Week 1: Inleiding tot het systeem van bestuursrechtelijke rechtsbescherming
Het bestuursrecht gaat over de juridische normen die gelden in de rechtsbetrekking tussen
de burger en de overheid. Aan de overheid zijn talloze taken toebedeeld en zij beschikt over
een groot aantal bevoegdheden. De belangrijkste daarvan is de bevoegdheid besluiten te
nemen. Over de wijze waarop de overheid haar taken en bevoegdheden uitoefent kunnen
natuurlijk geschillen ontstaan. Met deze geschillen kan men naar de bestuursrechter en soms
de civiele rechter stappen. De aard van het geschil is bepalend voor bij welke rechter je dient
te zijn. Het boek dat hier samengevat is gaat dan ook vooral over de rechtsbescherming
tegen de overheid.
Het bestuursrecht betreft interacties tussen overheid en burgers in het kader van de
uitoefening van publiekrechtelijke taken en bevoegdheden door de overheid. Denk aan het
verlenen van vergunningen, het toekennen van subsidies, het innen van belastingen en het
verstrekken van uitkeringen. Tussen burger en overheid is over en weer sprake van rechten
en plichten. De overheid is de centrale actor in het bestuursrecht en bestaat in vele vormen.
Er is natuurlijk niet één instantie die alle interacties met burgers vormgeeft, maar meerdere
rechtspersonen en bestuursorganen die dat doet.
Een bestuursorgaan is een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is
ingesteld dan wel een persoon die of college dat met enig openbaar gezag is gekleed. Een
besluit is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een
publiekrechtelijke rechtshandeling. Het handelen van de overheid beperkt zich echter niet
tot het nemen van besluiten. Besluiten moeten worden voorbereid en uitgevoerd. Ook
hebben de rechtspersonen waaruit de overheid bestaat de mogelijkheid om net als iedere
andere rechtspersoon privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten. De overheid kan
die gebruiken ter uitoefening van haar taken en bevoegdheden. Een geschil met de overheid
over de uitoefening van diens publiekrechtelijke taken kan altijd aan de rechter worden
voorgelegd.
Er zijn verschillende procedures beschikbaar om bestuursrechtelijke geschillen te beslechten.
Hieronder bespreken we het beroep bij de bestuursrechter.
De belangrijkste procedure ter beslechting van bestuursrechtelijke geschillen is die van
bezwaar en beroep tegen besluiten van bestuursorganen (hoofdstuk 6, 7 en 8 Awb). De
bestuursrechter is de rechter die bevoegd is te oordelen over beroep tegen besluiten van
bestuursorganen (art. 8:1 Awb). Beroep is per definitie gericht op de vernietiging van een
besluit. Beroep bij de rechter is in de regel pas mogelijk nadat een bezwaarprocedure is
doorlopen bij het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen. Uitgangspunt is
dat de bestuursrechter alleen oordeelt over besluiten. Voor geschillen die gaan over
overheidshandelen dat niet in een besluit is neergelegd, moet je bij de civiele rechter zijn.
Ook de civiele rechter is dus deels bestuursrechter. In het juridische spraakgebruik wordt de
term bestuursrechter echter gereserveerd voor de rechter die op grond van de Awb oordeelt
over geschillen betreffende besluiten van bestuursorganen.
Soms is de bevoegdheid van de bestuursrechter ruimer, soms beperkter. Zo mag je bij de
bestuursrechter niet opkomen tegen algemeen verbindende voorschriften en beleidsregels
,(art. 8:3 lid 1 sub a Awb). Soms is de bevoegdheid ruimer dan besluiten. De instrumenten die
wetgever en rechter daarvoor gebruiken, zijn het oprekken van de definitie van het begrip
besluit en het gelijkstellen van een andere handeling van een bestuursorgaan aan een
besluit. Bij het oprekken en gelijkstellen wordt vastgehouden aan het uitgangspunt dat de
bevoegdheid van de bestuursrechter is gekoppeld aan een besluit. In 2013 is in hoofdstuk 8
Awb naast het vernietigingsberoep een verzoekschriftprocedure opgenomen. Een
belanghebbende kan die procedure benutten om de bestuursrechter te verzoeken een
bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade als gevolg van een onrechtmatig
besluit.
Een beroep kan worden beschouwd als een verzoek een besluit te vernietigen. De
beroepsprocedure is dus een bijzonder soort verzoekschriftprocedure. Er stonden in
hoofdstuk 8 Awb dan ook eigenlijk al diverse verzoekschriftprocedures, waarin de
bestuursrechter niet oordeelde over de vordering een besluit te vernietigen, maar over een
verzoek het bestuursorgaan op te dragen een bepaalde handeling te laten verrichten (of
achterwege te laten) (zie bijv. afd. 8.2.4a of 8.3 (verzoek om voorlopige voorziening) Awb).
