Samenvatting Methodologie van sociaal-
wetenschappelijk onderzoek
Hoorcolleges & literatuur
Deeltoets 1: Week 1- 28 oktober 2025
College 1
1. Live geheugen onderzoek en rol van theorie in onderzoek
Deductieve benadering (Deductive approach)
Theorie → Observatie/ Bevindingen
- Je vertrekt vanuit een bestaande theorie.
- Je leidt een hypothese af uit die theorie.
- Daarna toets je die hypothese met behulp van gegevens.
Voorbeeld:
- Groep 1: woorden staan gestructureerd per categorie.
- Groep 2: woorden zijn gehusseld.
Omdat eerdere theorie al stelt dat gestructureerde informatie beter wordt onthouden,
verwacht de onderzoeker dat groep 1 meer woorden onthoudt.
Inductieve benadering (Inductive approach)
Observatie/ Bevindingen → Theorie
- Je verzamelt en analyseert gegevens zonder vooraf vaststaande theorie.
- Uit de bevindingen ontwikkel je nieuwe inzichten of theorieën.
Voorbeeld:
Je observeert hoe mensen woorden leren en ontdekt achteraf dat ze beter onthouden wanneer
woorden geordend zijn
2. Filosofische uitgangspunten: ontologie en epistemologie
Filosofische uitgangspunten
Niet alle onderzoeksmethoden zijn op dezelfde manier ‘wetenschappelijk’. Er
bestaan meningsverschillen over wat ware kennis is en hoe we die kunnen verkrijgen. Daarom is het
belangrijk om de verschillende benaderingen en aannames te begrijpen. Je epistemologische
opvatting (idee over kennis) beïnvloedt namelijk je keuzes tijdens het onderzoeksproces.
Ontologie (zijnsleer)
Wat is de fundamentele aard van de sociale werkelijkheid?
1
,Centrale tegenstelling:
“Whether social entities can and should be considered as objective entities that exist separately to
social actors [= objectivisme]
“Whether they can and should be considered social constructions (...) built up from the perceptions
and actions of social actors [= constructivisme]”
Epistemologie (kennisleer)
Hoe kunnen we de wereld kennen? Wat is aanvaardbare kennis? Kortom: how to obtain knowledge
of the social world?
Popper (objectivistisch/ realistisch):
Volgens Popper kunnen wetenschappelijke theorieën met elkaar worden vergeleken en getoetst aan
de harde feiten van de werkelijkheid. Door onjuiste theorieën te verwerpen en beter passende
theorieën te behouden, kunnen we stap voor stap dichter bij de waarheid komen. Deze visie sluit aan
bij het realisme: het idee dat we kennis kunnen vergaren over een werkelijkheid die echt bestaat en
dat een goede wetenschappelijke theorie die werkelijkheid min of meer beschrijft. Popper wijst echter
op het inductieprobleem — één bevestigende observatie bewijst een theorie niet. Zijn oplossing
hiervoor is falsificatie: het actief proberen weerleggen van theorieën om kennis betrouwbaarder te
maken.
Kuhn’s (constructivistisch):
Volgens Kuhn ontwikkelt wetenschap zich binnen paradigma’s — denkkaders of perspectieven die
bepalen hoe wetenschappers de werkelijkheid begrijpen en onderzoeken. Het ene paradigma is
volgens hem niet beter dan het andere, omdat ze incommensurable zijn, wat betekent dat ze
onderling onverenigbaar zijn en niet met elkaar kunnen worden vergeleken op basis van objectieve
maatstaven. Een paradigmawisseling leidt dan ook niet tot meer of betere kennis van ‘de waarheid’,
maar tot een andere manier van kijken naar de werkelijkheid. “The competition between paradigms
is not the sort of battle that can be resolved by proofs” (Kuhn)
Voorbeelden van paradigma-wisselingen:
- De Copernicaanse revolutie: Het idee dat de aarde niet het centrum van het universum is,
maar dat de zon in het middelpunt staat; dit veranderde volledig het wereldbeeld in de
astronomie.
- Darwin’s evolutietheorie: Het inzicht dat soorten evolueren door natuurlijke selectie, in
plaats van dat ze onveranderlijk zijn; dit leidde tot een nieuw biologisch denkkader.
- Continentale drift-theorie: Wegener stelde dat continenten verschuiven over de aardkorst;
zijn theorie werd eerder afgewezen en vereiste een volledig herzien van bestaande
geologische inzichten.
“If we are to believe in Wegener’s hypothesis we must forget everything which has been learned in
the past 70 years and start all over again” Chamberlin (1928)
2
, 3. Begrijpen en verklaren: positivistische en interpretatieve sociale wetenschap
Sociale wetenschappen: pre-paradigmatisch:
In de sociale wetenschappen bestaat nog geen volledige overeenstemming over epistemologische
veronderstellingen, waardoor er geen eenduidige visie is op hoe onderzoek moet worden uitgevoerd.
Twee ideaaltypische benaderingen om kennis over de sociale werkelijkheid te vergaren:
(1) Positivistische school: verklaren van sociale feiten en objectief observeerbare verschijnselen
(Erklären)
(2) Interpretatieve school: begrijpen van menselijk handelen (Verstehen)
3
, 4. Twee benaderingen: kwantitatief en kwalitatief onderzoek
Kwantitatief: richt zich op cijfers en meetbare gegevens om patronen of verbanden te vinden
- Objectivisme
- Positivistisch
- Deductie
Kwalitatief: richt zich op betekenissen, ervaringen en belevingen om diepgaand inzicht te krijgen
- Constructivisme
- Interpretatief
- Nadruk op inductie
Opbouw onderzoeksopzet
Onderzoeksbenadering (research strategy)
- General oriëntation tot het uitvoeren van sociaal onderzoek.
- Beïnvloedt je onderzoeksvraag: wil je iets verklaren of begrijpen?
- Bepaalt de algemene denkrichting en het kader waarbinnen je onderzoek plaatsvindt.
Onderzoeksontwerp (research design)
- Concreet plan van aanpak voor de uitvoering van het onderzoek.
- Beschrijft de stappen, procedures en structuur van het onderzoek.
- Zorgt dat het onderzoek systematisch, gestructureerd en reproduceerbaar is.
- Voorbeelden: experimenteel ontwerp, survey-onderzoek, case study.
Onderzoeksmethode (research method)
- De manier waarop gegevens verzameld en geanalyseerd worden.
- Kwantitatief voorbeeld: survey; grootschalig en gestandaardiseerd, gericht op meetbare
gegevens.
- Kwalitatief voorbeeld: diepte-interviews; kleinschalig, flexibel en gericht op begrijpen van
ervaringen en betekenissen
4
wetenschappelijk onderzoek
Hoorcolleges & literatuur
Deeltoets 1: Week 1- 28 oktober 2025
College 1
1. Live geheugen onderzoek en rol van theorie in onderzoek
Deductieve benadering (Deductive approach)
Theorie → Observatie/ Bevindingen
- Je vertrekt vanuit een bestaande theorie.
- Je leidt een hypothese af uit die theorie.
- Daarna toets je die hypothese met behulp van gegevens.
Voorbeeld:
- Groep 1: woorden staan gestructureerd per categorie.
- Groep 2: woorden zijn gehusseld.
Omdat eerdere theorie al stelt dat gestructureerde informatie beter wordt onthouden,
verwacht de onderzoeker dat groep 1 meer woorden onthoudt.
Inductieve benadering (Inductive approach)
Observatie/ Bevindingen → Theorie
- Je verzamelt en analyseert gegevens zonder vooraf vaststaande theorie.
- Uit de bevindingen ontwikkel je nieuwe inzichten of theorieën.
Voorbeeld:
Je observeert hoe mensen woorden leren en ontdekt achteraf dat ze beter onthouden wanneer
woorden geordend zijn
2. Filosofische uitgangspunten: ontologie en epistemologie
Filosofische uitgangspunten
Niet alle onderzoeksmethoden zijn op dezelfde manier ‘wetenschappelijk’. Er
bestaan meningsverschillen over wat ware kennis is en hoe we die kunnen verkrijgen. Daarom is het
belangrijk om de verschillende benaderingen en aannames te begrijpen. Je epistemologische
opvatting (idee over kennis) beïnvloedt namelijk je keuzes tijdens het onderzoeksproces.
Ontologie (zijnsleer)
Wat is de fundamentele aard van de sociale werkelijkheid?
1
,Centrale tegenstelling:
“Whether social entities can and should be considered as objective entities that exist separately to
social actors [= objectivisme]
“Whether they can and should be considered social constructions (...) built up from the perceptions
and actions of social actors [= constructivisme]”
Epistemologie (kennisleer)
Hoe kunnen we de wereld kennen? Wat is aanvaardbare kennis? Kortom: how to obtain knowledge
of the social world?
