1.1 Gezondheid en ziekte: begrippen en concepten
Gezondheid is een algemeen begrip. Gezondheid wordt niet zomaar bepaald door afwezigheid van
ziekte. Gezondheid is het vermogen om zich aan te passen en een eigen regie te voeren, in het licht
van fysieke, emotionele en sociale uitdagingen van het leven.
Gezondheid is ook handhaven van homeostase in het lichaam, waarbij alle orgaansystemen optimaal
functioneren. Homeostase is inwendig evenwicht van het lichaam. Interne omstandigheden zoals
temperatuur, zuurgraad, samenstelling van bloed en vochtgehalte blijven constant.
Ziekte is verstoring van homeostase door afwijking van de normale anatomie en lichaamsfuncties.
Aandoening heeft betrekking op elke afwijking van het lichaam.
Pathologie is de leer van ziekte of aandoeningen in het algemeen. Een patholoog-anatoom kan na de
dood de doodsoorzaak opzoeken.
Anatomie= bouw van het lichaam
Fysiologie= functioneren van het lichaam
Pathofysiologie= leer van afwijkende processen die tot ziekte leiden en het effect daarvan op de
functies van het lichaam.
1.5 Symptomen
Symptomen zijn kenmerken of verschijnselen waaraan een aandoening te herkennen is.
Verpleegkundigen gebruiken bij het opstellen van een verpleegkundige diagnose vaak Engelse term
signs and symptoms.
Subjectieve symptomen zijn de subjectieve klachten van de zorgvrager die kenmerkend zijn voor een
aandoening. Klachten die de patiënt zelf aangeeft.
Objectieve symptomen zijn objectieve tekenen die kenmerkend zijn voor een aandoening. Deze zijn
te observeren. Klachten die je kan waarnemen.
Sommige aandoeningen verlopen asymptomatisch (zonder ziekteverschijnselen). Als symptomen bij
aandoening altijd in bepaalde kenmerkende combinatie voorkomen spreken we van syndroom.
1.6 Diagnostiek
Diagnostiek is het geneeskundig onderzoek waarmee vastgesteld wordt wat de oorzaak is van de
klachten en verschijnselen. Vaststellen van medische diagnose. Dit onderzoek bestaat uit anamnese,
lichamelijk onderzoek en aanvullend onderzoek.
Anamnese is het subjectieve verhaal van de zorgvrager over de klachten. Door open vragen worden
de klachten uitgevraagd. Die heet speciële anamnese.
Algemene anamese richt zich op medische voorgeschiedenis, medicatie en middelengebruik,
allergieën, psychosociale omstandigheden en familieanamnese.
Heteroanamnese is het verhaal van familieleden of andere betrokkenen. Om niets over het hoofd te
zien neemt de art vaak tractusanamnese af, gericht vragen stellen over functie van orgaansystemen.
,Verpleegkundigen verzamelen met verpleegkundige anamnese informatie voor zorgverleningsproces.
Deze informatie draagt bij aan het stellen van verpleegkundige diagnoses en opstellen van
verpleegplan.
Bij lichamelijk onderzoek worden vitale functies (ademfrequentie, hartfrequentie, bloeddruk,
bewustzijn en temperatuur) gemeten. Als deze verstoord raken, kan ernstige aandoening opleveren.
Als het om acute levensbedreigende situatie gaat, worden vitale functies in vaste volgorde
onderzocht. ABCDE-methodiek. Met deze methodiek kun je vitale functies snel en gestructureerd
beoordelen en zo nodig interventies inzetten.
Dit is internationale richtlijn voor de opvang van ongevalsslachtoffers, die uitgaat van twee
basisprincipes:
- Treat first what kills first (behandel de meest levensbedreigende aandoeningen eerst)
- Do no further harm (breng tijdens de behandeling geen verdere schade toe)
Bij lichamelijk onderzoek worden verschillende technieken gebruikt:
- Inspectie: buitenkant van het lichaam bekijken. Hierbij worden de huid, houding en
bewegingen van de zorgvrager beoordeeld.
- Percussie: bekloppen van lichaamsdelen met vingers op vingers. Luchthoudendheid, omvang
en ligging van onderliggende organen worden beoordeeld.
- Auscultatie: beluisteren van organen met stethoscoop. Hierbij worden geluiden van longen,
hart en darmen beoordeeld.
- Palpatie: aftasten van lichaamsdelen. Hierbij worden de locatie, omvang, structuur en
gevoeligheid van organen en lichaamsdelen beoordeeld.