De discussie of de bestuursrechter niet bevoegd moet zijn om over al het handelen van
overheidsorganen ter uitoefening van hun publiekrechtelijke taken en bevoegdheden te
kunnen oordelen, is in volle gang.
Als wordt gesproken over bestuursrechter, kan het lijken alsof er maar één rechterlijke
instanties die zich in Nederland met bestuursrechtspraak bezighoudt. Dat is niet het geval.
Voor civiele en strafprocedures geldt dat de rechterlijke macht (elf rechtbanken, vier
gerechtshoven en de Hoge Raad) geschillen in beroep, hoger beroep en cassatie behandelt.
Voor bestuursrechtelijke procedures geldt als hoofdregel dat tegen een besluit beroep
openstaat bij een van de elf rechtbanken. Hoger beroep dient, al naargelang de aard van het
besluit waar het geschil over gaat, te worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak
van de Raad van State (ABRvS), de Centrale Raad van Beroep (CRvB), het College van Beroep
voor het bedrijfsleven (CBb) of bij een van de vier gerechtshoven. De gerechtshoven zijn
hogerberoepsrechters in belastingzaken, het CBb doet het economisch bestuursrecht, de
CRvB ambtenarenzaken en socialezekerheidszaken en de ABRvS de rest van de
hogerberoepszaken. In een aantal gevallen is niet de rechtbank maar een van de drie
bijzondere bestuursrechtelijke instanties (ABRvS, CRvB, CBb) de bestuursrechter in eerste en
enige aanleg. Hoger beroep is dan niet mogelijk.
In een systeem met één hoogste rechter, zoals het civiele en het strafrecht, is het niet
moeilijk om rechtseenheid te realiseren. De Hoge Raad zorgt daarvoor. In het bestuursrecht
zijn er echter vier hoogste rechters, die mogelijk niet op dezelfde lijn zitten bij de uitleg van
algemene bestuursrechtelijke begrippen. Om dat te voorkomen, bestaan er formele en
informele rechtseenheidvoorzieningen. De belangrijkste informele voorziening is de
Commissie rechtseenheid bestuursrecht. DE commissie, waarin leden van de vier hoogste
bestuursrechters zitten hebben, vergadert elke zes weken. Doel is om de jurisprudentie op
elkaar af te stemmen.
Behalve de informele voorziening zijn er sinds 2013 in de Awb twee
rechtseenheidsvoorzieningen aangenomen. Allereerst is dat de grote kamer (art. 8:10a lid 4
,Awb). De grote kamer bestaat uit vijf leden, waarbij er mogelijkheid is om een kamer samen
te stellen waarin alle hoogste bestuursrechters vertegenwoordigd zijn.
Een ander instrument betreft de conclusie. Dit instrument bestond al in de andere
rechtsdiciplines, maar voor het algemeen bestuursrecht is het nieuw. Sinds 2013 stelt art.
8:12a Awb staat de voorzitter van de ABRvS, de president van de CRvB en de president van
de CBb in zaken die in hun college in behandeling zijn bij een meervoudige of grote kamer,
een lid van het desbetreffende college kunnen verzoeken een conclusie te nemen.
Een geschil met de overheid kan altijd aan een rechter worden voorgelegd. Is de
bestuursrechter niet bevoegd in een geschil tussen burgers en de overheid, dan kunnen
partijen naar de civiele rechter. De civiele rechter is te zien als een restrechter. Echter,
systematisch gezien is de civiele rechter de algemene rechter voor alle denkbare geschillen.
De algemene civiele rechter wijkt alleen voor de bijzondere bestuursrechter, voor zover de
laatste bevoegd is over geschillen over bepaalde categorieën overheidshandelen te oordelen.
De bestuursrechter is in beginsel slechts bevoegd als een geschil met de overheid een besluit
betreft.
Eenieder heeft het recht om over de wijze waarop een bestuursorgaan zich in een bepaalde
aangelegenheid jegens hem of een ander heeft gedragen, een klacht in te dienen bij dat
bestuursorgaan (art. 9:1 Awb). Hoofdstuk 9 Awb, over klachtbehandeling, regelt hoe de
bestuursorganen met klachten moeten omgaan, voor zover een klacht schriftelijk is
ingediend en de gedraging waarover de klacht gaat, de klager zelf betreft, is een procedure
voorgeschreven die erin resulteert dat de klager schriftelijk in kennis wordt gesteld van de
bevindingen van het onderzoek naar de klacht en de conclusies die het bestuursorgaan
daaraan verbindt. Kan de klager zich daarin niet vinden, dan kan hij zich wenden tot de
ombudsman.
De klachtprocedure is er zodat iemand die niet tevreden is over hoe de overheid zich ten
opzichte van hem heeft gedragen, toch de mogelijkheid heeft zijn ongenoegen te uiten,
ondanks dat tegen het bedrag van de overheid geen bezwaar of beroep openstaat. De
ombudsman kan overigens geen bindende uitspraak doen. Systematisch gezien is de
klachtprocedure echter vooral een aanvulling op de procedure bij de civiele rechter. Men kan
namelijk altijd bij de civiele rechter terecht, maar de drempel hiervoor is vrij hoog, in
tegenstelling tot de drempel bij de klachtprocedure.
