College 1
In D&A:
- Met welke testinstrumenten kan ik de ontwikkeling/situatie het best in kaart brengen?
- Waar moet ik op letten bij de testselectie?
- Hoe interpreteer ik de testuitslag?
- Hoe wordt een goed testinstrument ontwikkeld?
Leerdoelen D&A, LET OP: deze komen allemaal terug in TENTAMEN. :
1. Uitleggen wat het assessmentproces inhoudt met de verschillende stappen, aannames,
ethische aspecten en speciale voorzieningen.
2. Begrijpen wat testscores betekenen en hoe deze te interpreteren om adequate
besluitvorming te laten plaatsvinden.
3. Uitleggen wat betrouwbaarheid en validiteit van testscores zijn en hoe deze kunnen
samenhangen en verschillen.
4. Begrijpen hoe de kwaliteit van individuele items te analyseren is.
5. De kwaliteit van verschillende instrumenten beoordelen voor het meten van diverse
populaties.
Belangrijke begrippen H1:
- Test
- Measurement
- Assessment
- Maximum performance test
- Achievement test (speed & power)
- Aptitude Test (speed & power)
- Typical response test
- Norm-referenced score interpretaties
- Criterion-referenced score interpretaties
- 10 basisassumpties
- Besluitvorming: Diagnose, Classificatie, etc.
Belangrijke begrippen H11:
- Multi-Method, Multi-Modal approach
- Gedragsinstrumenten (“method”):
- Directe observatie
- Interview
- Zelfrapportage vragenlijsten
- Omnibus
- Domeinspecifiek
- Response sets
De SASIB:
1. Definiëren -> definieer hulpvraag
2. Selecteren -> selecteer type test
3. Afnemen -> afname test
4. Scoren -> scoren = measurement
5. Interpreteren -> interpreteren = assessment
6. Besluitvorming -> besluitvorming = application
, 1) Hulpvraag
Is gericht op bv gedrag, socio-emotionele ontwikkeling of cognitieve ontwikkeling.
2) a Type testen:
- Maximum Performance Test: in kaart brengen van kennis- en vaardigheidsniveau.
- Achievement test: niveau na instructie.
- Aptitude test: niveau als gevolg van levenservaring.
- Subtypes Maximum Performance Tests:
- Speed: hoeveel items correct binnen afgebakende tijd?
- Power: oplopende moeilijkheidsgraad -> hoeveel items correct?
- Objectief: scoren van MC (goed of fout).
- Subjectief: tentamen met open vragen (gevoeliger voor interpretatie
nakijker).
- Typical Response Test: in kaart brengen gedrag en persoonskenmerken.
- Objectieve persoonlijkheidstests: vaste antwoordcategorieën (klopt
wel/niet).
- Projectieve persoonlijkheidstests: open vragen, geen goed/fout, subjectieve
scoring.
- Zelfrapportage vragenlijsten:
- Omnibus: brede range aan symptomen en gedragingen. Signalering en
screening.
- Domeinspecifiek: één aspect breder meten. Bv concentratie ofzo.
- Interview:
- Semi-gestructureerd: volgorde van vragen ligt niet vast. Gedaan met ouders,
met school of met kind/jeugdige zelf.
- Concreet, observeerbaar gedrag laten beschrijven: is frequentie en ernst
afwijkend tov leeftijdsgenoten? Antecedenten en consequenties van het
probleemgedrag. Co-morbiditeit bepalen/uitsluiten.
- Directe observatie: doel is zicht krijgen op (probleem)gedrag.
- Kwalitatief (beschrijvend) vs. Kwantitatief (turven).
- In context plaatsen gedrag (wat ging vooraf?; wat was gevolg?).
- Setting: naturalistisch (thuis/school) of gecontroleerd (in lab, tijdens
consult).
- Rol observator: participerend of afwezig (via camera).
- Kwantitatieve observaties:
- Time-sampling: aanwezigheid gedefinieerd gedrag.
- Geheel interval: gedrag is continu aanwezig geweest.
- Gedeeltelijk interval: gedrag komt voor tijdens interval.
- 1 moment: Gedrag na XX aantal seconden of minuten?
- Event-sampling: frequentie turven gedefinieerd gedrag.
Bij selecteren van test: let op: hulpvraag, kwaliteit, ethische verantwoording, basisassumpties.
2b) Belangrijk: Basisassumpties bij Testen:
1) Psychologische en onderwijsconstructen bestaan.
2) Psychologische en onderwijsconstructen zijn meetbaar.
3) Psychologische en onderwijsconstructen kunnen nooit perfect gemeten worden
, (error!).
