Werkgroep 5: Fiscale Eenheid en Verliesverrekening
Oefenopgave
Uitwerking:
1. Fiscale eenheid tussen X, Y en Z
Een fiscale eenheid is mogelijk tussen X en Y en tussen Y en Z, maar niet met z’n drieën
samen. Op grond van art. 15 lid 1 Wet Vpb is een belang van ten minste 95% vereist. X houdt
dit belang niet middellijk in Z. Art. 15 lid 3 Wet Vpb bepaalt dat het middellijk belang in Z
wordt toegerekend aan Y, maar niet aan X. Daarom kan alleen X–Y of Y–Z een FE vormen.
2. X GmbH en Y BV
Hoewel X GmbH buitenlands belastingplichtig is, kan toch een fiscale eenheid worden
gevormd met Y BV, voor zover het de Nederlandse vaste inrichting (VI) betreft.
Op grond van art. 15 lid 8 Wet Vpb kan een buitenlands lichaam met een rechtsvorm
vergelijkbaar met een BV, en met een VI in Nederland, deelnemen aan een fiscale eenheid.
De uitsluiting voor topmaatschappijen uit lid 5 sub c wordt hier doorbroken. X GmbH geldt
als moedermaatschappij; in de FE wordt alleen het aan de VI toerekenbare deel betrokken.
3. Fiscale eenheid tussen B en C (zusjes-FE)
Ja, B en C kunnen samen een fiscale eenheid vormen op grond van art. 15 lid 2 Wet Vpb
(zusjes-FE).
Via art. 15 lid 3 Wet Vpb wordt het middellijk gehouden belang toegerekend aan de
topmaatschappij X, waarbij A, Y en Z kwalificeren als tussenmaatschappijen (lid 5). X wordt
daardoor geacht 100% van B en C te houden. B of C mag worden aangewezen als
moedermaatschappij; die keuze is vrij, maar kan fiscale gevolgen hebben.
, 4. X BV – Y BV met een STAK
Nee, er kan geen fiscale eenheid worden gevormd.
Bij een STAK ligt de juridische eigendom bij de stichting en de economische eigendom bij X
BV. Voor een fiscale eenheid vereist art. 15 Wet Vpb dat beide bij dezelfde belastingplichtige
liggen. Omdat X BV alleen het economisch belang heeft, ontbreekt een essentiële
voorwaarde.
5. Voeging en ontvoeging in hetzelfde jaar
Er is geen fiscale eenheid tot stand gekomen.
Z BV wordt opgericht per 1 februari, gevoegd per 2 februari en ontvoegd per 1 augustus. Art.
15 lid 11 Wet Vpb bevat een fictie dat geen FE ontstaat als voeging en ontvoeging in
hetzelfde boekjaar plaatsvinden, om te voorkomen dat meerdere boekjaren/aangiften
ontstaan.
Materieel hadden X, Y en Z hetzelfde resultaat kunnen bereiken door één dag eerder te
voegen, namelijk op 1 februari (begin van het boekjaar); dan zou lid 11 niet van toepassing
zijn geweest.
, Opgave 1a: ZH Groep
Feiten
Per 2024 bestaat er een fiscale eenheid tussen Holding, Driesterren en Viersterren.
Per 2025 bestaat er een fiscale eenheid tussen Holding, Driesterren, Viersterren en
Hotel Toerist.
Op 1 januari 2026 verkoopt Driesterren twee hotels aan Viersterren voor een zakelijke
prijs van EUR 6.000.000.
De hotels hebben een fiscale boekwaarde van EUR 1.200.000 en worden in 20 jaar
lineair afgeschreven tot nihil.
Viersterren blijft de koopsom schuldig tegen een rentepercentage van 3%.
De boekjaren van Holding, Driesterren, Viersterren en Hotel Toerist lopen gelijk met
het kalenderjaar.
Vraag: Leidt de verkoop van de twee hotels tot directe belastingheffing over de meerwaarde
van de hotels ten tijde van de transactie?
Omdat Driesterren en Viersterren op 1 januari 2026 deel uitmaken van dezelfde fiscale
eenheid voor de vennootschapsbelasting (ZH Holding als moeder), worden zij fiscaal
behandeld alsof zij één belastingplichtige zijn. Transacties tussen maatschappijen binnen de
fiscale eenheid zijn daarom in beginsel fiscaal niet zichtbaar.
De verkoop van de twee hotels door Driesterren aan Viersterren leidt daardoor niet tot een
fiscaal relevant overdrachtsmoment. Er hoeft dus geen directe belastingheffing plaats te
vinden over de meerwaarde van de hotels (het verschil tussen de fiscale boekwaarde van
EUR 1.200.000 en de zakelijke verkoopprijs van EUR 6.000.000).
Wel is sprake van een overdracht van een vermogensbestanddeel met een stille reserve binnen
de fiscale eenheid. Op grond van artikel 15ai Wet Vpb kan deze meerwaarde alsnog in de
heffing worden betrokken indien de fiscale eenheid in de toekomst wordt verbroken of aan de
voorwaarden van dat artikel wordt voldaan. Op het moment van de transactie zelf leidt dit
echter niet tot directe belastingheffing.