In het algemeen wenden partijen met een conflict zich pas tot de rechter, als het hen niet
gelukt is op een andere wijze tot overeenstemming te komen. Deze ‘andere wijze’ is vaak dat
partijen zelf tot overeenstemming hebben geprobeerd te komen, al dan niet met behulp van
een derde, zoals een bemiddelaar of mediator. In deze procedures wordt net zo goed
rekening gehouden met de juridische relevante normen. Problematisch kan echter zijn, dat
men slechts zes weken de tijd heeft na het nemen van het besluit om daartegen op te
komen. Men moet dus binnen die zes weken meer in bezwaar/beroep. Echter, ook als de
bezwaar-/beroepsprocedure aanhangig is, kan men het geschil nog alternatief oplossen.
Zolang het bestuursorgaan of de rechter maar akkoord is. Als de onderhandelingen slagen,
wordt het conflict beëindigd door het sluiten van een meerzijdige overeenkomst, te zien als
vaststelingsovereenkomst in de zin van titel 7.15 BW.
, Aan het begin van de negentiende eeuw was in Nederland tegen bestuursbesluiten geen
beroep mogelijk bij een onafhankelijke rechter. Dit werd namelijk niet als taak van de rechter
gezien. Wel bestond onder omstandigheden de mogelijkheid van administratief beroe
(beroep bij de hogere overheidsinstantie). Men kond at instellen bij de gemeenteraad het
college van gedeputeerde staten of de Kroon. Rechtsbescherming in strikte zin was er niet;
het ene bestuursorgaan besloot over het besluit van het andere bestuursorgaan. Sinds 1861
konden door de Wet op de Raad van State bepaalde beslissingen van de Kroon op de bij hen
ingestelde administratieve beroepen worden voorbereid door de Raad van State (RvS).
Feitelijk fungeerde de RvS nu als een soort bestuursrechter, zij het dat de besluiten wel
bekrachtigd moeten worden door de Kroon. Het einde daarvan werd ingeluid in de zaak
Benthem. Daarin oordeelde het EHRM dat de Kroon geen onpartijdige en onafhankelijke
instantie is als vereist door art. 6 EVRM.
Sinds 1887 voorzag de Gw in de mogelijkheid van bestuursrechtspraak. Vanaf het begin van
de twintigste eeuw werden daarop een aantal gerechten ingesteld, waar tegen een beperkt
aantal bestuurshandelingen beroep kon worden ingesteld. Ondanks deze mogelijkheid en het
administratief beroep was voor een grote categorie bestuurshandelingen geen
beroepsmogelijkheid geregeld. De burgerlijke rechter zorgde daar voor aanvullende
rechtsbescherming.
Halverwege de vorige eeuw bestond voor bepaalde categorieën besluiten de mogelijkheid
om daartegen op te komen in een procedure bij het bestuur zelf (administratief beroep), bij
een bijzondere bestuursrechtelijke instantie (bijv. CRvB) of in belastinggeschillen bij een
bestuursrechter die deel uitmaakte van de rechterlijke macht (gerechtshoven en Hoge Raad).
In andere gevallen diende de civiele rechter benaderd te worden. In 1976 trad de Wet Arob
in werking. Sindsdien kon bij de Afdeling rechtspraak van de RvS beroep worden ingesteld
tegen iedere beschikking waartegen geen beroep bij een gespecialiseerde bestuursrechter of
administratief beroep mogelijk was. Sinds invoering van de Awb is dit versimpeld in de zin
dat tegen een besluit beroep bij de rechtbank kan worden ingesteld. Toch zijn er hier nog
diverse uitzonderingen op. Er zijn nog altijd meerdere hoger beroepsinstanties. Er zijn wel
pogingen tot versimpeling hiervan ondernomen, maar deze zijn tot nu toe gestrand.
Van belang is het onderscheid tussen handhaving van het objectieve recht en individuele
rechtsbescherming. Is het bestuursprocesrecht gericht op de individuele rechtsbescherming,
dan staat de bescherming van de individuele rechten van de rechtzoekende voorop. Staat de
handhaving van het objectieve recht centraal, dan is de primaire taak van de rechter om te
controleren of het bestuur conform het recht heeft gehandeld. De keuze voor het een of het
ander heeft gevolgen voor de inrichting van het bestuursprocesrecht.
Bij de invoering van de Awb is de keuze gemaakt voor individuele rechtsbescherming als
primaire doel. Dit was niet altijd al zo; er is een verschuiving geweest van handhaving van
het objectieve publiekrecht naar individuele rechtsbescherming. De nadruk lag vroeger ook
op het administratief beroep bij een bestuursorgaan. Datzelfde bestuur was van oudsher
belast met de handhaving van het objectieve recht.