,Praktijkonderzoek in zorg en welzijn
Hoofdstuk 4 Richten
Tijdens kernactiviteiten moet je jezelf zo goed mogelijk richten op het praktijkprobleem en expliciteer
en motiveer je wat je wel en niet wilt onderzoeken. Waar nodig maak je gebruik van aanvullende
theorie en data. Met de formulering van het doel geef je de richting van je praktijkonderzoek
kernachtig weer.
4.1 Op het praktijkprobleem inzoomen en keuzes maken
De probleemanalyse heeft je bestaande kennis en inzichten uit de vakliteratuur over het
praktijkprobleem opgeleverd en mogelijke oplossingen ervoor.
Het praktijkprobleem is in de breedte verkend (divergerende benadering). Nu ga je inzoomen en
bepaald je wat je wel en niet gaat onderzoeken (convergerende benadering).
4.1.1 Het praktijkprobleem afbakenen met behulp van theorie en praktijk
Er zijn 5 verschillende technieken om je praktijkprobleem te kunnen afbakenen. Je gaat heen en weer
tussen theorie en praktijk
Techniek 1: theoretische uitgangspunten bepalen.
Veel verschillende dingen gelezen. Gaat nu uitkiezen welke informatie, stellingen en theorieën je in je
onderzoek gaat gebruiken.
Je gaat de verkennende literatuurstudie nu uitbreiden door beargumenteerd te kiezen welke
theoretische inzichten je wel en niet meeneemt in je onderzoek. Dit proces heet theoretisch kader.
Kan weergeven in schema of theoretisch model.
Techniek 2: Componenten identificeren en selecteren
Praktijkprobleem bestaat uit verschillende componenten. Bepaal welke componenten je wel en welke
je niet wilt onderzoeken. Zet de componenten in een schema.
Techniek 3: Aannames onderbouwen
Tijdens de voorbereiding doe je veel aannames. De aannames die je later nog moet uitleggen of
verder onderzoek naar moet doen, ga je niet gebruiken. Je kan een aannameschema maken.
Techniek 4: Perspectieven kiezen
Moet kunnen uitleggen hoe jij op basis van de inzichten die je verkregen hebt, aankijkt tegen het
praktijkprobleem. Beargumenteer je keuzes.
Techniek 5: Begrippen definiëren of omschrijven
Kernbegrippen uitleggen in je onderzoek. Kan ook synoniemen of in eigen woorden opschrijven.
4.1.2 De keuzes die je maakt verantwoorden
Je kiest voor je keuzes op twee manieren:
Je werkt de verkennende literatuurstudie uit tot een literatuurstudie die inzicht geeft in de literatuur
die leidend is bij jouw praktijkprobleem. Je kijkt ook kritisch naar de oorspronkelijke beschrijving van
het praktijkprobleem en maak je duidelijk waar je je met je praktijkonderzoek op gaat richten.
2
, Literatuurstudie bevat overzicht van de meest gangbare theorieën, achtergronden en uitgangspunten
met betrekking tot het praktijkprobleem als een argumentatie die laat zien welke theoretische
inzichten je hebt meegenomen in je onderzoek.
Beschrijf hoe jij tegen het praktijkprobleem aankijkt en motiveer waarom je bepaalde aspecten
buiten beschouwing laat
4.2 Het onderzoeksdoel formuleren
Met het formuleren van je onderzoeksdoel geef je richting aan de opbrengsten die je onderzoek moet
opleveren. Doel maakt duidelijk of je onderzoek doet tot nieuwe kennis en inzichten, of dat je ook
geïnteresseerd bent in de vertaling ervan naar de beroepspraktijk.
De opbrengsten worden beroepsproducten genoemd.
Onderzoeksdoel is vaak verbonden aan doelen van de organisatie of het team waar je deel uit maakt.
Je onderzoeksvraag moet bijdragen aan het bereiken van het doel.
Een onderzoeksvraag moet dezelfde richting hebben als het doel van je praktijkonderzoek, maar hoeft
niet dezelfde omvang te hebben.
Bij het opstellen van je onderzoeksdoel kun je 4 richtlijnen hanteren:
Richtlijn 1 Het onderzoeksdoel is gebaseerd op de probleemanalyse
Om te kunne bepalen wat je met je onderzoek wilt bereiken, zul je het praktijkprobleem vanuit de
praktijk en theorie moeten hebben geanalyseerd. Onderzoeksdoel moet hier logisch op aansluiten.
Richtlijn 2 Het onderzoeksdoel is geformuleerd in termen van opbrengsten
Geef met je onderzoeksdoel een beeld van de opbrengsten die je beoogt voor de beroepspraktijk. We
maken hierbij onderscheid tussen twee soorten opbrengsten:
Je praktijkonderzoek richt zich op het verwerven van nieuwe kennis en inzichten: je wilt inzicht
krijgen in situaties of processen in de beroepspraktijk. Je wilt iets te weten komen en beter begrijpen.
Je wilt geen veranderingen door voeren.
Je praktijkonderzoek richt zich op het realiseren van verbeteringen in de beroepspraktijk: je ervaart
een verschil tussen de feitelijke situatie en de gewenste situatie. Je wilt inzichten verwerven om
verbeteringen te kunnen doorvoeren.
Als het niet duidelijk is of het onderzoek tot een verandering zou leiden, dan moet dat blijken uit je
doel.
Richtlijn 3 Het onderzoeksdoel is voldoende afgebakend en eenduidig geformuleerd
Onderzoeksdoel moet concreet geformuleerd worden. Als begrippen onduidelijk zijn, moet je
betekenis aangeven.
Richtlijn 4 Het onderzoeksdoel is besproken met belanghebbenden
Jij en anderen hebben een ander beeld wat het onderzoek moet opleveren. Door te overleggen kun
je samen tot een doel komen.
4.3 Onderzoeksvragen verkennen
Met de onderzoeksvraag moet voor anderen duidelijk zijn waar het over gaat. In een paar vragen
moet je duidelijk maken waar het over gaat.
3