Week 1
Vraagbepalende factoren
- Behoefte
- Prijs van het product
- Prijs van andere goederen en diensten
- Het inkomen
Vraagfunctie: Laat de relatie zien tussen de prijs van het product en de gevraagde
hoeveelheid. Verticale as prijs. Horizontale as hoeveelheid.
Hoofdstuk 1 (excl. 1.5)
Twee soorten omgevingsfactoren die het reilen en zeilen van ondernemingen
beinvloeden:
- Macro omgeving: omvat de omgevingsfactoren diegrote invloed op de
ondernemingsresulateten uitoefenen, maar die de onderneming zelf niet of
nauwelijks kan beïnvloeden.
- De direchte omgeving: bestaat uit de partijen op de in- en verkoopmarkten,
waarmee de onderneming dagelijks zaken doet.
Macro omgeving
- Demografie: ontwikkeling en samenstelling bevolking (ook bedrijfsbevolking)
- Economie: conjunctuur, wisselkoersen, rente, inflatie
- Sociaal-cultureel: normen en waarden, maatschappelijke trends
- Technologie: technologische ontwikkelingen afkomstig van buiten de eigen
markt
- Ecologisch: beschikbaarheid natuurlijke hulpbronnen, milieuaspecten
(bijvoorbeeld door CO2 klimaatverandering)
- Politiek-juridisch: wet- en regelgeving
Directe omgeving
- Ontwikkeling huidige en toekomstige marktvraag
- Concurrentieverhoudingen
- Afnemersgedrag
- Leveranciers:
Grondstoffen en halffabricaten
Machines en gebouwen
Vermogen
- Substituut goederen
- Potentiële toetreders tot de markt
Alternatief aanwendbaar: De middelen in de vorm van geld, tijd en productiemiddelen
zijn alternatief aanwendbaar. Zij zijn voor verschillende doelen bruikbaar. Als de
, daadwerkelijk voor een bepaal doel ingezet worden, kun je ze niet meer voor iets
anders gebruiken.
Alternatieve kosten/ opportunity costs: De gemiste opbrengsten heten alternatieve
kosten of opportunity costs. In de algemene economie worden de alternatieve koste
van de gebruikte middelen als de kosten van de productie of consumptie beschouwd.
Schaarste: Op het niveau van de maatschappij als geheel betekent schaarste dat de
potentiële vraag naar goederen en diensten groter is dan het potentiële aanbod. Het
probleem is dan welke goederen en diensten je moet produceren om in de behoeften
van consumenten te voorzien. Daarbij gaat het er om een zo hoog mogelijke
welvaart voor consumenten tot stand te brengen.
Binnenlands product: de waarde van de goederen en diensten die in een land
worden geproduceerd.
Vrije goederen: Een voorbeeld is de zon. Als de zon schijnt, kunnen mensen van de
warmte en het licht genieten. Tegelijkertijd akn de zon gebruikt owrden om
bijvoorbeeld fruit te laten groeien en elektriciteit op te wekken. Zonlicht vormt een
zogenoemd vrij goed. Het kenmerk van vrije goederen is dat zij onbeperkt ter
beschikking staan, waardoor het gebruik ervan geen keuzeprobleem met zich
meebrengt.
Vier productiefactoren
- Arbeid: Dit bestaat uit de tijd en de inspanning die mensen besteden aan de
productie van goederen en diensten.
- Kapitaal: Dit bestaat uit alle geproduceerde middelen die je voor de productie
van andere goederen en diensten kunt gebruiken.
- Natuur: Dit omvat alle natuurlijke hulpbronnen, zoals lucht, water, grond en
delfstoffen.
- Ondernemerschap: Dit bestaat uit de organisatie van het productieproces in
ondernemingen. Ondernemer nemen beslissingen welke goederen en
diensten te produceren, ze dragen het risico op winst of verlies en bedenken
nieuwe producten en nieuwe manieren om te produceren.
Primaire inkopen: Voor arbeid ontvangen consumenten loon, voor kapitaal rente,
voor natuur huur en pacht en voor ondernemerschap winst. Deze beloningen vormen
samen het zogenoemde primaire inkomen. Primair inkomen is een inkomen waar
een tegenprestatie tegenover staat.
Economische orde
Doel economische orde: Het zo goed mogelijk voorzien in de behoeften van
consumenten.
Vijf kernvragen:
1. Wie moet er produceren?: Productie kan plaatsvinden door de overheid of
door particuliere ondernemers.