Collegeclips Week 1
De werking van de omzetbelasting volgens het btw-stelsel op hoofdlijnen
Omzetbelasting is een belasting over de omzet, oftewel het totaalbedrag van verkopen van een bedrijf
in een bepaalde periode.
Omzet = afzet * prijs
Deze belasting is gebaseerd op EU-RL, die bepalen dat het uiteindelijke doel is om de consumptie van
goederen en diensten door de eindverbruiker te belasten. Het belasten van de omzet van ondernemers
leidt indirect tot het belasten van consumptie, maar het zomaar heffen over elke omzet zou dat doel
voorbijschieten. Daarom wordt omzetbelasting alleen geheven over de prijs die consumenten betalen,
niet over transacties tussen ondernemers, om zo economische neutraliteit te behouden.
Een voorbeeldje:
Een consument koopt brood De bakker heeft betaald voor Aangifte omzetbelasting van de
van de bakker voor: het maken van het brood: Bakkerij:
Omzet OB
Omzet excl. btw: €300 Meel en gist: €200 Verkopen 9%: €300 €27
9% OB: + € 27 9% OB: € 18
Omzet incl. btw: €327 Te betalen: €218 Aftrekbare voorbelasting: €18
------------
Te voldoen: €9
Per saldo draagt de Bakkerij nu €9 omzetbelasting af, dit is precies het bedrag van de toegevoegde
waarde, vermenigvuldigd met het btw-tarief: €100 * 9% = €9
Deze ‘aftrek van voorbelasting’/aftrek van inkoop btw. = staat in art. 2 Wet OB
Omzetbelasting kent juridische- en economische- neutraliteit:
Juridische neutraliteit: de btw drukt niet op de ondernemer zelf, maar wordt volledig
afgewenteld op de eindverbruiker.
Economische neutraliteit: de btw verstoort de concurrentieverhoudingen tussen ondernemingen
niet.
Een ‘gefractioneerde betaling’ in de btw betekent dat elke schakel in de productieketen btw betaalt
over zijn toegevoegde waarde. Iedere ondernemer draagt dus btw af over zijn verkoop, maar mag de
btw op zijn aankopen aftrekken. Het voordeel voor de fiscus van de ‘gefractioneerde betaling’ is dat
het betalingsrisico wordt gespreidt. Dit is een belangrijk verschil met bvb de Amerikaanse sales taxes,
waar de belasting alleen pas wordt geheven bij de eindgebruiker.
In NL volgen wij sinds 1969 het systeem van de OB volgens de EU-RL.
Inhaaleffect: Het inhaaleffect van de btw houdt in dat btw alsnog wordt geheven op
goederen of diensten die een ondernemer eerst zakelijk heeft gebruikt (en dus
met btw-aftrek heeft gekocht), maar later privé gaat gebruiken.
Omdat bij de aankoop al btw is teruggevraagd, is er nog geen belasting
betaald over de uiteindelijke consumptie. Zodra het goed privé wordt
gebruikt, “haalt” de fiscus die btw alsnog in — zodat ook dat privégebruik
wordt belast, net als gewone consumptie.
Vraagstukken 1 t/m 4:
1. Wat is aftrek van voorbelasting?
2. Wat houdt gefractioneerde betaling in?
3. Wat wordt met juridische neutraliteit bedoeld?
, 4. Wat is het inhaaleffect
Belang van het EU-recht voor de omzetbelasting
Wet OB 1968 is de implementatie van de BTW-RL.
De BTW-RL strekt tot harmonisatie OB-wetgeving in lidstaten. Dit is harmonisatie die is afgesproken
bij oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (EEG), zie art. 113 VwEU.
Art. 1 Btw-RL: is het gemeenschappelijke btw-stelsel ingesteld
Reden voor harmonisatie: oude omzetbelastingstelsel belemmerden de handel tussen de lidstaten (een
interne markt creëeren).
De bijdrage van de lidstaten van het budget van de EU is deels bepaald op grond van de hoeveelheid
OB-opbrengsten die een lidstaat realiseert. Dit was in de jaren ’70, waarna verdere harmonisatie is
gerealiseerd. Het ging hierbij om het invoeren van een uniforme belastinggrondslag.
Aard van de richtlijn
Uit een EU-richtlijn vloeien verplichtingen voort voor de lidstaten (art. 288 VwEU; art. 414 Btw-RL).
