Europees strafrecht week 1
Literatuur
Institutional foundations of the European Union (H2)
Van de Europese Gemeenschap van Kolen en Staal naar de Europese Unie
In 1951 sloten Frankrijk, Duitsland, Italië, België, Nederland en Luxemburg het Verdrag tot oprichting
van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (Treaty establishing the European Coal and Steel
Community). Hierna werden het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap
(Treaty establishing the European Economic Community) en het Verdrag tot oprichting van de
Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Treaty establishing the European Atomic Energy
Community) gesloten (1957). Een afzonderlijke conventie richtte één rechtbank en één vergadering
op voor de drie gemeenschappen. In 1965 werd overeenstemming bereikt dat alle landen één
Commissie en één Council zouden hebben (Merger Treaty). In 1973 namen ook Denemarken, Ierland
en Engeland deel, in 1981 Griekeland en in 1986 Spanje en Portugal.
Pogingen om de EU bevoegdheden te geven op het gebied van het strafrecht en Europese
strafrechtelijke sancties in te voeren waren niet succesvol. Lidstaten wilden het strafrecht bij hun
eigen autoriteit houden. Zij gaven de voorkeur aan meer intensieve samenwerking in strafrechtelijke
zaken. Hun bezwaren waren met name gericht tegen het toekennen van meer bevoegdheden aan de
Commissie op het gebied van het materiële strafrecht.
In 1986 zijn de drie bestaande verdragen institutioneel hervormd (Single European Act). Het Verdrag
van Maastricht (Treaty of Maastricht on European Union) creëerde in 1992 een structuur van de
Europese Unie gebaseerd op drie pijlers. Hierdoor verkreeg de EU (Council i.p.v. Commission) ook
bevoegdheden op strafrechtelijk gebied. De lidstaten behielden controle over de intitiatieven met
betrekking tot het strafrecht. In 1995 traden Finland, Oostenrijk en Zweden toe.
Het Verdrag betreffende de Europese Unie is gewijzigd door het Verdrag van Amsterdam in 1997 en
het Verdrag van Nice in 2001. De EGKS hield op te bestaan 2002. In 2004 traden er nog tien landen
toe en werd de Grondwet voor Europa (The Constitution for Europe) aangenomen. Dit verdrag
creëerde een gemeenschappelijk institutioneel kader voor alle rechtsgebieden. Sommige landen
ratificeerden het wel, maar het verdrag is nooit in werking getreden. In 2007 werden ook Bulgarije en
Roemenië lidstaat.
Op 13 december 2007 werd het Verdrag van Lissabon gesloten, welke de inhoud van de verworpen
Grondwet bevatte. Sommige elementen zijn wel verdwenen (Europese vlag, volkslied en de term
Grondwet).
De Europese Unie is nu voornamelijk gesticht op basis van twee nieuwe verdragen:
1. Het verdrag van de Europese Unie (Treaty on European Union, TEU) Reguleert de
institutionele structuur van de Unie (afschaffing pijlerstructuur).
2. Het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (Treaty on the Functioning of the
European Union, TFEU) Voorheen Treaty on the Establishment of the European Communities.
Los van deze ontwikkelingen sloten sommige lidstaten verdragen op het gebied van samenwerking
bij strafrechtelijke zaken. Bijvoorbeeld Schengen Agreement (1985), Convention Implementing the
Schengen, CISA (1990) - Het verdrag van Amsterdam probeerde een deel van de CISA binnen de EU
te brengen, maar dit mislukte, Treaty of Prüm (2005). De initiatieven zijn later Unierecht geworden.
Op 31 januari 2020 verliet Engeland de EU, nu wel Trade and Cooperation Agreement between the
European Union and the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland (2021).
, Twee convergerende gebieden: de interne markt en het gebied van vrijheid, veiligheid en
rechtvaardigheid
Een nieuwe rechtsorde
De Europese Gemeenschap van 1957 had als doel interne grenzen te verwijderen en een interne
markt te creëren (Common Market) vrij verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal.
Het Unierecht creëerde een nieuwe rechtsorde, die een integraal onderdeel is geworden van de
rechtsstelsels van de lidstaten en die hun nationale rechtbanken verplicht zijn toe te passen,
onafhankelijk van de verschillende rechtsgebieden.
Unierecht is direct toepasbaar en volgt niet de interpretatieregels die gelden op andere gebieden,
zoals internationaal recht of nationaal recht. In Costa v. ENEL en Internationale Handelsgesellschaft
oordeelde het hof dat de toepassing van regels van nationaal recht het in de Verdragen vastgelegde
recht zijn onafhankelijke karakter zou ontnemen (Unierecht gaat boven nationale recht). De
subjecten van de nieuwe rechtsorde omvatten niet alleen de lidstaten, maar ook hun burgers.
