Sociale voorzieningen
LET OP: De leerdoelen + de hoorcollege sheets uit je hoofd kennen
Week 1 het sociale domein
Leerdoelen week 1: kennis van en inzicht in de doelstelling van en de wisselwerking
tussen Jeugd, zorg en participatie binnen het gemeentelijk sociaal domein en de rol van
de SJD’er daarin.
Het sociaal domein en de drie decentralisaties
Sinds 2015 is het gemeentelijk sociaal domein ingrijpend veranderd door de drie
decentralisaties: de Jeugdwet, de Wmo 2015 en de Participatiewet. Aanleiding
hiervoor waren grote problemen in het oude stelsel, zoals versnippering van hulp,
Multi problematiek, hoge zorgkosten (vooral onder de oude AWBZ) en een systeem dat
werd gekenmerkt door verkokering, afstandelijkheid en instituties die centraal stonden
in plaats van de mens.
Decentraliseren betekent dat de uitvoering en verantwoordelijkheid van wetten en
regels zijn verplaatst van het Rijk naar de gemeenten. Daarbij speelden drie
vraagstukken:
1. Het stelsel (wetten en regels),
2. De organisatie,
3. De uitvoering in de praktijk.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen:
• Transitie: de formele overdracht van taken, wetten, budgetten en
verantwoordelijkheden.
• Transformatie: de verandering in werkwijze, cultuur, samenwerking en gedrag
van professionals en burgers.
De transitie was nodig, maar de echte bedoeling lag bij de transformatie: anders gaan
werken.
Doelstellingen van de decentralisaties
Het beoogde maatschappelijke effect van de decentralisatie is:
• Meer participatie van burger
• Minder en lichtere inzet van zorg
• Betere ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers
• Snellere en betere passende hulp
• Beheersing van de kosten
Dit moet worden bereikt door:
• Integraal werken
• Meer samenwerking tussen organisaties
• Ontschotting van budgetten
• Maatwerk dichtbij de burger
Gemeenten kregen daardoor meer ruimte voor preventie, maatwerk, het benutten van
het eigen netwerk en het werken in de lokale context.
Integraal werken gebeurt op meerdere niveaus:
, • Inhoudelijk: zorg, inkomen, begeleiding en hulp samen bekijken.
• Organisatorisch: “één gezin, één plan, één regisseur”.
• Financieel: idealiter één breed budget.
Zorg: van AWBZ naar WMO, Zvw en Wlz
De Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) is opgeknipt in drie wetten:
Wmo 2015 (gemeente)
Gericht op zelfredzaamheid en participatie. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor:
• Begeleiding,
• Dagbesteding,
• Huishoudelijke hulp,
• Woningaanpassingen en hulpmiddelen,
• Opvang (zoals daklozenopvang en opvang bij huiselijk geweld),
• Beschermd wonen.
Doel is mensen zo lang mogelijk in hun eigen leefomgeving te laten functioneren.
Zorgverzekeringswet (Zvw)
Regelt medische en curatieve zorg, zoals:
• Wijkverpleging,
• Behandeling en specialistische ggz.
Wet langdurige zorg (Wlz)
Voor mensen die levenslang en 24 uur per dag intensieve zorg of toezicht nodig hebben
vanwege een:
• Lichamelijke beperking,
• Verstandelijke beperking,
• Zintuiglijke beperking,
• Psychische aandoening.
Het CIZ stelt vast of iemand een Wlz-indicatie krijgt. Zorg kan in een instelling of als het
veilig en verantwoord is thuis worden geleverd.
Jeugd: van Jeugdzorg naar Jeugdwet
Met de Jeugdwet zijn gemeenten verantwoordelijk voor alle jeugdhulp tot 18 jaar. De
wet verving de oude Wet op de jeugdzorg.
, Doelen:
• Jongeren laten opgroeien tot participerende burgers,
• Één wettelijk en financieel kader,
• Betere en integrale ondersteuning van gezinnen,
• Meer nadruk op preventie en eigen kracht.
In de praktijk bleek dat gemeenten moeite hadden met zware en specialistische zorg.
Daarom is een deel van de jeugdzorg weer regionaal georganiseerd.
Belangrijk onderscheid:
• Jeugdbeleid: strategisch niveau, preventie en brede visie.
• Jeugdhulp: uitvoerend niveau, concrete hulp aan jongeren en gezinnen.
Participatie en inkomen: de participatiewet
De Participatiewet verving de WWB en bundelde meerdere regelingen (WSW, Wajong,
WWB). Het doel is om meer mensen, ook met een arbeidsbeperking, aan het werk te
helpen.
Belangrijke inkomensvoorzieningen rond het sociaal minimum:
• Participatiewet (bijstand): laatste vangnet.
• Wajong: alleen nog voor jongeren die volledig en duurzaam
arbeidsongeschikt zijn.
• IOAW: voor oudere werklozen (geboren vóór 1965).