De RL, wordt geïmplementeerd in nationale wetgeving, willen er verplichtingen tot betaling van OB
ontstaan. Dit dwingende effect wordt alleen gecreëerd doordat de implementatie in de nationale wet:
dit is dus de Nederlandse Wet OB. Dit betekent overigens niet dat de Btw-RL volstrekt irrelevant is
voor de NL Wet.
Op grond van het beginsel van loyale samenwerking, moeten lidstaten namelijk alles in het werk
stellen om hun verplichtingen voortvloeiend uit de Btw-richtlijn te verzekeren. Dit geldt vervolgens
ook voor het nationale bestuur en de nationale rechter. Voor de rechter betekent dit dat hij de nationale
wet- en regelgeving zo veel als mogelijk in overeenstemming met het Unie recht moet uitleggen
(‘richtlijn- conforme uitleg’). Zo kunnen strijdigheden met het EU-recht in veel gevallen worden
voorkomen.
Het begrip ‘ondernemer’ is in de Wet OB wat anders gedefinieerd als de term ‘belastingplichtige’ in
de btw-rl. Hierdoor zou je kunnen denken dat de term ‘ondernemer’ een anders te interpreteren is dan
de term ‘belastingplichtige’. Niets is minder waar want uit het Vluchtelingenwerkarrest uit 1984 heeft
de HR beslist dat het terminologische verschil zonder betekenis is.
Arrest over deelname aan de Nijmeegse vierdaagse, of hierop het verlaagde tarief kon worden
toegepast. Voor het verlaagde tarief toepassen waren er verschillende definities.
Nationale wettige criteria gaf als definitie de ‘gelegenheid geven tot sportbeoefening’.
Dit criteria was niet terug te vinden in de btw-rl, hier werd alleen gesproken over het ‘toegang
verlenen tot een sportaccommodatie’. HR heeft geoordeeld dat ‘gelegenheid geven tot
sportbeoefening’ richtlijnconform kon worden uitgelegd als ‘toegang verlenen tot een
sportaccommodatie’. De HR hield de tijdelijk afgesloten weg als een ‘sportaccommodatie’ in
combinatie met de andere voorzieningen ter plekke.
Leerstuk van de rechtstreekse werking
Leerstuk van de rechtstreekse werking = de richtlijn kan ook rechtstreeks worden toegepast, al dan
niet door een bepaling uit de nationale wet, die strijdig is met de richtlijn, aan de kant te schuiven. Zo
kan het doel van een richtlijn worden gewaarborgd. Door de rechtstreekse werking van de richtlijn
mag een burger niet in een nadeligere situatie uitkomen. Rechtstreekse werking van een richtlijn mag
alleen als het een positief resultaat geeft voor de burger.
Voor de toepassing van het leerstuk van de rechtstreekse werking (met een positief resultaat voor de
burger) dient aan drie voorwaarden te worden voldaan:
1. Omzettingstermijn (uiterste implementatiedatum van de richtlijn) moet zijn verstreken;
, 2. Op moment dat die omzettingstermijn is verstreken, de richtlijn mag dan niet of niet-tijdig
zijn geïmplementeerd;
3. De bepaling uit de richtlijn waarop een beroep wordt gedaan, onvoorwaardelijk moet zijn en
voldoende nauwkeurig.
a. Onvoorwaardelijk = dus niet bepalingen waarin lidstaten een keuze wordt gelaten:
een ‘kan’-bepaling, zo’n bepaling is niet ‘onvoorwaardelijk’. Bijvoorbeeld de richtlijn
laat keuze bij lidstaten voor het toepassen voor een verlaagd tarief, dergelijke
bepaling is dus niet onvoorwaardelijk.
b. Onvoldoende nauwkeurig = wanneer lidstaten zelf sommige voorwaarden nog nader
moeten invullen. Dit kan in bepaling van de richtlijn zelf tot uitdrukking komen, of
door een bepaalde vaagheid van een bepaling. Voorbeeld hiervan is de ‘fiscale
eenheid’.
Arrest Ursula Becker: Duitsland had geen btw-vrijstelling tot bemiddeling van kredietverlening
opgenomen, terwijl de richtlijn de opname hiervan wel verplichtte. HvJ oordeelde: belastingplichtige
mocht een rechtstreeks beroep doen op de richtlijn en daardoor de vrijstelling toch mocht toepassen.
Rol van het HvJ EU
Het HvJ EU legt de btw-rl uit. Dit doen zij niet spontaan.