4) Psychologische en onderwijsconstructen kunnen op verschillende manieren
gemeten worden.
5) Alle vormen van assessment hebben hun sterke en zwakke kanten.
- Houd het doel van assessment goed voor ogen.
- Technische eigenschappen van testen verschillen.
- Belangrijk: doel van assessmentprocedure (specifiek gebruik) & technische
eigenschappen van test.
6) Gebruik meerdere bronnen van informatie (indien mogelijk).
7) Prestaties op testen kunnen gegeneraliseerd worden naar niet-getest gedrag.
- Bv cito-scores basisschool voorspellen schoolniveau middelbare school?
8) Informatie uit assessment kan professionals helpen om betere beslissingen te
nemen.
- Bv bepalen schoolniveau met of zonder eindtoets in groep 8?
9) Assessments kunnen op eerlijke manier worden uitgevoerd.
- Zijn gevolgtrekkingen obv assessment gelijk voor mannen en vrouwen, eerste
taal- en tweede taalverwervers, met en zonder migratieachtergrond etc?
10) De maatschappij en individuen hebben over het algemeen voordeel van
assessment.
3) Test afnemen
Test: Manier om een “representatieve steekproef van gedrag” te krijgen van een individu. +
Systematische manier om informatie te verzamelen -> en daarmee een belangrijk onderdeel
van assessment.
- Multi-Modal: gebruik van meerdere informatiebronnen: de ouder, de docent/
leerkracht/leidster en het kind zelf. Bv ASEBA.
- Ethisch handelen Testleider:
- Gekwalificeerd om test af te nemen?
- Is er informed consent?
- Assent minderjarigen (in combi met consent ouders).
- Volg je secuur het testprotocol?
- Gestandaardiseerde afname.
- Toepassen speciale voorzieningen zoals beschreven.
- Ethisch verantwoorde Respondent:
- Eerlijk zijn.
- Niet sociaal-wenselijk invullen.
- Anderen niet storen (bij groepstest).
- Houden aan de ‘’regels’’.
- Bv geheimhouden test-inhoud.
- Bv geen foto’s maken/kopiëren.
4) Scoren = measurement
Score toekennen.
Measurement: Set van regels om getallen (score) toe te kennen aan de gedragingen en/of
prestaties van een individu.
Ethisch verantwoord scoren:
In D&A:
- Met welke testinstrumenten kan ik de ontwikkeling/situatie het best in kaart brengen?
- Waar moet ik op letten bij de testselectie?
- Hoe interpreteer ik de testuitslag?
- Hoe wordt een goed testinstrument ontwikkeld?
Leerdoelen D&A, LET OP: deze komen allemaal terug in TENTAMEN. :
1. Uitleggen wat het assessmentproces inhoudt met de verschillende stappen, aannames,
ethische aspecten en speciale voorzieningen.
2. Begrijpen wat testscores betekenen en hoe deze te interpreteren om adequate
besluitvorming te laten plaatsvinden.
3. Uitleggen wat betrouwbaarheid en validiteit van testscores zijn en hoe deze kunnen
samenhangen en verschillen.
4. Begrijpen hoe de kwaliteit van individuele items te analyseren is.
5. De kwaliteit van verschillende instrumenten beoordelen voor het meten van diverse
populaties.
Belangrijke begrippen H1:
- Test
- Measurement
- Assessment
- Maximum performance test
- Achievement test (speed & power)
- Aptitude Test (speed & power)
- Typical response test
- Norm-referenced score interpretaties
- Criterion-referenced score interpretaties
- 10 basisassumpties
- Besluitvorming: Diagnose, Classificatie, etc.
Belangrijke begrippen H11:
- Multi-Method, Multi-Modal approach
- Gedragsinstrumenten (“method”):
- Directe observatie
- Interview
- Zelfrapportage vragenlijsten
- Omnibus
- Domeinspecifiek
- Response sets
De SASIB:
1. Definiëren -> definieer hulpvraag
2. Selecteren -> selecteer type test
3. Afnemen -> afname test
4. Scoren -> scoren = measurement
5. Interpreteren -> interpreteren = assessment
6. Besluitvorming -> besluitvorming = application
, 1) Hulpvraag
Is gericht op bv gedrag, socio-emotionele ontwikkeling of cognitieve ontwikkeling.
2) a Type testen:
- Maximum Performance Test: in kaart brengen van kennis- en vaardigheidsniveau.
- Achievement test: niveau na instructie.
- Aptitude test: niveau als gevolg van levenservaring.
- Subtypes Maximum Performance Tests:
- Speed: hoeveel items correct binnen afgebakende tijd?
