Samenvatting van de hoofdstukken voor de toets 13 juni
H7:
7.1
Het geheugen is het vermogen om informatie op te slaan en op te halen. het
opslaan van een herinnering/ervaring die je op een later moment kan gebruiken.
Om het geheugen te testen wordt vaak gebruikt van patiënten met hersenletsel,
HM Henry Molaison. Bij hem zijn delen van zijn hersenen weggehaald,
voorkomen aanvallen. Hij had Amnesie, dit houdt in dat je niet het vermogen
hebt om grote hoeveelheden informatie uit je geheugen op te halen. Dit soort
hersenletsel heeft 2 vormen: retrograde amnesie (mensen verliezen dan
herinneringen van gebeurtenissen, feiten, mensen of persoonlijke informatie) en
anterograde amnesie (dan kunnen ze geen nieuwe herinneringen vormen). De
hippocampus die is belangrijk om nieuwe herinneringen op te slaan aan
gebeurtenissen. Aan de ene kant zitten er onbewuste, impliciet geheugen,
herinneringen en aan de andere kant zitten de bewuste, expliciet geheugen,
herinneringen.
7.2
Vaardige en doelgericht gedragingen die automatisch worden, ook wel weten hoe
je iets moet doen, wordt procedureel geheugen genoemd. Dit heeft te maken met
als je iets geleerd hebt dat je het daarna altijd zult kunnen, fietsen of lezen. Over
priming wordt er gezegd dat deze perceptueel, reactie op dezelfde stimulus
mogelijk wordt gemaakt of conceptueel, reactie op een gerelateerde stimulus
mogelijk wordt gemaakt.
7.3
Expliciete herinneringen, ookwel declaratieve herinneringen. Endel Tulving zei dat
het expliciet geheugen kan worden verdeeld in 2 soorten geheugen: episodisch
geheugen, zijn iemands herinnering aan eerdere ervaringen die gebonden
worden aan een tijdstip en plaats en het semantische geheugen, kennis van
concepten, categorieën en feiten, onafhankelijke ervaringen. De hippocampus (bij
episodische herinneringen) vormt verbindingen tussen de verschillende
opslagplaatsen en stuurt vervolgens versterking van de verbindingen tussen
verbindingen aan. Stadia van het geheugen is codering (herinnering wordt
ontvangen) opslag (herinnering wordt gevormd en bewaard) ophalen.
7.4
Codering is het proces waarbij de waarneming wordt omgezet in een herinnering.
Een factor die het succes van codering beïnvloedt is de mate waarin de
informatie die je moet onthouden gebruik maakt van de kennisstructuren in je
hersenen. Dual-coding, zegt dat verbaal en visuele informatie makkelijker te
onthouden is.
7.5
, Een andere factor die kan meespelen is de diepte van de mentale verwerking. 2
psychologen zeiden hoe dieper een item is gecodeerd hoe meer betekenis hij
heeft hoe beter hij wordt onthouden. Door oefenen kan je het beter onthouden,
onderhoudsrepetitie (het herhalen van het item) of uitgebreide repetitie
(codering van de informatie op betekenisvollere manieren). Schema’s zijn
cognitieve structuren in je semantische geheugen die helpen informatie waar te
nemen, ordenen, begrijpen en gebruiken. Met deze schema’s vullen we gaten in
bij bestaande herinneringen met nieuwe herinneringen. Door informatie te
koppelen aan bestaande kennis, kunnen schema’s de betekenis versterken.
7.6
Het coderen van geheugen ondersteunen kan door te chunken, dit is een proces
waarbij de informatie wordt opgedeeld in betekenisvolle eenheden. Om je
geheugen te verbeteren kun je gebruik maken van Mnemoica, dit is een
leermiddel. Je ordent hierbij de binnenkomende informatie door deze te koppelen
aan bestaande kennisstructuren. Locimethode heeft te maken met de
mnemonische strategie waarbij je items koppelt aan locaties.