Zaken over btw komen in de praktijk op 2 manieren bij het HvJ EU terecht:
1. Als een nationale rechter een prejudiciële vraag stelt (art. 267 VwEU, arrest Cilfit nr. 283/81)
2. Bij een inbreukprocedure (art. 258 VwEU)
In het arrest Cilfit heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) uiteengezet wanneer een
nationale rechter verplicht is om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof.
In Nederland kunnen rechtbanken en gerechtshoven prejudiciële vragen stellen aan het HvJ EU, maar
zijn daartoe niet verplicht. Alleen de Hoge Raad is verplicht een vraag te stellen, wanneer:
de beslechting van het bij haar aanhangige geschil afhangt van de uitleg van een bepaling van
het Unierecht (zoals de btw-richtlijn), én
die uitleg niet duidelijk is (acte claire) of nog niet eerder door het Hof van Justitie is gegeven
(acte éclairé).
Bij een inbreukprocedure sleept de Europese Commissie een lidstaat voor het HvJ. Dit kan als de
Commissie vindt dat een lidstaat zijn verplichtingen uit hoofde van die richtlijn niet nakomt.
Vraagstukken 5 t/m 7:
5. Wat is het verschil tussen richtlijnconforme uitleg en rechtstreekse werking?
6. Waarom is de harmonisatie van omzetbelasting van belang voor de interne markt in de EU?
7. Bij de toepassing van de omzetbelastingwetgeving speelt de jurisprudentie van het HvJ een
belangrijke rol. In welke situaties wordt het Hof vna Justitie ingeschakeld en door wie?
, Belastbare feiten en denkschema
Belastbare feiten voor de OB worden opgesomd in art. 1 Wet OB:
Onder de naam 'omzetbelasting' wordt een belasting geheven ter zake van:
a. leveringen van goederen en diensten, welke in Nederland door een als zodanig handelende
ondernemer onder bezwarende titel worden verricht;
b. intracommunautaire verwervingen van goederen onder bezwarende titel in Nederland door
een als zodanig handelende ondernemer en door rechtspersonen, andere dan ondernemers;
c. intracommunautaire verwervingen onder bezwarende titel, anders dan in de zin van
onderdeel b, van nieuwe vervoermiddelen in Nederland;
d. invoer van goederen.
Intracommunautaire verwerving = invoer van goederen uit andere EU-lidstaten
Een particulier (een niet-ondernemer) kan nooit een intracommunautaire verwerving verrichten, tenzij
het gaat over de intracommunautaire verwerving gaat van vervoersmiddelen (zoals auto’s).
De term ‘intracommunautair’ is strikt genomen niet meer helemaal zuiver. De term
‘communautair’ verwijst naar ‘communauté’, wat ‘gemeenschap’ betekent en ziet op de
Europese gemeenschap. Maar sinds november 2009 bestaan deze niet meer en hebben we
alleen nog maar de Europese unie. De term zou eigenlijk ‘intra-unieaire verwerving’ moeten
heten maar deze naamsverandering is (nog) niet doorgevoerd.
Invoer van goederen = goederen invoeren vanuit buiten de EU
Denkschema:
1. Wie? (ondernemer of niet)
Allereerst moet bepaald worden of er sprake is van een ondernemer, omdat de meeste belastbare
feiten alleen kunnen worden verricht door een ondernemer.
2. Wat? (levering van goederen of diensten)
Wat doet die ondernemer dan? Verricht die een levering van goederen of een dienst? Beide zijn
belastbare feiten, maar er gelden verschillende regels voor elk, zoals de plaats van dienst.
3. Waar? (plaats van prestatie in Nederland of daarbuiten)
Waar is de plaats van prestatie? Ligt dit in Nederland of daarbuiten? Alleen als het in Nederland is dan
zal er in Nederland omzetbelasting verschuldigd zijn.
4. Hoeveel? (Maatstaf van heffing, tarief, vrijstelling)
Als we hebben vastgesteld dat er een levering van een goed/een dienst in Nederland heeft
plaatsgevonden, dan moeten we kijken wat de maatstaf van heffing is, en of er eventueel een
vrijstelling hierop geldt.
5. Hoe en wanneer? (wie moet betalen en wanneer)
Hoe en wanneer moet afgedragen worden? Wie moet afdragen en op welk moment?
6. Aftrek van voorbelasting?
Vraagstukken 8 en 9:
8. Kunt u als particulier rechtstreeks omzetbelasting verschuldigd zijn aan de staat?
9. Waarom is de term ‘intracommunautair niet meer helemaal zuiver?
De werking van de omzetbelasting volgens het btw-stelsel op hoofdlijnen
Omzetbelasting is een belasting over de omzet, oftewel het totaalbedrag van verkopen van een bedrijf
in een bepaalde periode.
