Hoofdstuk 3 (blz. 47-64)
Hoofdstuk 3.1 (blz. 48-49) Beeldend onderwijs: daar gaat het om!
- Productie, receptie en reflectie zijn termen die worden gebruikt
als kinderen in het beeldend onderwijs bezig zijn met beelden en
hun betekenis. dit doen ze door zelf beeldend werk te maken, maar
ook door er samen naar te kijken en erover te praten.
- Beeldend onderwijs omvat het maken en het beschouwen van
beelden. Reflecteren speelt zowel bij het maken als bij het
beschouwen van beelden een centrale rol.
- Maken betekent dat je iets doet met je handen. Je handen worden
aangestuurd door je hoofd (en je hart).
- Bij procesgerichte didactiek gaat het om zoeken, durven en
uitproberen en het op eigen manier doen.
- Beschouwen is eigenlijk het nauwkeurig onderzoeken en onder
woorden brengen van wat er te zien is. Bij kunst zoek je de
mogelijke bedoeling ermee. Door beschouwing wordt visuele
informatie toegankelijk die je nodig hebt bij het vormgeven. Afstand
nemen is belangrijk.
- Reflectievragen zijn vragen die door het persoonlijk perspectief
zorgen voor een bewustwordingsproces. Reflectie beïnvloed het
sturingsmechanisme van gedrag en dus ook van onderwijs.
enkele aspecten van reflecteren zijn overwegen, keuzes maken,
beoordelen, mening geven en beargumenteren.
Hoofdstuk 3.2 (blz. 49-53) Beeldend onderwijs en de kerndoelen:
- Er zijn 5 ontwikkelingsgebieden waar de onderwijsactiviteiten op
de basisschool op gericht zijn:
1. Sociaal-emotionele ontwikkeling: kinderen maken
voortdurend persoonlijke keuzes om tot een eigen verbeelding te
komen. Zo geven zij zich bloot tegenover anderen en nemen ze
deel aan sociale interacties. Ze moeten ook ruimte geven aan
anderen. Een veilige omgeving is belangrijk.
2. Cognitieve en zintuiglijke ontwikkeling: betreft het
vermogen om kennis te verwerven. Tijdens beeldend vormgeven
zijn de kinderen gericht op hun waarneming. Zij ondervragen en
analyseren die. Kinderen ontwikkelen het bewustzijn dat ze
waarnemende en kennis verwervende personen zijn.
3. Motorische ontwikkeling: in hoeverre een kind specifieke
motorische vaardigheden beheerst, wordt duidelijk tijdens
beeldende activiteiten. Het beeldende werkproces biedt
mogelijkheden om motorische vaardigheden in een
betekenisvolle context te oefenen en ze naar een hoger
beheersingsniveau te brengen.
4. Creatieve ontwikkeling: iemand is creatief competent als hij
flexibel en met zekere originaliteit kan reageren en anticiperen
op problemen en veranderingen. Als kinderen zoeken naar
oplossingen voor een beeldende probleemstelling leren ze nieuwe