Inleiding in de wetenschap
Studietaak 0
Kennis kan gedefinieerd worden aan de hand van 3 kenmerken:
1. Het is een opvatting.
Iemand moet een bepaalde overtuiging hebben (ik zelf gezien, beleefd of
gehoord).
2. De opvatting moet waar zijn.
De overtuiging moet overeenkomen met de werkelijkheid.
3. De opvatting moet gerechtvaardigd zijn.
Er moeten goede redenen zijn om te geloven dat de opvatting klopt.
Een opvatting kan dus pas kennis genoemd worden als het waar en gerechtvaardigd is.
Over opvatting van twijfel ontstaan
Peirce vond dat wetenschappelijk onderzoek de beste methode is om hier van af te
komen.
Zijn drie andere methoden die geprobeerd werden om van twijfel af te komen, waren:
1. Methode van volharding:
Vasthouden aan wat je al gelooft, ongeacht situaties of personen die twijfel bij je
kunnen veroorzaken.
2. Methode van autoriteit:
Een verantwoordelijke of hogere instantie bepaalt wat de juiste opvatting is (bijv.
een kerk).
Zo is het handig om op autoriteit te leunen als je ziek bent.
3. A-priori methode:
Je opvatting baseren op iets wat logisch aantrekkelijk lijkt, maar niet
noodzakelijkerwijs waar is.
Toch benoemde Peirce de wetenschappelijke methode als de beste.
,Weten dat → Fundamenteel onderzoek
Weten hoe → Toegepast onderzoek
Wetenschap
Wordt gekenmerkt door methoden en werkwijzen.
Een belangrijk kenmerk is empirisch, wat betekent dat wetenschap werkt op basis van
ervaringen en waarneming.
Wetenschap leunt ook op theorie.
Descriptieve en normatieve uitspraken
• Descriptieve uitspraken: zeggen wat is.
• Normatieve uitspraken: zeggen wat zou moeten zijn.
Deze staan los van elkaar.
Voorbeeld:
• Descriptief: “Rokers leven korter.”
• Normatief: “Je moet niet roken, want dat is ongezond.”
Studietaak 1 – Tijdlijn
Tijdlijn wetenschaps-geschiedenis en hoofdkenmerken
Oude Grieken (± 600 – 200 v.Chr.)
De Grieken maakten de eerste stap naar de wetenschap.
Ze zochten naar natuurlijke verklaringen voor verschijnselen i.p.v. mythen en religie.
Dit noemen we systematisch nadenken.
Ze gebruikten logica, redenering en waarneming.
,Filosofen
Socrates (470 – 399 v.Chr.)
• “Ik weet dat ik niets weet.”
• Ontwikkelde de socratische methode: vragen stellen om kennis en eigen
aannames te bevragen.
• Legde de basis voor het scepticisme: twijfel of we wel echt zekere kennis
kunnen hebben.
Plato (427 – 347 v.Chr.)
• Leerling van Socrates.
• Ontwikkelde het rationalisme: ware kennis komt niet uit zintuigen (die
misleiden), maar via de rede.
• De ideale werkelijkheid bestaat niet in de fysieke wereld, maar in het denken.
• We begrijpen de wereld via ideeën.
Aristoteles (384 – 322 v.Chr.)
• Leerling van Plato, maar ging een andere kant op.
• Ontwikkelde het empirisme: kennis ontstaat door ervaring en waarneming.
• Was de eerste die systematisch de natuur probeerde te ordenen en classificeren
(bij dieren).
• Legde de basis voor de natuurwetenschappen en latere empirische methodes.
Romeinse Rijk (± 200 v.Chr. – 500 n.Chr.)
De Romeinen namen veel kennis van de Grieken over,
maar waren meer gericht op praktische toepassingen (recht, politiek, ethiek, retorica).
Er was weinig nieuwe wetenschappelijke theorie,
maar de Romeinen zorgden wel voor verspreiding van Griekse kennis,
waardoor deze niet verloren ging.
Middeleeuwen (500–1500)
Na de val van het Romeinse Rijk kreeg de kerk een enorme invloed.
Filosofie en wetenschap kwamen ondergeschikt te staan aan theologie (wetenschap
van God en het geloof).
, • Aristotelische ideeën werden aangepast en verbonden aan het christendom
door Thomas van Aquino.
• De bedoeling van wetenschap was het bevestigen van religieuze waarheden.
• Filosofen en universiteiten bewaarden en kopieerden teksten, waardoor kennis
beschikbaar bleef voor latere generaties.
Wetenschappelijke Revolutie (1500–1700)
In deze periode werd het oude middeleeuwse wereldbeeld doorbroken:
het begin van de revolutie door Nicolaus Copernicus (zon in het middelpunt).
• Observatie, experiment en wiskunde kwamen centraal te staan.
• De natuur werd gezien als een mechanisme dat volgens vaste wetten werkte.
• Belangrijke wetenschappers:
o Copernicus (heliocentrisme)
o Galilei (telescoop, experimenten)
o Newton (zwaartekracht en natuurwetten)
Francis Bacon (1561–1626)
Ook wel de vader van de moderne empirische wetenschap.
Hij pleitte voor de inductieve methode:
eerst waarnemen en experimenteren, daarna pas theorie opstellen.
Hij waarschuwde voor idola (denkfouten), die hij in vier categorieën verdeelde:
Catego
Naam Betekenis
rie
Idola tribus
We zien patronen die er niet zijn → bv. complottheorieën
(stam)
Idola specus
Persoonlijke vooroordelen of voorkeuren
(grot)
Misleidend taalgebruik of discussie door andere betekenis aan
Idola fori (markt)
hetzelfde woord
Idola theatri
Blind volgen van autoriteit of oude theorieën
(theater)
Studietaak 0
Kennis kan gedefinieerd worden aan de hand van 3 kenmerken:
1. Het is een opvatting.
Iemand moet een bepaalde overtuiging hebben (ik zelf gezien, beleefd of
gehoord).