Omzet = afzet * prijs
Deze belasting is gebaseerd op EU-RL, die bepalen dat het uiteindelijke doel is om de consumptie van
goederen en diensten door de eindverbruiker te belasten. Het belasten van de omzet van ondernemers
leidt indirect tot het belasten van consumptie, maar het zomaar heffen over elke omzet zou dat doel
voorbijschieten. Daarom wordt omzetbelasting alleen geheven over de prijs die consumenten betalen,
niet over transacties tussen ondernemers, om zo economische neutraliteit te behouden.
Een voorbeeldje:
Een consument koopt brood De bakker heeft betaald voor Aangifte omzetbelasting van de
van de bakker voor: het maken van het brood: Bakkerij:
Omzet OB
Omzet excl. btw: €300 Meel en gist: €200 Verkopen 9%: €300 €27
9% OB: + € 27 9% OB: € 18
Omzet incl. btw: €327 Te betalen: €218 Aftrekbare voorbelasting: €18
------------
Te voldoen: €9
Per saldo draagt de Bakkerij nu €9 omzetbelasting af, dit is precies het bedrag van de toegevoegde
waarde, vermenigvuldigd met het btw-tarief: €100 * 9% = €9
Deze ‘aftrek van voorbelasting’/aftrek van inkoop btw. = staat in art. 2 Wet OB
Omzetbelasting kent juridische- en economische- neutraliteit:
Juridische neutraliteit: de btw drukt niet op de ondernemer zelf, maar wordt volledig
afgewenteld op de eindverbruiker.
Economische neutraliteit: de btw verstoort de concurrentieverhoudingen tussen ondernemingen
niet.
Een ‘gefractioneerde betaling’ in de btw betekent dat elke schakel in de productieketen btw betaalt
over zijn toegevoegde waarde. Iedere ondernemer draagt dus btw af over zijn verkoop, maar mag de
btw op zijn aankopen aftrekken. Het voordeel voor de fiscus van de ‘gefractioneerde betaling’ is dat
het betalingsrisico wordt gespreidt. Dit is een belangrijk verschil met bvb de Amerikaanse sales taxes,
waar de belasting alleen pas wordt geheven bij de eindgebruiker.
In NL volgen wij sinds 1969 het systeem van de OB volgens de EU-RL.
Inhaaleffect: Het inhaaleffect van de btw houdt in dat btw alsnog wordt geheven op
goederen of diensten die een ondernemer eerst zakelijk heeft gebruikt (en dus
met btw-aftrek heeft gekocht), maar later privé gaat gebruiken.
Omdat bij de aankoop al btw is teruggevraagd, is er nog geen belasting
betaald over de uiteindelijke consumptie. Zodra het goed privé wordt
gebruikt, “haalt” de fiscus die btw alsnog in — zodat ook dat privégebruik
wordt belast, net als gewone consumptie.
Vraagstukken 1 t/m 4:
1. Wat is aftrek van voorbelasting?
2. Wat houdt gefractioneerde betaling in?
3. Wat wordt met juridische neutraliteit bedoeld?
, 4. Wat is het inhaaleffect
Belang van het EU-recht voor de omzetbelasting
Wet OB 1968 is de implementatie van de BTW-RL.
De BTW-RL strekt tot harmonisatie OB-wetgeving in lidstaten. Dit is harmonisatie die is afgesproken
bij oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (EEG), zie art. 113 VwEU.
Art. 1 Btw-RL: is het gemeenschappelijke btw-stelsel ingesteld
Reden voor harmonisatie: oude omzetbelastingstelsel belemmerden de handel tussen de lidstaten (een
interne markt creëeren).
De bijdrage van de lidstaten van het budget van de EU is deels bepaald op grond van de hoeveelheid
OB-opbrengsten die een lidstaat realiseert. Dit was in de jaren ’70, waarna verdere harmonisatie is
gerealiseerd. Het ging hierbij om het invoeren van een uniforme belastinggrondslag.
Aard van de richtlijn
Uit een EU-richtlijn vloeien verplichtingen voort voor de lidstaten (art. 288 VwEU; art. 414 Btw-RL).