Na anamnese en lichamelijk onderzoek zijn vaak subjectieve en objectieve symptomen bekend. De
arts kan dan diagnose opstellen. Bij meerdere waarschijnlijkheidsdiagnoses spreken we van
differentiaaldiagnose. Aanvullend onderzoek wordt ingezet.
Laboratoriumonderzoek:
- Laboratoriumonderzoek: gekeken naar samenstelling van bloed, urine, feces, liquor en
andere lichaamsvloeistoffen.
- Microbiologisch onderzoek: aanwezigheid van micro-organismen in bloed, urine, feces, liquor,
sputum, keel- en monduitstrijkjes en ander lichaamsmateriaal.
Beeldvormend onderzoek:
- Röntgenonderzoek: met röntgenstraling worden inwendige structuren in beeld gebracht.
Lucht en bot zijn goed zichtbaar.
- Computertomografie (CT): driedimensionaal beeld van tweedimensionaal röntgenbeeld.
- Magnetic resonance imaging (MRI): sterk magnetisch veld en radiogolven lokken trillingen
van inwendige structuren uit. Trillingen worden door computer omgezet in driedimensionaal
beeld.
- Positronemissietomografie (PET): met radioactieve stoffen die ophopen in plaatsen worden
afwijkende inwendige structuren in beeld gebracht. Tumoren en ontstekingen worden
zichtbaar.
- Echografie: met weerkaatsing van geluidsgolven kunnen verschillende weefsels en structuren
in beeld worden gebracht.
, - Endoscopie: met buis of slang met een camera wordt inwendige structuren gekeken. Camera
kan ook foto’s of videobeelden maken om bepaalde zaken vast te leggen. Buis of slang wordt
ingebracht via natuurlijke opening of via incisie in de huid (operatie).
Functieonderzoek:
- Elektrocardiografie (ECG): worden elektrische activiteit van hart en afwijkingen daarin
geregistreerd op een monitor of uitgeprint.
- Elektro-encefalografie (EEG): worden elektrische activiteit van de hersenen en eventuele
afwijkingen geregistreerd.
- Spirometire (longfunctieonderzoek): worden de inademings- en uitademingsvolumes en
kracht geregistreerd.
Pathologisch-anatomisch onderzoek (PA-onderzoek):
Afwijkingen op cel- en weefselniveau aangetoond.
- Cytologisch onderzoek of cytologie: onderzoek van losse cellen die door uitstrijkje of punctie
uit lichaam zijn verkregen.
- Histologisch onderzoek of histologie: microscopisch onderzoek van stukje weefsel dat
verkregen wordt door biopsie of door operatieve verwijdering. Biopsie is klein stukje weefsel.
Obductie is het onderzoek naar oorzaak van overlijden. Na overlijden wordt lichaam geopend en
worden organen en weefsels onderzocht.
Hoofdstuk 4 Kanker
4.1 Inleiding
Kanker is verzamelnaam voor typen kanker en kan op iedere leeftijd voorkomen. De 5 meest
voorkomende vormen zijn: huidkanker, borstkanker, longkanker, prostaatkanker en dikke darmkanker.
4.2 Risicofactoren
Er zijn een aantal risicofactoren bekend voor ontstaan van kanker. De belangrijkste risicofactoren:
- Leeftijd: de helft van zorgvragers met kanker is 70 jaar of ouder
- Erfelijke factoren
- Leefstijlfactoren: roken, onvoldoende lichaamsbeweging, overmatig alcoholgebruik
- Overgewicht
- Omgevingsfactoren: ultraviolette straling, röntgenstraling, radioactieve straling, asbest
- Verminderde afweer: bacterie- en virusinfecties
4.3 Etiologie en pathofysiologie
Celdeling in het lichaam heet mitose. Er is sprake van verdubbeling van DNA. Daar kunnen foutjes bij
ontstaan. Foutjes worden vaak gerepareerd. Als dit niet lukt, zal de cel kapot gaan. Dit heet
geprogrammeerde celdood (apoptose).
Tumor (zwelling) ontstaat doordat cellen ongeremd gaan delen. Tumor kan goedaardig (benigne) of
kwaadaardig (maligne) zijn. Benigne tumoren zijn operatief te verwijderen. Alleen maligne tumoren is
kanker.
Kanker ontstaat door mutaties van DNA in celkern van de lichaamscellen en verstoorde apoptose.
Mutaties kunnen vastliggen op DNA of zomaar ontstaan. DNA die informatie bevat voor celgroei en