Oprechte samenwerking
Volgens het principe van oprechte samenwerking (principle of sincere co-operation, principle of
loyalty, enforcement obligation) hebben lidstaten een algemene (positieve) verplichting om
Unierecht na te leven en af te dwingen. art. 4 lid 3 TEU. Als nationaal recht niet in
overeenstemming is met Unierecht, moeten de autoriteiten van de lidstaat maatregelen nemen.
Er zijn richtlijnen waardoor lidstaten het strafrecht soms moeten gebruiken om af te dwingen. De
eerste was Directive 2008/99, die zag op de bescherming van het milieu d.m.v. het strafrecht. Er zijn
verordeningen aangenomen om de samenwerking tussen lidstaten in strafrechtelijke zaken te
reguleren en voor de vestiging van de European Public Prosecutor’s Office (EPPO). Er zijn geen
verordeningen aangenomen die betrekking hebben op materieel strafrecht of strafprocesrecht.
De drie pijlers van Maastricht
In wetgeving en jurisprudentie zijn overblijfselen van de driepijlerstructuur van het Verdrag van
Maastricht zichtbaar. Elke pijler werd onderscheiden in de manier waarop wetgeving werd
aangenomen, het bindende effect en het monitoren van de naleving.
De pijlers:
1. Gemeenschapsrecht (Community law) met eigen rechtsorde;
2. Waar een gemeenschappelijk defensie- en buitenlands beleid vorm krijgt (relevant voor
sancties en boycotten);
3. Gebied van justitie en binnenlandse zaken (vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid). Hierbij
was strafrecht het belangrijkste handhavingsinstrument. Geen eigen rechtsorde, geen direct
effect. Het Hof bepaalde later dat het Unierecht hier ook moest worden afgedwongen
(Pupino). Hiermee bereidde het hof de convergentie van de pijlers voor.
Eén rechtsorde voor de Unie
Hoewel verschillen in oorsprong soms nog zichtbaar kunnen zijn, verdwijnen ze geleidelijk, als gevolg
van de jurisprudentie van het Hof en het Verdrag van Lissabon, dat één institutioneel kader creëert
dat hand in hand gaat met de volledige integratie van de interne markt en het gebied van vrijheid,
veiligheid en justitie. Dit heeft tot gevolg dat het handhavingsmechanisme van toepassing is op alle
rechtsgebieden. Het principe van oprechte samenwerking reguleert nu alle rechtsgebieden.
De TFEU organiseert de werking van de Unie. Het bepaalt de gebieden waarbinnen de Unie haar
bevoegdheden uitoefent, de afbakening daarvan en de regelingen voor de uitoefening ervan (art. 1
lid 1 TFEU).
Literatuur
Institutional foundations of the European Union (H2)
Van de Europese Gemeenschap van Kolen en Staal naar de Europese Unie
In 1951 sloten Frankrijk, Duitsland, Italië, België, Nederland en Luxemburg het Verdrag tot oprichting
van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (Treaty establishing the European Coal and Steel
Community). Hierna werden het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap
(Treaty establishing the European Economic Community) en het Verdrag tot oprichting van de
Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Treaty establishing the European Atomic Energy
Community) gesloten (1957). Een afzonderlijke conventie richtte één rechtbank en één vergadering
op voor de drie gemeenschappen. In 1965 werd overeenstemming bereikt dat alle landen één
Commissie en één Council zouden hebben (Merger Treaty). In 1973 namen ook Denemarken, Ierland
en Engeland deel, in 1981 Griekeland en in 1986 Spanje en Portugal.
Pogingen om de EU bevoegdheden te geven op het gebied van het strafrecht en Europese
strafrechtelijke sancties in te voeren waren niet succesvol. Lidstaten wilden het strafrecht bij hun
eigen autoriteit houden. Zij gaven de voorkeur aan meer intensieve samenwerking in strafrechtelijke
zaken. Hun bezwaren waren met name gericht tegen het toekennen van meer bevoegdheden aan de
Commissie op het gebied van het materiële strafrecht.
In 1986 zijn de drie bestaande verdragen institutioneel hervormd (Single European Act). Het Verdrag
van Maastricht (Treaty of Maastricht on European Union) creëerde in 1992 een structuur van de
Europese Unie gebaseerd op drie pijlers. Hierdoor verkreeg de EU (Council i.p.v. Commission) ook
bevoegdheden op strafrechtelijk gebied. De lidstaten behielden controle over de intitiatieven met
betrekking tot het strafrecht. In 1995 traden Finland, Oostenrijk en Zweden toe.
Het Verdrag betreffende de Europese Unie is gewijzigd door het Verdrag van Amsterdam in 1997 en
het Verdrag van Nice in 2001. De EGKS hield op te bestaan 2002. In 2004 traden er nog tien landen
toe en werd de Grondwet voor Europa (The Constitution for Europe) aangenomen. Dit verdrag
creëerde een gemeenschappelijk institutioneel kader voor alle rechtsgebieden. Sommige landen
ratificeerden het wel, maar het verdrag is nooit in werking getreden. In 2007 werden ook Bulgarije en
Roemenië lidstaat.