De RL, wordt geïmplementeerd in nationale wetgeving, willen er verplichtingen tot betaling van OB
ontstaan. Dit dwingende effect wordt alleen gecreëerd doordat de implementatie in de nationale wet:
dit is dus de Nederlandse Wet OB. Dit betekent overigens niet dat de Btw-RL volstrekt irrelevant is
voor de NL Wet.
Op grond van het beginsel van loyale samenwerking, moeten lidstaten namelijk alles in het werk
stellen om hun verplichtingen voortvloeiend uit de Btw-richtlijn te verzekeren. Dit geldt vervolgens
ook voor het nationale bestuur en de nationale rechter. Voor de rechter betekent dit dat hij de nationale
wet- en regelgeving zo veel als mogelijk in overeenstemming met het Unie recht moet uitleggen
(‘richtlijn- conforme uitleg’). Zo kunnen strijdigheden met het EU-recht in veel gevallen worden
voorkomen.
Het begrip ‘ondernemer’ is in de Wet OB wat anders gedefinieerd als de term ‘belastingplichtige’ in
de btw-rl. Hierdoor zou je kunnen denken dat de term ‘ondernemer’ een anders te interpreteren is dan
de term ‘belastingplichtige’. Niets is minder waar want uit het Vluchtelingenwerkarrest uit 1984 heeft
de HR beslist dat het terminologische verschil zonder betekenis is.
Arrest over deelname aan de Nijmeegse vierdaagse, of hierop het verlaagde tarief kon worden
toegepast. Voor het verlaagde tarief toepassen waren er verschillende definities.
Nationale wettige criteria gaf als definitie de ‘gelegenheid geven tot sportbeoefening’.
Dit criteria was niet terug te vinden in de btw-rl, hier werd alleen gesproken over het ‘toegang
verlenen tot een sportaccommodatie’. HR heeft geoordeeld dat ‘gelegenheid geven tot
sportbeoefening’ richtlijnconform kon worden uitgelegd als ‘toegang verlenen tot een
sportaccommodatie’. De HR hield de tijdelijk afgesloten weg als een ‘sportaccommodatie’ in
combinatie met de andere voorzieningen ter plekke.
Leerstuk van de rechtstreekse werking
Leerstuk van de rechtstreekse werking = de richtlijn kan ook rechtstreeks worden toegepast, al dan
niet door een bepaling uit de nationale wet, die strijdig is met de richtlijn, aan de kant te schuiven. Zo
kan het doel van een richtlijn worden gewaarborgd. Door de rechtstreekse werking van de richtlijn
mag een burger niet in een nadeligere situatie uitkomen. Rechtstreekse werking van een richtlijn mag
alleen als het een positief resultaat geeft voor de burger.
Voor de toepassing van het leerstuk van de rechtstreekse werking (met een positief resultaat voor de
burger) dient aan drie voorwaarden te worden voldaan:
1. Omzettingstermijn (uiterste implementatiedatum van de richtlijn) moet zijn verstreken;
, 2. Op moment dat die omzettingstermijn is verstreken, de richtlijn mag dan niet of niet-tijdig
zijn geïmplementeerd;
3. De bepaling uit de richtlijn waarop een beroep wordt gedaan, onvoorwaardelijk moet zijn en
voldoende nauwkeurig.
a. Onvoorwaardelijk = dus niet bepalingen waarin lidstaten een keuze wordt gelaten:
een ‘kan’-bepaling, zo’n bepaling is niet ‘onvoorwaardelijk’. Bijvoorbeeld de richtlijn
laat keuze bij lidstaten voor het toepassen voor een verlaagd tarief, dergelijke
bepaling is dus niet onvoorwaardelijk.
b. Onvoldoende nauwkeurig = wanneer lidstaten zelf sommige voorwaarden nog nader
moeten invullen. Dit kan in bepaling van de richtlijn zelf tot uitdrukking komen, of
door een bepaalde vaagheid van een bepaling. Voorbeeld hiervan is de ‘fiscale
eenheid’.
Arrest Ursula Becker: Duitsland had geen btw-vrijstelling tot bemiddeling van kredietverlening
opgenomen, terwijl de richtlijn de opname hiervan wel verplichtte. HvJ oordeelde: belastingplichtige
mocht een rechtstreeks beroep doen op de richtlijn en daardoor de vrijstelling toch mocht toepassen.
Rol van het HvJ EU
Het HvJ EU legt de btw-rl uit. Dit doen zij niet spontaan.
