Hoofdstuk 2 (blz. 23-44)
Hoofdstuk 2.1 (blz. 24) Beelden zien;
- Een beeld -> een voorstelling van iets.
- Kijken is onbewust, maar functioneel. Om jezelf te beschermen voor
iets.
- Wat je bewust waarneemt, wordt sterk bepaald door de persoon in
kwestie. Met zijn eigen geaardheid, gevoeligheid, gerichtheid en
intenties. Eenzelfde woonomgeving kan door andere ogen
verschillend worden waargenomen. Iedereen heeft een eigen
beeld van de objectieve omgeving.
- Door bewust te wisselen van blikveld of intentie kun je op een
andere manier betekenis geven aan de omgeving. Je vergroot zo de
gevoeligheid voor de visuele waarneming.
Hoofdstuk 2.2 (blz. 24-26) Beelden maken;
- Je moet kunnen omgaan met beeldende middelen om een beeld
te maken: vorm, kleur, textuur en samenstelling op het vlak of in de
ruimte.
- Vormgevende handelingen (tekenen, boetseren en construeren)
zijn erop gericht om een beeld te laten vertellen wat het moet
vertellen.
- De vormgever geeft het beeld zeggingskracht. Hij manipuleert
bepaalde beeldende middelen. D.m.v. het oog, het hoofd, het hart,
tastzin (handen), en motoriek (beweging).
- Jonge kinderen bouwen al een grote vormenkennis op door alle
ervaringen die ze spelenderwijs en onderzoekend opdoen.
- Kunstenaars beschouwen het onderwerp, de verschijninsgvormen
van hun fascinatie. Ze onderzoeken op welke wijze de door hen
ervaren betekenis krachtig in beeld kan worden gebracht. Ze
werken die uit door passende materialen op een eigen manier te
verwerken.
Hoofdstuk 2.3 (blz. 26-28) Beeldend vormgeven;
- Beeldend vormgeven is betekenis geven aan materie door de
vorm aan te passen. Dat gebeurt in een creatief proces waarvan
beschouwing, onderzoek en werkwijze deel uitmaken. De
vormgever stuurt die activiteiten aan door reflectie en zorgt voor
een ‘eigen, dus authentieke’ afstemming.
- In het cirkelmodel kun je het product (het beeld) en het proces (het
maken) onderscheiden:
, - Beeldend vormgeven wordt creatief genoemd omdat het een open
activiteit is met veel ‘vrijheidsgraden', keuzemomenten waarin
beslissingen nodig zijn om tot een product te komen. Van de maker
wordt verwacht dat hij origineel is.
- Het cirkelmodel vormt de basis voor een didactiek voor beeldend
onderwijs.
Hoofdstuk 2.4 (blz. 28-38) Productcomponenten;
- Productcomponent betekenis: datgene wat het beeld uitdrukt;
het geheel van associaties en emoties dat het teweeg kan brengen.
de betekenis van een beeld is het gevolg van zowel de maker Als de
kijker. Om een beeld te kunnen doorgronden moet je op de hoogte
zijn van de ontstaanscontext.
Deze 3 lagen corresponderen met de niveaus waarop visuele
informatie wordt verwerkt.
Laag 1: directe visuele betekenis; hoe ziet het eruit? (wat direct
waarneembaar is. Eerste indruk = morfologie.)
Laag 2: object betekenis; wat stelt het voor? (herkennen van
dingen uit de ons omringende wereld.)
Laag 3: Symbolische betekenis; waar verwijst het naar, wat het
dus niet is? (betekenissen zitten verstopt achter de eerste en de
tweede laag. symbolen vormen een taal die je kunt begrijpen als je
toegang hebt tot de codes van de gemeenschap of cultuur waarin
ze fungeren.)
- Als volgt enkele begrippen die enige toelichting nodig hebben:
1. Realistisch: werkelijkheid getrouw, stroming van het realisme
die verwijst naar de moeilijke omstandigheden waarin mensen
leefden i.p.v. de idyllische onderwerpen die vaak werden
geschilderd.
2. Surrealistisch: een niet bestaande, droomachtige situatie die
vaak wel werkelijkheidsgetrouw is weergegeven.
3. Abstract: verwijst naar een idee of begrip dat niet te zien is. Het
tegenovergestelde van concreet, iets dat zeer tastbaar aanwezig
is.
4. Concreet: het beeld is wat het is.
5. Non figuratief: het beeld bevat geen gelijkenissen of
verwijzingen naar iets herkenbaars uit de werkelijkheid.