2. De opvatting moet waar zijn.
De overtuiging moet overeenkomen met de werkelijkheid.
3. De opvatting moet gerechtvaardigd zijn.
Er moeten goede redenen zijn om te geloven dat de opvatting klopt.
Een opvatting kan dus pas kennis genoemd worden als het waar en gerechtvaardigd is.
Over opvatting van twijfel ontstaan
Peirce vond dat wetenschappelijk onderzoek de beste methode is om hier van af te
komen.
Zijn drie andere methoden die geprobeerd werden om van twijfel af te komen, waren:
1. Methode van volharding:
Vasthouden aan wat je al gelooft, ongeacht situaties of personen die twijfel bij je
kunnen veroorzaken.
2. Methode van autoriteit:
Een verantwoordelijke of hogere instantie bepaalt wat de juiste opvatting is (bijv.
een kerk).
Zo is het handig om op autoriteit te leunen als je ziek bent.
3. A-priori methode:
Je opvatting baseren op iets wat logisch aantrekkelijk lijkt, maar niet
noodzakelijkerwijs waar is.
Toch benoemde Peirce de wetenschappelijke methode als de beste.
,Weten dat → Fundamenteel onderzoek
Weten hoe → Toegepast onderzoek
Wetenschap
Wordt gekenmerkt door methoden en werkwijzen.
Een belangrijk kenmerk is empirisch, wat betekent dat wetenschap werkt op basis van
ervaringen en waarneming.
Wetenschap leunt ook op theorie.
Descriptieve en normatieve uitspraken
• Descriptieve uitspraken: zeggen wat is.
• Normatieve uitspraken: zeggen wat zou moeten zijn.
Deze staan los van elkaar.
Voorbeeld:
• Descriptief: “Rokers leven korter.”
• Normatief: “Je moet niet roken, want dat is ongezond.”
Studietaak 1 – Tijdlijn
Tijdlijn wetenschaps-geschiedenis en hoofdkenmerken
Oude Grieken (± 600 – 200 v.Chr.)
De Grieken maakten de eerste stap naar de wetenschap.
Ze zochten naar natuurlijke verklaringen voor verschijnselen i.p.v. mythen en religie.
Dit noemen we systematisch nadenken.
Ze gebruikten logica, redenering en waarneming.
,Filosofen
Socrates (470 – 399 v.Chr.)
• “Ik weet dat ik niets weet.”
• Ontwikkelde de socratische methode: vragen stellen om kennis en eigen
aannames te bevragen.
• Legde de basis voor het scepticisme: twijfel of we wel echt zekere kennis
kunnen hebben.
Plato (427 – 347 v.Chr.)
• Leerling van Socrates.
• Ontwikkelde het rationalisme: ware kennis komt niet uit zintuigen (die
misleiden), maar via de rede.
• De ideale werkelijkheid bestaat niet in de fysieke wereld, maar in het denken.
• We begrijpen de wereld via ideeën.
Aristoteles (384 – 322 v.Chr.)
• Leerling van Plato, maar ging een andere kant op.
• Ontwikkelde het empirisme: kennis ontstaat door ervaring en waarneming.
• Was de eerste die systematisch de natuur probeerde te ordenen en classificeren
(bij dieren).
• Legde de basis voor de natuurwetenschappen en latere empirische methodes.
Romeinse Rijk (± 200 v.Chr. – 500 n.Chr.)
De Romeinen namen veel kennis van de Grieken over,
maar waren meer gericht op praktische toepassingen (recht, politiek, ethiek, retorica).
Er was weinig nieuwe wetenschappelijke theorie,
maar de Romeinen zorgden wel voor verspreiding van Griekse kennis,
waardoor deze niet verloren ging.
Middeleeuwen (500–1500)
Na de val van het Romeinse Rijk kreeg de kerk een enorme invloed.
Filosofie en wetenschap kwamen ondergeschikt te staan aan theologie (wetenschap
van God en het geloof).
, • Aristotelische ideeën werden aangepast en verbonden aan het christendom
door Thomas van Aquino.
• De bedoeling van wetenschap was het bevestigen van religieuze waarheden.
• Filosofen en universiteiten bewaarden en kopieerden teksten, waardoor kennis
beschikbaar bleef voor latere generaties.
Wetenschappelijke Revolutie (1500–1700)
In deze periode werd het oude middeleeuwse wereldbeeld doorbroken:
het begin van de revolutie door Nicolaus Copernicus (zon in het middelpunt).
• Observatie, experiment en wiskunde kwamen centraal te staan.
• De natuur werd gezien als een mechanisme dat volgens vaste wetten werkte.
• Belangrijke wetenschappers:
o Copernicus (heliocentrisme)
o Galilei (telescoop, experimenten)
o Newton (zwaartekracht en natuurwetten)
Francis Bacon (1561–1626)
Ook wel de vader van de moderne empirische wetenschap.
Hij pleitte voor de inductieve methode:
eerst waarnemen en experimenteren, daarna pas theorie opstellen.
Hij waarschuwde voor idola (denkfouten), die hij in vier categorieën verdeelde:
Catego
Naam Betekenis
rie
Idola tribus
We zien patronen die er niet zijn → bv. complottheorieën
(stam)
Idola specus
Persoonlijke vooroordelen of voorkeuren
(grot)
Misleidend taalgebruik of discussie door andere betekenis aan
Idola fori (markt)
hetzelfde woord
Idola theatri
Blind volgen van autoriteit of oude theorieën
(theater)