament:
Evangeliën: Matthéüs, Marcus, Lukas, Johannes
Historisch: Handelingen
Brieven Paulus aan gemeenten: Romeinen, 1&2 Korintiërs, Galaten,
Efeziërs, Filippensen, Kolossensen, 1&2 Thessalonicenzen
Brieven Paulus aan personen: 1&2 Timotheüs, Titus, Filemon
Algemene zendbrieven: Hebreeën, Jakobus, 1&2 Petrus, 1,2&3
Johannes, Judas
Profetisch: Openbaring
H1 (blz. 12-23) De boeken van de wet (boeken van het
verbond):
Genesis-Exodus-Leviticus-Numeri-Deuteronomium
Mozes heeft de boeken van de wet geschreven. Vooral vanaf Exodus 20
komen we enorm veel regels tegen. Ze geven aan wat God wil van alle
mensen (en Zijn eigen volk Israël in het bijzonder).
,Genesis betekent ‘wording’ of ‘schepping’. De eerste 2 hoofdstukken
van de Bijbel laten zien dat God de Schepper is van alle mensen en
daarom ook door alle mensen behoort te worden gediend.
In de Bijbel komt het woord ‘relatie’ niet voor. God gebruikt een ander
woord. In plaats van ‘relatie’ zegt hij ‘verbond’. Dat woord komen we in
Genesis wel 20 keer tegen, in Exodus nog eens 10 keer, in Leviticus en
Numeri 8 keer en daarna in Deuteronomium weer 17 keer. Deze boeken
van Mozes gaan dus over het verbond, ofwel de relatie die God met
de mensheid hebben wil.
In Genesis komen we vooral 2 verbonden of relaties tegen:
1. In het paradijs –> het werkverbond, het proefgebod in Genesis
2:16&17
“En de Heere God gebood de mens, zeggende: Van alle boom dezes
hofs zult gij vrijelijk eten; maar van de boom der kennis des goeds
en des kwaads, daarvan zult gij niet eten; want ten dage, als gij
daarvan eet, zult gij den dood sterven.” Door de zonde is de dood
gekomen, over alle mensen, omdat we door Adam allemaal
gezondigd hebben (Romeinen 5:12).
2. God met Jezus -> het genadeverbond, in Genesis 3:15 belooft
God dat Zijn Zoon zal worden geboren als mens. Deze Mens zal het
laatste woord hebben, omdat Hij de duivel en alle kwade machten
zal overwinnen. We noemen dit de ‘moederbelofte’ of het proto-
evangelie. Het genadeverbond is een ‘particuliere bedeling’.
God had gedurende een bepaalde periode Zijn verbond met
verschillende (particuliere) personen die Hem vreesden.
Bijvoorbeeld Adam, Eva, Abel en Seth, Henoch en Noach.
Vanaf Genesis 12:1 gaat het genadeverbond een nieuw tijdperk in.
God kiest niet alleen Abram uit, maar ook zijn familie. Uit het grote
nageslacht van Abram zal de beloofde Zaligmaker worden geboren.
Als verbondsteken moeten alle mannen en jongetjes besneden
worden. Ook mag het volk van Abram wonen in het beloofde land.
Deze fase van het genadeverbond wordt de ‘patriarchale
bedeling’ genoemd. God verbindt Zich niet alleen aan Abraham,
maar ook aan zijn zoon Izak en diens zoon Jakob. Ezau hoort daar
niet bij (Romeinen 9:11-14)
Jakob (Israël) krijgt 12 zonen. Zij worden de stamvaders van de 12
stammen die samen Israël vormen. Als groep van 70 personen komen ze
in Egypte wonen bij Jozef. Als Jozef allang gestorven is, wordt het volk
Israël onderdrukt door een andere Farao. Dan begint het volk tot God te
roepen. God gedenkt aan zijn verbond (Exodus 2:24,25) en komt Zijn
uitverkoren volk te hulp. Er komt een nieuw tijdperk. Dit noemen we de
‘nationale bedeling’ van het genadeverbond. God heeft nu Zijn volk op
aarde.
10 zware plagen treffen de Egyptenaren. Vervolgens leidt God Zijn volk
weg uit de slavernij, en gebruikt daarvoor Mozes en Aäron. Zij worden de
politieke en religieuze leider van het volk. God leidt Zijn volk door de Rode
Zee, door de woestijn, door veel beproevingen heen, terug naar het
beloofde land. Volgens Paulus stelt God hiermee een voorbeeld (1
Korinthe 10:11). Zoals God Zijn volk vanuit de onderdrukking terugleidt
, naar het beloofde land, zal Hij allen die Hem oprecht vrezen terugleiden
uit de macht van de satan naar het hemels paradijs. Ook dat is een nieuwe
fase van het genadeverbond. Ook wel de ‘kerkelijke bedeling’ genoemd.
Niet alleen Israël, maar ook Christus’ Kerk uit de volken deelt nu, na Zijn
offer aan het kruis, in de genade.
Het grootste gedeelte van Mozes boeken gaat over de ‘nationale
bedeling’. Aan het volk geeft God de Wet. Want als ze zich daaraan
houden, mogen ze een goed leven hebben.
Aan de voet van de berg Sinaï krijgt het volk de
wet van de Tien Geboden, maar ook een reeks
ceremoniële wetten. Die hebben te maken
met de instelling van de eredienst. God laat de
tabernakel maken. Deze ceremoniële wetten
hadden de bedoeling om het uitverkoren volk te
onderwijzen.
Let op dat we niet alle ceremoniële en
burgerlijke wetten meer hoeven te houden. Maar
welke dan wel? Alle wetten die te maken hebben
met de 10 Geboden. maar ook alle regels die
direct te maken hebben met het karakter van
God.
In Romeinen 9:6 schrijft Paulus dat veel
mensen in de naam wel Israëliet waren en dus
tot Gods volk behoorden, maar in hun hart niet.
Zo kun je ook in de kerk zitten, maar het is
belangrijk om juist in het hart christen te zijn.
De 10 geboden:
1. Heilig Gods dienst (geen andere goden)
2. Heilig Gods wezen (geen beelden)
3. Heilig Gods Naam (niet vloeken)
4. Heilig Gods dag (de rustdag)
5. Je ouders eren
6. Niet doodslaan
7. Niet echtbreken
8. Niet stelen
9. Niet liegen
10. Niet begeren
H2 (blz.24-35) De boeken van het volk I:
Jozua-Richteren-Ruth-1 Samuël-2 Samuël
Jozua moet het volk Israël in het beloofde land brengen. Hij krijgt van God
een opdracht die uit 2 onderdelen bestaat:
1. Israël moet het land Kanaän veroveren
2. Israël moet zich niet vermengen met de heidenvolken die er wonen,
maar deze verdrijven. Ze moeten het land reinigen van de afgoden.
Deze opdracht kreeg Mozes al (Numeri 33: 50-53). Jozua moet hem gaan
uitvoeren. Als dienstknecht van God. In Jozua 13:1 zegt God dat als het