Oefenopgave
Uitwerking:
1. Fiscale eenheid tussen X, Y en Z
Een fiscale eenheid is mogelijk tussen X en Y en tussen Y en Z, maar niet met z’n drieën
samen. Op grond van art. 15 lid 1 Wet Vpb is een belang van ten minste 95% vereist. X houdt
dit belang niet middellijk in Z. Art. 15 lid 3 Wet Vpb bepaalt dat het middellijk belang in Z
wordt toegerekend aan Y, maar niet aan X. Daarom kan alleen X–Y of Y–Z een FE vormen.
2. X GmbH en Y BV
Hoewel X GmbH buitenlands belastingplichtig is, kan toch een fiscale eenheid worden
gevormd met Y BV, voor zover het de Nederlandse vaste inrichting (VI) betreft.
Op grond van art. 15 lid 8 Wet Vpb kan een buitenlands lichaam met een rechtsvorm
vergelijkbaar met een BV, en met een VI in Nederland, deelnemen aan een fiscale eenheid.
De uitsluiting voor topmaatschappijen uit lid 5 sub c wordt hier doorbroken. X GmbH geldt
als moedermaatschappij; in de FE wordt alleen het aan de VI toerekenbare deel betrokken.
3. Fiscale eenheid tussen B en C (zusjes-FE)
Ja, B en C kunnen samen een fiscale eenheid vormen op grond van art. 15 lid 2 Wet Vpb
(zusjes-FE).
Via art. 15 lid 3 Wet Vpb wordt het middellijk gehouden belang toegerekend aan de
topmaatschappij X, waarbij A, Y en Z kwalificeren als tussenmaatschappijen (lid 5). X wordt
daardoor geacht 100% van B en C te houden. B of C mag worden aangewezen als
moedermaatschappij; die keuze is vrij, maar kan fiscale gevolgen hebben.
, 4. X BV – Y BV met een STAK
Nee, er kan geen fiscale eenheid worden gevormd.
Bij een STAK ligt de juridische eigendom bij de stichting en de economische eigendom bij X
BV. Voor een fiscale eenheid vereist art. 15 Wet Vpb dat beide bij dezelfde belastingplichtige
liggen. Omdat X BV alleen het economisch belang heeft, ontbreekt een essentiële
voorwaarde.
5. Voeging en ontvoeging in hetzelfde jaar
Er is geen fiscale eenheid tot stand gekomen.
Z BV wordt opgericht per 1 februari, gevoegd per 2 februari en ontvoegd per 1 augustus. Art.
15 lid 11 Wet Vpb bevat een fictie dat geen FE ontstaat als voeging en ontvoeging in
hetzelfde boekjaar plaatsvinden, om te voorkomen dat meerdere boekjaren/aangiften
ontstaan.
Materieel hadden X, Y en Z hetzelfde resultaat kunnen bereiken door één dag eerder te
voegen, namelijk op 1 februari (begin van het boekjaar); dan zou lid 11 niet van toepassing
zijn geweest.
, Opgave 1a: ZH Groep
Feiten
Per 2024 bestaat er een fiscale eenheid tussen Holding, Driesterren en Viersterren.
Per 2025 bestaat er een fiscale eenheid tussen Holding, Driesterren, Viersterren en
Hotel Toerist.
Op 1 januari 2026 verkoopt Driesterren twee hotels aan Viersterren voor een zakelijke
prijs van EUR 6.000.000.
De hotels hebben een fiscale boekwaarde van EUR 1.200.000 en worden in 20 jaar
lineair afgeschreven tot nihil.
Viersterren blijft de koopsom schuldig tegen een rentepercentage van 3%.
De boekjaren van Holding, Driesterren, Viersterren en Hotel Toerist lopen gelijk met
het kalenderjaar.
Vraag: Leidt de verkoop van de twee hotels tot directe belastingheffing over de meerwaarde
van de hotels ten tijde van de transactie?
Omdat Driesterren en Viersterren op 1 januari 2026 deel uitmaken van dezelfde fiscale
eenheid voor de vennootschapsbelasting (ZH Holding als moeder), worden zij fiscaal
behandeld alsof zij één belastingplichtige zijn. Transacties tussen maatschappijen binnen de
fiscale eenheid zijn daarom in beginsel fiscaal niet zichtbaar.
De verkoop van de twee hotels door Driesterren aan Viersterren leidt daardoor niet tot een
fiscaal relevant overdrachtsmoment. Er hoeft dus geen directe belastingheffing plaats te
vinden over de meerwaarde van de hotels (het verschil tussen de fiscale boekwaarde van
EUR 1.200.000 en de zakelijke verkoopprijs van EUR 6.000.000).
Wel is sprake van een overdracht van een vermogensbestanddeel met een stille reserve binnen
de fiscale eenheid. Op grond van artikel 15ai Wet Vpb kan deze meerwaarde alsnog in de
heffing worden betrokken indien de fiscale eenheid in de toekomst wordt verbroken of aan de
voorwaarden van dat artikel wordt voldaan. Op het moment van de transactie zelf leidt dit
echter niet tot directe belastingheffing.