- Power: oplopende moeilijkheidsgraad -> hoeveel items correct?
- Objectief: scoren van MC (goed of fout).
- Subjectief: tentamen met open vragen (gevoeliger voor interpretatie
nakijker).
- Typical Response Test: in kaart brengen gedrag en persoonskenmerken.
- Objectieve persoonlijkheidstests: vaste antwoordcategorieën (klopt
wel/niet).
- Projectieve persoonlijkheidstests: open vragen, geen goed/fout, subjectieve
scoring.
- Zelfrapportage vragenlijsten:
- Omnibus: brede range aan symptomen en gedragingen. Signalering en
screening.
- Domeinspecifiek: één aspect breder meten. Bv concentratie ofzo.
- Interview:
- Semi-gestructureerd: volgorde van vragen ligt niet vast. Gedaan met ouders,
met school of met kind/jeugdige zelf.
- Concreet, observeerbaar gedrag laten beschrijven: is frequentie en ernst
afwijkend tov leeftijdsgenoten? Antecedenten en consequenties van het
probleemgedrag. Co-morbiditeit bepalen/uitsluiten.
- Directe observatie: doel is zicht krijgen op (probleem)gedrag.
- Kwalitatief (beschrijvend) vs. Kwantitatief (turven).
- In context plaatsen gedrag (wat ging vooraf?; wat was gevolg?).
- Setting: naturalistisch (thuis/school) of gecontroleerd (in lab, tijdens
consult).
- Rol observator: participerend of afwezig (via camera).
- Kwantitatieve observaties:
- Time-sampling: aanwezigheid gedefinieerd gedrag.
- Geheel interval: gedrag is continu aanwezig geweest.
- Gedeeltelijk interval: gedrag komt voor tijdens interval.
- 1 moment: Gedrag na XX aantal seconden of minuten?
- Event-sampling: frequentie turven gedefinieerd gedrag.
Bij selecteren van test: let op: hulpvraag, kwaliteit, ethische verantwoording, basisassumpties.
2b) Belangrijk: Basisassumpties bij Testen:
1) Psychologische en onderwijsconstructen bestaan.
2) Psychologische en onderwijsconstructen zijn meetbaar.
3) Psychologische en onderwijsconstructen kunnen nooit perfect gemeten worden
, (error!).
4) Psychologische en onderwijsconstructen kunnen op verschillende manieren
gemeten worden.
5) Alle vormen van assessment hebben hun sterke en zwakke kanten.
- Houd het doel van assessment goed voor ogen.
- Technische eigenschappen van testen verschillen.
- Belangrijk: doel van assessmentprocedure (specifiek gebruik) & technische
eigenschappen van test.
6) Gebruik meerdere bronnen van informatie (indien mogelijk).
7) Prestaties op testen kunnen gegeneraliseerd worden naar niet-getest gedrag.
- Bv cito-scores basisschool voorspellen schoolniveau middelbare school?
8) Informatie uit assessment kan professionals helpen om betere beslissingen te
nemen.
- Bv bepalen schoolniveau met of zonder eindtoets in groep 8?
9) Assessments kunnen op eerlijke manier worden uitgevoerd.
- Zijn gevolgtrekkingen obv assessment gelijk voor mannen en vrouwen, eerste
taal- en tweede taalverwervers, met en zonder migratieachtergrond etc?
10) De maatschappij en individuen hebben over het algemeen voordeel van
assessment.
3) Test afnemen
Test: Manier om een “representatieve steekproef van gedrag” te krijgen van een individu. +
Systematische manier om informatie te verzamelen -> en daarmee een belangrijk onderdeel
van assessment.
- Multi-Modal: gebruik van meerdere informatiebronnen: de ouder, de docent/
leerkracht/leidster en het kind zelf. Bv ASEBA.
- Ethisch handelen Testleider:
- Gekwalificeerd om test af te nemen?
- Is er informed consent?
- Assent minderjarigen (in combi met consent ouders).
- Volg je secuur het testprotocol?
- Gestandaardiseerde afname.
- Toepassen speciale voorzieningen zoals beschreven.
- Ethisch verantwoorde Respondent:
- Eerlijk zijn.
- Niet sociaal-wenselijk invullen.
- Anderen niet storen (bij groepstest).
- Houden aan de ‘’regels’’.
- Bv geheimhouden test-inhoud.
- Bv geen foto’s maken/kopiëren.
4) Scoren = measurement
Score toekennen.
Measurement: Set van regels om getallen (score) toe te kennen aan de gedragingen en/of
prestaties van een individu.
Ethisch verantwoord scoren: