rechtshandhaving
Probleem 1 – Historische en maatschappelijke
ontwikkelingen in de rechtshandhaving
Leerdoelen:
1. Wat is er sinds de jaren ’50 van de 20ste eeuw veranderd in het denken over en de aanpak van
criminaliteit en daders?
2. Hoe zijn deze ontwikkelingen te verklaren?
3. Wat betekenen deze ontwikkelingen voor de actoren en organisaties die zich bezig houden met de
bestrijding van criminaliteit en onveiligheid?
4. Welke actoren en instanties zijn in Nederland betrokken bij de bestrijding van criminaliteit en
onveiligheid?
Leerdoel 1: Wat is er sinds de jaren ’50 van de 20ste eeuw
veranderd in het denken over en de aanpak van criminaliteit en
daders?
Leerdoel 2: Hoe zijn deze ontwikkelingen te verklaren?
Zie Preventie en Bestraffing Leerdoel 1 tm 3
Leerdoel 3: Wat betekenen deze ontwikkelingen voor de actoren
en organisaties die zich bezig houden met de bestrijding van
criminaliteit en onveiligheid?
Terpstra J.B. et al (2021) Hypermodernisering, digitalisering en groeiende diversiteit.
Hoofddoel van het onderzoek
Het document onderzoekt hoe de Nederlandse politie in haar gebiedsgebonden werk omgaat met
grote maatschappelijke veranderingen, met name:
1. Digitalisering van de samenleving
2. Groeiende diversiteit naar herkomst (superdiversiteit)
Deze thema’s worden geplaatst in de context van bredere maatschappelijke transformaties – de
overgang van moderniteit naar hypermoderniteit.
2.1 Verandering van de moderne samenleving
Van moderniteit naar hypermoderniteit
,Sinds de jaren ’80-’90 groeide in de sociale wetenschappen het besef dat de moderne samenleving
fundamenteel veranderde. De traditionele overtuiging van lineaire vooruitgang en maakbaarheid
verloor aan geloofwaardigheid.
Instituten als de natiestaat, de industriële economie, het kerngezin en de verzuiling verloren hun
vanzelfsprekendheid. Burgers kregen meer vrijheid, maar ook meer onzekerheid en verlies aan
traditie en houvast. Bauman noemde dit de ‘vloeibare moderniteit’ – een tijd van flexibiliteit, maar
ook instabiliteit.
De periode van 1968–1973 (studentenprotesten en oliecrisis) wordt gezien als kantelpunt. In
Nederland leidde dat tot reflectie op gezag, rationaliteit en vooruitgang.
2.1.1 Hypermoderniteit: concepten en verklaringen
Wetenschappers debatteerden over de vraag of deze veranderingen een breuk (postmoderniteit) of
een voortzetting van moderniteit vormden.
Volgens auteurs als Giddens en Beck is geen sprake van een breuk, maar van een radicalisering van
moderniteit – een tweede moderniteit of hypermoderniteit. Instituties functioneren “te goed”,
waardoor ze onbedoelde effecten produceren die hun eigen fundamenten ondermijnen.
Belangrijke mechanismen volgens Giddens:
1. Time-space distanciation (=ontkoppeling): sociale relaties strekken zich uit over tijd en
ruimte (globalisering, digitalisering). Mensen kunnen met elkaar communiceren,
samenwerken of invloed uitoefenen zonder gelijktijdig of op dezelfde plek aanwezig te zijn.
2. Disembedding (=ontankering): instituties en relaties raken los van lokale contexten,
afhankelijkheid van abstracte systemen en experts groeit.
3. Reflexiviteit: individuen moeten voortdurend keuzes maken, wat leidt tot individualisering en
‘keuzedwang’.
Dit alles vergroot vrijheid, maar ook risico’s en ontologische (Ontologie gaat over wat bestaat, wat
werkelijkheid is, en hoe dingen in de werkelijkheid met elkaar samenhangen) onzekerheid (gevoel van
instabiliteit en angst).
Vertrouwen in instituties neemt af, en gevoelens van onveiligheid nemen toe – wat leidde tot
initiatieven als gebiedsgebonden politiewerk en lokale veiligheidszorg.
2.1.2 Flexibilisering, abstrahering, individualisering en fragmentering
De hypermoderne samenleving kenmerkt zich door vier processen:
1. Flexibilisering, waarbij werk, relaties en structuren steeds veranderlijker en minder vast zijn
2. Abstrahering, waarbij sociale verbanden losraken van hun lokale context en worden
vervangen door abstracte systemen zoals technologie en bureaucratie (=is een bestuursvorm
met vaste regels, procedures en hiërarchie, bedoeld om besluiten eerlijk en ordelijk te
nemen.)
3. Individualisering, waarbij mensen zelf verantwoordelijk worden voor hun keuzes, identiteit
en levensloop
2
, 4. Fragmentering, waarbij gemeenschappelijke normen en verbanden uiteenvallen en de
samenleving meer uiteenvalt in losse, geïsoleerde groepen en leefstijlen
Deze hangen samen met veranderingen in economie, overheid, digitalisering, wetenschap en cultuur.
Economie en arbeidsmarkt
Vanaf de jaren ’80: opkomst van neoliberalisme (marktwerking, deregulering, bezuinigingen,
privatisering).
Fordistische productie (=massaproductie met vaste taken, lopende bandwerk en
standaardproducten (zoals bij Ford)) maakt plaats voor flexibele modellen (toyotisering (=het
Japanse model met meer samenwerking, aanpassing en continue verbetering in het
productieproces), just-in-time (=betekent dat onderdelen precies op tijd worden geleverd en
gebruikt, zodat er geen voorraad nodig is)).
Arbeidsmarkt wordt precair (=onzeker/instabiel): tijdelijke contracten, arbeidsmigratie,
zzp’ers, flexwerk.
24/7-economie en digitalisering stimuleren consumentisme, individualisme en korte-
termijndenken.
Grenzen tussen formele en informele economie vervagen, waardoor ook criminaliteit beter
integreert in de ‘bovenwereld’.
Overheid en politiek
Natiestaat blijft relevant, ondanks internationalisering en privatisering.
Overheid krijgt te maken met hogere verwachtingen, maar dalend vertrouwen.
Overheidsrelaties met burgers worden afstandelijker en digitaler; burgers stellen zich
consumentistisch en veeleisend op.
Politiek landschap verandert: klassieke links-rechts-verdeling vervaagt, nieuwe thema’s
(identiteit, migratie, duurzaamheid) domineren.
Toename van polarisatie en mediatisering.
Beleid verschuift van multiculturaliteit naar assimilatie (=aanpassen aan de dominante
cultuur) en participatiesamenleving (=actief meedoen en bijdragen aan de samenleving).
Digitalisering
Versterkt globalisering en individualisering.
Schept nieuwe mogelijkheden voor communicatie, surveillance en informatieanalyse, maar
ook risico’s (privacy, controle, manipulatie).
Vormt een surveillance society (volgens Lyon) = een samenleving waarin mensen
voortdurend worden gevolgd en gecontroleerd door middel van digitale technologie.
Wetenschap en technologie
Het vertrouwen in wetenschap vermindert; wetenschappelijke kennis wordt gezien als “ook
maar een mening”.
3
, Tegelijk blijft de afhankelijkheid van wetenschap groot.
De coronacrisis toont die ambivalentie (=twee tegenstrijdige meningen): groot vertrouwen in
experts, maar ook veel scepsis en complottheorieën.
Wetenschap is tegelijk onmisbaar én ontoereikend om zekerheid te bieden.
Culturele ontwikkelingen
Burgers hebben meer vrijheid om identiteit en levensstijl te kiezen (hyperindividualisering).
Consumptiecultuur en zelfverwerkelijking staan centraal; beïnvloeders (“influencers”)
symboliseren deze logica.
Tradities verdwijnen, cultuur wordt pluriform, gefragmenteerd, vloeibaar.
Onder de oppervlakte blijven morele vragen en onzekerheden.
Onbehagen richt zich op thema’s als immigratie, integratie en samenleven.
Nieuwe culturele tegenstellingen (Zwarte Piet, boerenprotesten, 5G, windmolens) leiden tot
polarisatie – mede door sociale media.
Reacties
Opkomst van tegenbewegingen en verlangen naar nieuwe zekerheden en herwaardering van
de staat.
Crises (bankencrisis, coronacrisis) tonen dat de markt niet zonder overheid kan.
Verzet tegen bedrijfsmatige logica in publieke sector.
2.1.3 Gevolgen voor ongelijkheid en achterstand
Sinds de jaren ’80 groeit sociale ongelijkheid weer sterk.
Rijken worden rijker, armen armer (Piketty).
Vermogensongelijkheid neemt toe; collectieve structuren verdwijnen.
Hoger opleidingsniveau creëert nieuwe vormen van ongelijkheid: meer concurrentie,
ongelijkheid in cultureel kapitaal.
Hyperindividualisering treft ook lagere klassen; instituties zijn daar te zwak om tegendruk te
bieden.
Nieuwe oorzaken van armoede: ziekte, scheiding, schulden, migratie, dakloosheid.
Ongelijkheid correleert met lagere levensverwachting, meer gezondheidsproblemen en lager
sociaal vertrouwen, ook in politie en rechtspraak.
2.2 Digitalisering van de sociale werkelijkheid
2.2.1 De digitale samenleving
4