Week 1: Paul, Koselleck en Chakrabarty
Paul (H1–H2): wat is geschiedfilosofie?
Paul onderscheidt twee grote vragen:
o Betekenisvraag: heeft geschiedenis “als geheel” richting/zin/patroon/bestemming?
o Kennis-/spreekvraag: hoe kunnen we zinnig over het verleden spreken; wat doen
historici als ze geschiedenis schrijven?
Twee tradities:
o Substantiële geschiedfilosofie (res gestae): gaat over het historische proces zelf
(Hegel, Augustinus), zoekt richting/zin/krachten.
o Analytische geschiedfilosofie (historia rerum gestarum): gaat over geschiedschrijving
en historische kennis (verklaring, objectiviteit, betrouwbaarheid).
Paul benadrukt: die tweedeling helpt, maar is niet waterdicht.
o Wereldbeelden beïnvloeden historisch denken.
o Geschiedschrijving werkt terug op de werkelijkheid
(politiek/moreel/maatschappelijk).
o Denkers passen vaak niet in één hokje.
Waarom nu weer actueel (H2)?
Paul zegt: we zitten in een post-postmoderne fase.
Twee clusters in hedendaagse geschiedfilosofie:
o Klassieke thema’s terug, maar minder naïef: waarheid, objectiviteit, verklaren,
betrouwbaarheid (niet positivistisch).
o Tijd/historiciteit: hoe mensen tijd beleven en zich positioneren
(presentisme/actualisme).
Presentisme: geschiedenis inzetten voor hedendaagse doelen
(politiek/moreel).
Actualisme: alleen het heden telt echt; verleden/toekomst worden vanuit
actuele zorgen begrepen.
Centrale spanning (Cartesian anxiety):
o Ofwel absoluut fundament (foundationalism/positivisme).
o Ofwel geen fundament en alles is relatief/machtstaal
(anti-foundationalism/relativisme).
o Paul wil een derde weg: evalueren en onderscheiden zónder absoluut fundament
(later: post-foundationalism).
Koselleck: space of experience en horizon of expectation
, Twee categorieën:
o Ervaringsruimte: wat uit het verleden beschikbaar is als
ervaring/geheugen/voorbeelden/tradities.
o Verwachtingshorizon: wat men zich als toekomst voorstelt (hoopt/vreest/plant).
Kernidee moderniteit: ervaring en verwachting gaan uit elkaar lopen (late 18e eeuw).
o Vroeger: toekomst leek op verleden, dus verleden als gids (prognose, Machiavelli).
o Rond verlichting/revoluties: toekomst wordt anders en “beter” (vooruitgangsidee).
Franse Revolutie als breukervaring:
o verleden wordt minder “exemplarisch” (niet gewoon een leerboek met
voorbeelden).
o elke generatie herinterpreteert opnieuw; men ervaart overgangstijd.
Versnelling:
o innovatie en tempo van verandering vergroten de kloof tussen ervaring en
verwachting.
In één zin: moderniteit = toekomstgericht, minder houvast aan verleden, maar tegelijk
permanent met geschiedenis bezig.
Chakrabarty: Anthropocene Time
Probleem: klimaat/anthropoceen dwingt historici om menselijke geschiedenis te denken
samen met geologische/planetair-systeemgeschiedenis.
Botsing van twee “tijden”:
o Planet-centered: protagonist is het Earth system; enorme tijdschalen;
gedistribueerde agency; “proces without a subject”.
o Human-centered: politiek vraagt om subject en verantwoordelijkheid (ongelijkheid,
kapitalisme, kolonialisme).
Spanning: om politiek te voeren wil je “wij/zij” en schuld toewijzen, maar Earth-system
denken laat juist complexe causaliteit zien.
Kernervaring Anthropocene time:
o twee tegenwoordigheden tegelijk: het dagelijkse politieke heden én een geologisch
heden waarin kantelpunten/versnelling mogelijk zijn.
Koppeling Husserl:
o de aarde was “stabiele grond” als vanzelfsprekend; klimaatverandering haalt dat
weg.
Kernpunt in één zin: mensen zijn niet alleen historische actoren maar ook geologische kracht,
en dat wringt met onze normale manier van politiek en historische verklaring.
Rode draad week 1
, Paul geeft kader en wil weg uit of/of (Cartesian anxiety).
Koselleck verklaart moderne tijdservaring (kloof ervaring/verwachting).
Chakrabarty radicaliseert dit met planetaire tijd: het politieke en historische verklaring
moeten opnieuw gesitueerd worden.