Inhoudsopgave
Conceptuele leerlijn ..................................................................................................................... 2
1.4hcCL1- Introductie ouderen Ergotherapie en richtlijnen ................................................................. 2
1.4hcCL2- Geheugen en amnesie ..................................................................................................... 2
1.4wcCL/1.4wcCL1- Amnesie ..................................................................................................... 5
1.4hcCL3- Dementie (neurologie) ..................................................................................................... 7
1.4wcCL/1.4wcCL2- Ergotherapie en dementie ....................................................................... 12
1.4hcCL4- Botweefsel, osteoporose en artrose ............................................................................... 14
1.4hcCL5- zorgtechnologie ............................................................................................................ 19
1.4wcCL/ 1.4wcCL3- Ergotherapie en zorgtechnologie .................................................................... 23
1.4hcCL6- Houding en bewegen bij ouderen & Ergotherapierichtlijn Valpreventie .............................. 24
1.4wcCL/1.4wcCL4- Valpreventie en valanalyse ...................................................................... 29
1.4 Flitscollege - heupfractuur en leefregels .................................................................................... 32
1.4wcCL/1.4wcCL5- Toepassen leefregels bij heupfracturen .................................................. 37
1.4 hcCL7- Ziekte van Parkinson en richtlijn ergotherapie bij de ziekte van Parkinson ......................... 39
1.4wcCL/1.4wcCL 6- Richtlijn ergotherapie bij Ziekte van Parkinson ...................................... 43
1.4 hcCL8- kwaliteitszorg en wetgeving in de ouderenzorg ................................................................ 45
1.4 hcCL9- ontstaan van houdingsproblematiek .............................................................................. 48
,Conceptuele leerlijn
1.4hcCL1- Introductie ouderen Ergotherapie en richtlijnen
Introductie
1.4hcCL2- Geheugen en amnesie
Het geheugenproces
Omgeving à Sensorische registers à Werk- of kortetermijngeheugen à Lange termijn
geheugen
Het geheugenmodel van Atkinson en Shi4rin
Uit je omgeving vang je de prikkels op, die worden geleid naar je brein. Het stukje brein
heet sensorische registers. In die sensorische registers blijft paar seconden hangen. Je
brein beslist dan of dit informatie is of het wat langer blijft hangen of voor even. Komt het
in het werkgeheugen of kortetermijngeheugen? In het werkgeheugen wordt bepaald of
dit wordt onthouden in langer termijn geheugen.
à dit zijn allemaal netwerken in je hersenschors wat samen werken.
Informatieverkeer, 3 vormen:
- Inprenting, het opnemen van informatie
- Retentie, het vasthouden van informatie
- Reproductie, het ophalen van informatie
Lange termijn geheugen en expliciet geheugen
Lange termijn geheugen à expliciet en impliciet à Episodisch, semantisch, prospectief
Het expliciete geheugen:
1. Episodisch geheugen: geheugen voor
gebeurtenissen. Alles wat jij doet, bent en
meemaakt. Het gevoel wast je bij die
gebeurtenissen had.
2. Semantisch geheugen: ‘kennis van de wereld’,
alles wat jou is geleerd. (Feitenkennis)
Vb. ‘EiUeltoren staat in Parijs’
3. Prospectief geheugen: ‘vooruitkijken’,
herinneren wat je gaat doen in de
toekomende tijd.
Vb. Elke dinsdag vuilnis buiten zetten, verjaardagen etc.
,Het impliciete geheugen:
‘Het handelen’, 3 vormen:
1. Procedureel geheugen: geheugen voor vaardigheden, iets wat je ooit bent geleerd
en nu nog steeds kan.
Vb. Lopen, fietsen, rekenen, de tafels, spelletjes zoals kaarten
2. Priming: Herkennen van informatie omdat je er eerder mee in aanraking bent
geweest, op onbewust niveau.
Vb. de smiley bij hoe hard je rijdt
3. Conditioneren: klassiek en operant
è Klassiek conditioneren: aanleren van een relatie tussen twee stimuli, de Pavlov
reactie.