Op 13 december 2007 werd het Verdrag van Lissabon gesloten, welke de inhoud van de verworpen
Grondwet bevatte. Sommige elementen zijn wel verdwenen (Europese vlag, volkslied en de term
Grondwet).
De Europese Unie is nu voornamelijk gesticht op basis van twee nieuwe verdragen:
1. Het verdrag van de Europese Unie (Treaty on European Union, TEU) Reguleert de
institutionele structuur van de Unie (afschaffing pijlerstructuur).
2. Het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (Treaty on the Functioning of the
European Union, TFEU) Voorheen Treaty on the Establishment of the European Communities.
Los van deze ontwikkelingen sloten sommige lidstaten verdragen op het gebied van samenwerking
bij strafrechtelijke zaken. Bijvoorbeeld Schengen Agreement (1985), Convention Implementing the
Schengen, CISA (1990) - Het verdrag van Amsterdam probeerde een deel van de CISA binnen de EU
te brengen, maar dit mislukte, Treaty of Prüm (2005). De initiatieven zijn later Unierecht geworden.
Op 31 januari 2020 verliet Engeland de EU, nu wel Trade and Cooperation Agreement between the
European Union and the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland (2021).
, Twee convergerende gebieden: de interne markt en het gebied van vrijheid, veiligheid en
rechtvaardigheid
Een nieuwe rechtsorde
De Europese Gemeenschap van 1957 had als doel interne grenzen te verwijderen en een interne
markt te creëren (Common Market) vrij verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal.
Het Unierecht creëerde een nieuwe rechtsorde, die een integraal onderdeel is geworden van de
rechtsstelsels van de lidstaten en die hun nationale rechtbanken verplicht zijn toe te passen,
onafhankelijk van de verschillende rechtsgebieden.
Unierecht is direct toepasbaar en volgt niet de interpretatieregels die gelden op andere gebieden,
zoals internationaal recht of nationaal recht. In Costa v. ENEL en Internationale Handelsgesellschaft
oordeelde het hof dat de toepassing van regels van nationaal recht het in de Verdragen vastgelegde
recht zijn onafhankelijke karakter zou ontnemen (Unierecht gaat boven nationale recht). De
subjecten van de nieuwe rechtsorde omvatten niet alleen de lidstaten, maar ook hun burgers.
Oprechte samenwerking
Volgens het principe van oprechte samenwerking (principle of sincere co-operation, principle of
loyalty, enforcement obligation) hebben lidstaten een algemene (positieve) verplichting om
Unierecht na te leven en af te dwingen. art. 4 lid 3 TEU. Als nationaal recht niet in
overeenstemming is met Unierecht, moeten de autoriteiten van de lidstaat maatregelen nemen.
Er zijn richtlijnen waardoor lidstaten het strafrecht soms moeten gebruiken om af te dwingen. De
eerste was Directive 2008/99, die zag op de bescherming van het milieu d.m.v. het strafrecht. Er zijn
verordeningen aangenomen om de samenwerking tussen lidstaten in strafrechtelijke zaken te
reguleren en voor de vestiging van de European Public Prosecutor’s Office (EPPO). Er zijn geen
verordeningen aangenomen die betrekking hebben op materieel strafrecht of strafprocesrecht.
De drie pijlers van Maastricht
In wetgeving en jurisprudentie zijn overblijfselen van de driepijlerstructuur van het Verdrag van
Maastricht zichtbaar. Elke pijler werd onderscheiden in de manier waarop wetgeving werd
aangenomen, het bindende effect en het monitoren van de naleving.
De pijlers:
1. Gemeenschapsrecht (Community law) met eigen rechtsorde;
2. Waar een gemeenschappelijk defensie- en buitenlands beleid vorm krijgt (relevant voor
sancties en boycotten);
3. Gebied van justitie en binnenlandse zaken (vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid). Hierbij
was strafrecht het belangrijkste handhavingsinstrument. Geen eigen rechtsorde, geen direct
effect. Het Hof bepaalde later dat het Unierecht hier ook moest worden afgedwongen
(Pupino). Hiermee bereidde het hof de convergentie van de pijlers voor.
Eén rechtsorde voor de Unie
Hoewel verschillen in oorsprong soms nog zichtbaar kunnen zijn, verdwijnen ze geleidelijk, als gevolg
van de jurisprudentie van het Hof en het Verdrag van Lissabon, dat één institutioneel kader creëert
dat hand in hand gaat met de volledige integratie van de interne markt en het gebied van vrijheid,
veiligheid en justitie. Dit heeft tot gevolg dat het handhavingsmechanisme van toepassing is op alle
rechtsgebieden. Het principe van oprechte samenwerking reguleert nu alle rechtsgebieden.
De TFEU organiseert de werking van de Unie. Het bepaalt de gebieden waarbinnen de Unie haar
bevoegdheden uitoefent, de afbakening daarvan en de regelingen voor de uitoefening ervan (art. 1
lid 1 TFEU).