7.7
3 geheugenopslagsystemen: sensorisch geheugen, is een tijdelijk systeem dat
nauw verbonden is met je zintuigen (het visuele sensorische geheugen, iconisch
geheugen)(het auditieve sensorische geheugen, echoïsch geheugen). Dit
geheugen zorgt er ook voor dat wij dingen niet als iets los zien, maar het zorgt
dat we de wereld ervaren als continue stroom.
7.8
Als we ergens aandacht aan besteden gaat de informatie van het sensorische
geheugen naar kortetermijngeheugen. Het is een actief geheugenproces dat met
meerdere soorten informatie omgaat. Daarom wordt het ook wel het
werkgeheugen genoemd, dit verwerkt meerder stukjes informatie uit
verschillende bronnen. het werkgeheugen duurt zolang als jij het blijft herhalen,
anders stopt hij ermee. Nieuwe dingen belemmeren het herinneren van oude
dingen, omdat er maar een bepaalde hoeveelheid informatie in het
werkgeheugen kan zijn. Dit limiet is 7 (plus of min 2), wat door chunking wel
meer kan zijn. Deze capaciteit neemt toe naarmate kinderen zich ontwikkelen en
neemt weer af met de leeftijd.
7.9
Het langetermijngeheugen kan een minuut tot eeuwig meegaan en heeft geen
limiet als het gaat over capaciteit. Dit is ook verschillend met het werkgeheugen.
Seriële positie-effect, houdt in dat items die vroeg of laat worden gepresenteerd,
worden beter onthouden dan items in het midden. Dit bestaat uit 2 effecten:
primacy-effect (betere geheugen voor dingen die aan het begin worden gezegd)
en recency-effect (betere geheugen voor dingen die recent gezegd zijn, aan het
einde). De eerst genoemde dingen zitten in het langetermijngeheugen door
herhaling en de laatste paar dingen zitten in het werkgeheugen. Vertragingen
zullen ook alleen het recency-effect aantasten.
H7:
7.1
Het geheugen is het vermogen om informatie op te slaan en op te halen. het
opslaan van een herinnering/ervaring die je op een later moment kan gebruiken.
Om het geheugen te testen wordt vaak gebruikt van patiënten met hersenletsel,
HM Henry Molaison. Bij hem zijn delen van zijn hersenen weggehaald,
voorkomen aanvallen. Hij had Amnesie, dit houdt in dat je niet het vermogen
hebt om grote hoeveelheden informatie uit je geheugen op te halen. Dit soort
hersenletsel heeft 2 vormen: retrograde amnesie (mensen verliezen dan
herinneringen van gebeurtenissen, feiten, mensen of persoonlijke informatie) en
anterograde amnesie (dan kunnen ze geen nieuwe herinneringen vormen). De
hippocampus die is belangrijk om nieuwe herinneringen op te slaan aan
gebeurtenissen. Aan de ene kant zitten er onbewuste, impliciet geheugen,
herinneringen en aan de andere kant zitten de bewuste, expliciet geheugen,
herinneringen.
7.2
Vaardige en doelgericht gedragingen die automatisch worden, ook wel weten hoe
je iets moet doen, wordt procedureel geheugen genoemd. Dit heeft te maken met
als je iets geleerd hebt dat je het daarna altijd zult kunnen, fietsen of lezen. Over
priming wordt er gezegd dat deze perceptueel, reactie op dezelfde stimulus
mogelijk wordt gemaakt of conceptueel, reactie op een gerelateerde stimulus
mogelijk wordt gemaakt.