Popper (objectivistisch/ realistisch):
Volgens Popper kunnen wetenschappelijke theorieën met elkaar worden vergeleken en getoetst aan
de harde feiten van de werkelijkheid. Door onjuiste theorieën te verwerpen en beter passende
theorieën te behouden, kunnen we stap voor stap dichter bij de waarheid komen. Deze visie sluit aan
bij het realisme: het idee dat we kennis kunnen vergaren over een werkelijkheid die echt bestaat en
dat een goede wetenschappelijke theorie die werkelijkheid min of meer beschrijft. Popper wijst echter
op het inductieprobleem — één bevestigende observatie bewijst een theorie niet. Zijn oplossing
hiervoor is falsificatie: het actief proberen weerleggen van theorieën om kennis betrouwbaarder te
maken.
Kuhn’s (constructivistisch):
Volgens Kuhn ontwikkelt wetenschap zich binnen paradigma’s — denkkaders of perspectieven die
bepalen hoe wetenschappers de werkelijkheid begrijpen en onderzoeken. Het ene paradigma is
volgens hem niet beter dan het andere, omdat ze incommensurable zijn, wat betekent dat ze
onderling onverenigbaar zijn en niet met elkaar kunnen worden vergeleken op basis van objectieve
maatstaven. Een paradigmawisseling leidt dan ook niet tot meer of betere kennis van ‘de waarheid’,
maar tot een andere manier van kijken naar de werkelijkheid. “The competition between paradigms
is not the sort of battle that can be resolved by proofs” (Kuhn)
Voorbeelden van paradigma-wisselingen:
- De Copernicaanse revolutie: Het idee dat de aarde niet het centrum van het universum is,
maar dat de zon in het middelpunt staat; dit veranderde volledig het wereldbeeld in de
astronomie.
- Darwin’s evolutietheorie: Het inzicht dat soorten evolueren door natuurlijke selectie, in
plaats van dat ze onveranderlijk zijn; dit leidde tot een nieuw biologisch denkkader.
- Continentale drift-theorie: Wegener stelde dat continenten verschuiven over de aardkorst;
zijn theorie werd eerder afgewezen en vereiste een volledig herzien van bestaande
geologische inzichten.
“If we are to believe in Wegener’s hypothesis we must forget everything which has been learned in
the past 70 years and start all over again” Chamberlin (1928)
2
, 3. Begrijpen en verklaren: positivistische en interpretatieve sociale wetenschap
Sociale wetenschappen: pre-paradigmatisch:
In de sociale wetenschappen bestaat nog geen volledige overeenstemming over epistemologische
veronderstellingen, waardoor er geen eenduidige visie is op hoe onderzoek moet worden uitgevoerd.
Twee ideaaltypische benaderingen om kennis over de sociale werkelijkheid te vergaren:
(1) Positivistische school: verklaren van sociale feiten en objectief observeerbare verschijnselen
(Erklären)
(2) Interpretatieve school: begrijpen van menselijk handelen (Verstehen)
3
, 4. Twee benaderingen: kwantitatief en kwalitatief onderzoek
Kwantitatief: richt zich op cijfers en meetbare gegevens om patronen of verbanden te vinden
- Objectivisme
- Positivistisch
- Deductie
Kwalitatief: richt zich op betekenissen, ervaringen en belevingen om diepgaand inzicht te krijgen
- Constructivisme
- Interpretatief
- Nadruk op inductie
Opbouw onderzoeksopzet
Onderzoeksbenadering (research strategy)
- General oriëntation tot het uitvoeren van sociaal onderzoek.
- Beïnvloedt je onderzoeksvraag: wil je iets verklaren of begrijpen?
- Bepaalt de algemene denkrichting en het kader waarbinnen je onderzoek plaatsvindt.
Onderzoeksontwerp (research design)
- Concreet plan van aanpak voor de uitvoering van het onderzoek.
- Beschrijft de stappen, procedures en structuur van het onderzoek.
- Zorgt dat het onderzoek systematisch, gestructureerd en reproduceerbaar is.
- Voorbeelden: experimenteel ontwerp, survey-onderzoek, case study.
Onderzoeksmethode (research method)
- De manier waarop gegevens verzameld en geanalyseerd worden.
- Kwantitatief voorbeeld: survey; grootschalig en gestandaardiseerd, gericht op meetbare
gegevens.
- Kwalitatief voorbeeld: diepte-interviews; kleinschalig, flexibel en gericht op begrijpen van
ervaringen en betekenissen
4