Zaken over btw komen in de praktijk op 2 manieren bij het HvJ EU terecht:
1. Als een nationale rechter een prejudiciële vraag stelt (art. 267 VwEU, arrest Cilfit nr. 283/81)
2. Bij een inbreukprocedure (art. 258 VwEU)
In het arrest Cilfit heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) uiteengezet wanneer een
nationale rechter verplicht is om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof.
In Nederland kunnen rechtbanken en gerechtshoven prejudiciële vragen stellen aan het HvJ EU, maar
zijn daartoe niet verplicht. Alleen de Hoge Raad is verplicht een vraag te stellen, wanneer:
de beslechting van het bij haar aanhangige geschil afhangt van de uitleg van een bepaling van
het Unierecht (zoals de btw-richtlijn), én
die uitleg niet duidelijk is (acte claire) of nog niet eerder door het Hof van Justitie is gegeven
(acte éclairé).
Bij een inbreukprocedure sleept de Europese Commissie een lidstaat voor het HvJ. Dit kan als de
Commissie vindt dat een lidstaat zijn verplichtingen uit hoofde van die richtlijn niet nakomt.
Vraagstukken 5 t/m 7:
5. Wat is het verschil tussen richtlijnconforme uitleg en rechtstreekse werking?
6. Waarom is de harmonisatie van omzetbelasting van belang voor de interne markt in de EU?
7. Bij de toepassing van de omzetbelastingwetgeving speelt de jurisprudentie van het HvJ een
belangrijke rol. In welke situaties wordt het Hof vna Justitie ingeschakeld en door wie?
, Belastbare feiten en denkschema
Belastbare feiten voor de OB worden opgesomd in art. 1 Wet OB:
Onder de naam 'omzetbelasting' wordt een belasting geheven ter zake van:
a. leveringen van goederen en diensten, welke in Nederland door een als zodanig handelende
ondernemer onder bezwarende titel worden verricht;
b. intracommunautaire verwervingen van goederen onder bezwarende titel in Nederland door
een als zodanig handelende ondernemer en door rechtspersonen, andere dan ondernemers;
c. intracommunautaire verwervingen onder bezwarende titel, anders dan in de zin van
onderdeel b, van nieuwe vervoermiddelen in Nederland;
d. invoer van goederen.
Intracommunautaire verwerving = invoer van goederen uit andere EU-lidstaten
Een particulier (een niet-ondernemer) kan nooit een intracommunautaire verwerving verrichten, tenzij
het gaat over de intracommunautaire verwerving gaat van vervoersmiddelen (zoals auto’s).
De term ‘intracommunautair’ is strikt genomen niet meer helemaal zuiver. De term
‘communautair’ verwijst naar ‘communauté’, wat ‘gemeenschap’ betekent en ziet op de
Europese gemeenschap. Maar sinds november 2009 bestaan deze niet meer en hebben we
alleen nog maar de Europese unie. De term zou eigenlijk ‘intra-unieaire verwerving’ moeten
heten maar deze naamsverandering is (nog) niet doorgevoerd.
Invoer van goederen = goederen invoeren vanuit buiten de EU
Denkschema:
1. Wie? (ondernemer of niet)
Allereerst moet bepaald worden of er sprake is van een ondernemer, omdat de meeste belastbare
feiten alleen kunnen worden verricht door een ondernemer.
2. Wat? (levering van goederen of diensten)
Wat doet die ondernemer dan? Verricht die een levering van goederen of een dienst? Beide zijn
belastbare feiten, maar er gelden verschillende regels voor elk, zoals de plaats van dienst.
3. Waar? (plaats van prestatie in Nederland of daarbuiten)
Waar is de plaats van prestatie? Ligt dit in Nederland of daarbuiten? Alleen als het in Nederland is dan
zal er in Nederland omzetbelasting verschuldigd zijn.
4. Hoeveel? (Maatstaf van heffing, tarief, vrijstelling)
Als we hebben vastgesteld dat er een levering van een goed/een dienst in Nederland heeft
plaatsgevonden, dan moeten we kijken wat de maatstaf van heffing is, en of er eventueel een
vrijstelling hierop geldt.
5. Hoe en wanneer? (wie moet betalen en wanneer)
Hoe en wanneer moet afgedragen worden? Wie moet afdragen en op welk moment?
6. Aftrek van voorbelasting?
Vraagstukken 8 en 9:
8. Kunt u als particulier rechtstreeks omzetbelasting verschuldigd zijn aan de staat?
9. Waarom is de term ‘intracommunautair niet meer helemaal zuiver?