7.3
Expliciete herinneringen, ookwel declaratieve herinneringen. Endel Tulving zei dat
het expliciet geheugen kan worden verdeeld in 2 soorten geheugen: episodisch
geheugen, zijn iemands herinnering aan eerdere ervaringen die gebonden
worden aan een tijdstip en plaats en het semantische geheugen, kennis van
concepten, categorieën en feiten, onafhankelijke ervaringen. De hippocampus (bij
episodische herinneringen) vormt verbindingen tussen de verschillende
opslagplaatsen en stuurt vervolgens versterking van de verbindingen tussen
verbindingen aan. Stadia van het geheugen is codering (herinnering wordt
ontvangen) opslag (herinnering wordt gevormd en bewaard) ophalen.
7.4
Codering is het proces waarbij de waarneming wordt omgezet in een herinnering.
Een factor die het succes van codering beïnvloedt is de mate waarin de
informatie die je moet onthouden gebruik maakt van de kennisstructuren in je
hersenen. Dual-coding, zegt dat verbaal en visuele informatie makkelijker te
onthouden is.
7.5
, Een andere factor die kan meespelen is de diepte van de mentale verwerking. 2
psychologen zeiden hoe dieper een item is gecodeerd hoe meer betekenis hij
heeft hoe beter hij wordt onthouden. Door oefenen kan je het beter onthouden,
onderhoudsrepetitie (het herhalen van het item) of uitgebreide repetitie
(codering van de informatie op betekenisvollere manieren). Schema’s zijn
cognitieve structuren in je semantische geheugen die helpen informatie waar te
nemen, ordenen, begrijpen en gebruiken. Met deze schema’s vullen we gaten in
bij bestaande herinneringen met nieuwe herinneringen. Door informatie te
koppelen aan bestaande kennis, kunnen schema’s de betekenis versterken.
7.6
Het coderen van geheugen ondersteunen kan door te chunken, dit is een proces
waarbij de informatie wordt opgedeeld in betekenisvolle eenheden. Om je
geheugen te verbeteren kun je gebruik maken van Mnemoica, dit is een
leermiddel. Je ordent hierbij de binnenkomende informatie door deze te koppelen
aan bestaande kennisstructuren. Locimethode heeft te maken met de
mnemonische strategie waarbij je items koppelt aan locaties.
7.7
3 geheugenopslagsystemen: sensorisch geheugen, is een tijdelijk systeem dat
nauw verbonden is met je zintuigen (het visuele sensorische geheugen, iconisch
geheugen)(het auditieve sensorische geheugen, echoïsch geheugen). Dit
geheugen zorgt er ook voor dat wij dingen niet als iets los zien, maar het zorgt
dat we de wereld ervaren als continue stroom.
7.8
Als we ergens aandacht aan besteden gaat de informatie van het sensorische
geheugen naar kortetermijngeheugen. Het is een actief geheugenproces dat met
meerdere soorten informatie omgaat. Daarom wordt het ook wel het
werkgeheugen genoemd, dit verwerkt meerder stukjes informatie uit
verschillende bronnen. het werkgeheugen duurt zolang als jij het blijft herhalen,
anders stopt hij ermee. Nieuwe dingen belemmeren het herinneren van oude
dingen, omdat er maar een bepaalde hoeveelheid informatie in het
werkgeheugen kan zijn. Dit limiet is 7 (plus of min 2), wat door chunking wel
meer kan zijn. Deze capaciteit neemt toe naarmate kinderen zich ontwikkelen en
neemt weer af met de leeftijd.
7.9
Het langetermijngeheugen kan een minuut tot eeuwig meegaan en heeft geen
limiet als het gaat over capaciteit. Dit is ook verschillend met het werkgeheugen.
Seriële positie-effect, houdt in dat items die vroeg of laat worden gepresenteerd,
worden beter onthouden dan items in het midden. Dit bestaat uit 2 effecten:
primacy-effect (betere geheugen voor dingen die aan het begin worden gezegd)
en recency-effect (betere geheugen voor dingen die recent gezegd zijn, aan het
einde). De eerst genoemde dingen zitten in het langetermijngeheugen door
herhaling en de laatste paar dingen zitten in het werkgeheugen. Vertragingen
zullen ook alleen het recency-effect aantasten.