Vb. dat je moet plassen als je water hoort stromen
Vb. als je keer op keer eerst belt met een bel en vervolgens je honden eten geeft,
gaan ze al bijna kwijlen bij het geluid van de bel
è Operant conditioneren: leerproces waarbij gedrag wordt beïnvloed door gevolgen
ervan zoals beloningen en straUen.
Het amnetisch syndroom is een stoornis van het expliciete geheugen. Feiten en
gebeurtenissen kun je dan niet goed onthouden.
Het opslaan van informatie in het geheugen
Het geheugenspoor of engram
- Informatie van buiten wordt in het brein bewaart in neurale netwerken (KTG) in de
secundaire en tertiaire cortex.
- Om informatie te kunnen onthouden moet de neurale activiteit (= veranderende
synapsen) worden vastgelegd in een geheugenspoor (engram).
Prikkelgeleiding: synaps tussen twee neuronen (plek waar de prikkeloverdracht zich
plaats vindt).
Het opslaan van informatie in het geheugen
De hippocampus: onderdeel van het limbisch systeem en verbonden met de neocortex.
Beoordeelt informatie en bepaalt of het moet worden opgeslagen (soort regelcentrum).
2 functies:
- Vormen van engrammen
- Verstevigen (consolideren, vastleggen) van engrammen
, Amnesie: 2 soorten
1. Anterograde amnesie: Er kunnen geen nieuwe engrammen meer worden
gevormd, patiënt kan hierdoor geen nieuwe informatie meer opslaan en vergeet
informatie na een paar minuten. Er worden geen geheugensporen aangemaakt.
= Het geheugenverlies wat na hersenletsel optreedt
2. Retrograde amnesie: Gevormde engrammen worden niet verder geconsolideerd.
Herinneringen van het letsel gaan vervagen. Recente herinneringen vervagen het
eerst. Hypocampus valt dan uit en die kan niet meer helpen om die
geheugensporen aansterken.
= Hersenletsel: dan kunnen mensen zelf niet meer herinneren wat de toedracht is
geweest en de periode wat daarvoor is geweest.
Amnesie: Het amnestische syndroom, dus een combinatie van beide
- Is een combinatie van het anterograde en retrograde amnesie
- Komt voor in allerlei gradaties van ernst afhankelijk van letsel of de ziekte
- Gaat vaak gepaard met andere neurologische stoornissen
- Er zijn ook intacte functies zoals het werkgeheugen, jeugdherinneringen,
vaardigheden, intelligentie (deze blijven meestal wel).
Confabulaties: latijn fabula= ‘praatjes, verzinsel’
- Het opvullen van gaten in het geheugen met fantasie. Als je bijvoorbeeld aan een
persoon met dementie vraagt wat hij gisteren gedaan heeft, dan kan hij
antwoorden dat hij boodschappen deed op de markt, terwijl jij weet dat hij thuis
was.
- Ontstaat als het amnestische syndroom gepaard gaat met beschadiging van de
frontale kwabben
- Is onbewust
- Vaak bij syndroom van Korsakov
Amnesie in het dagelijks leven- Gevolgen kunnen zijn:
o Problemen met zelfverzorging
o Problemen met uitvoeren van dagelijkse activiteiten
o Moeite met sociale activiteiten
o Moeite met dingen begrijpen en oplossen van problemen
o Desoriëntatie in tijd of plaats
Aandoeningen die amnesie kunnen veroorzaken
o Korsakov: oorzaak is de ziekte van Wernicke, komt veel voor bij alcoholisten.
Veroorzaakt door een gebrek aan Vitamine B1.
o Alzheimer: dementieziekte. Het amnestisch syndroom is meestal het eerste
symptoom.
o Hersentrauma: na een hersenkneuzing en coma ontstaat posttraumatische
amnesie (PTA). Tijdens de PTA worden geen geheugensporen gevormd. Ook is
er sprake van retrogade amnesie.