• IOW: tijdelijke regeling voor 60 jaar en 4 maanden of ouder.
• IOAZ: voor oudere ex-zelfstandigen.
• Toeslagenwet: aanvulling tot het sociaal minimum bij een te lage uitkering.
Gemeenten voeren de meeste van deze regelingen uit en combineren inkomen steeds
vaker met activering en participatie.
Samenhang tussen de drie decentralisaties
De drie wetten hangen sterk samen:
• Jeugdwet – Wmo: onder andere samenwerking rond huiselijk geweld en
kindermishandeling
• Jeugdwet - participatiewet: jongeren die geen Wajong krijgen, vallen terug op de
bijstand
• Wmo- participatiewet: focus op werk (PW) in plaats van alleen dagbesteding
(WMO)
In casussen betekent dit dat je altijd breder moet kijken dan een wet
LET OP: De leerdoelen + de hoorcollege sheets uit je hoofd kennen
Week 1 het sociale domein
Leerdoelen week 1: kennis van en inzicht in de doelstelling van en de wisselwerking
tussen Jeugd, zorg en participatie binnen het gemeentelijk sociaal domein en de rol van
de SJD’er daarin.
Het sociaal domein en de drie decentralisaties
Sinds 2015 is het gemeentelijk sociaal domein ingrijpend veranderd door de drie
decentralisaties: de Jeugdwet, de Wmo 2015 en de Participatiewet. Aanleiding
hiervoor waren grote problemen in het oude stelsel, zoals versnippering van hulp,
Multi problematiek, hoge zorgkosten (vooral onder de oude AWBZ) en een systeem dat
werd gekenmerkt door verkokering, afstandelijkheid en instituties die centraal stonden
in plaats van de mens.
Decentraliseren betekent dat de uitvoering en verantwoordelijkheid van wetten en
regels zijn verplaatst van het Rijk naar de gemeenten. Daarbij speelden drie
vraagstukken:
1. Het stelsel (wetten en regels),
2. De organisatie,
3. De uitvoering in de praktijk.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen:
• Transitie: de formele overdracht van taken, wetten, budgetten en
verantwoordelijkheden.
• Transformatie: de verandering in werkwijze, cultuur, samenwerking en gedrag
van professionals en burgers.
De transitie was nodig, maar de echte bedoeling lag bij de transformatie: anders gaan
werken.
Doelstellingen van de decentralisaties
Het beoogde maatschappelijke effect van de decentralisatie is:
• Meer participatie van burger
• Minder en lichtere inzet van zorg
• Betere ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers
• Snellere en betere passende hulp
• Beheersing van de kosten
Dit moet worden bereikt door:
• Integraal werken
• Meer samenwerking tussen organisaties
• Ontschotting van budgetten
• Maatwerk dichtbij de burger
Gemeenten kregen daardoor meer ruimte voor preventie, maatwerk, het benutten van
het eigen netwerk en het werken in de lokale context.
Integraal werken gebeurt op meerdere niveaus:
, • Inhoudelijk: zorg, inkomen, begeleiding en hulp samen bekijken.
• Organisatorisch: “één gezin, één plan, één regisseur”.
• Financieel: idealiter één breed budget.
Zorg: van AWBZ naar WMO, Zvw en Wlz
De Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) is opgeknipt in drie wetten:
Wmo 2015 (gemeente)
Gericht op zelfredzaamheid en participatie. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor:
• Begeleiding,
• Dagbesteding,
• Huishoudelijke hulp,
• Woningaanpassingen en hulpmiddelen,
• Opvang (zoals daklozenopvang en opvang bij huiselijk geweld),
• Beschermd wonen.
Doel is mensen zo lang mogelijk in hun eigen leefomgeving te laten functioneren.
Zorgverzekeringswet (Zvw)
Regelt medische en curatieve zorg, zoals:
• Wijkverpleging,
• Behandeling en specialistische ggz.
Wet langdurige zorg (Wlz)
Voor mensen die levenslang en 24 uur per dag intensieve zorg of toezicht nodig hebben
vanwege een:
• Lichamelijke beperking,
• Verstandelijke beperking,
• Zintuiglijke beperking,
• Psychische aandoening.
Het CIZ stelt vast of iemand een Wlz-indicatie krijgt. Zorg kan in een instelling of als het
veilig en verantwoord is thuis worden geleverd.
Jeugd: van Jeugdzorg naar Jeugdwet
Met de Jeugdwet zijn gemeenten verantwoordelijk voor alle jeugdhulp tot 18 jaar. De
wet verving de oude Wet op de jeugdzorg.
, Doelen:
• Jongeren laten opgroeien tot participerende burgers,
• Één wettelijk en financieel kader,
• Betere en integrale ondersteuning van gezinnen,
• Meer nadruk op preventie en eigen kracht.
In de praktijk bleek dat gemeenten moeite hadden met zware en specialistische zorg.
Daarom is een deel van de jeugdzorg weer regionaal georganiseerd.
Belangrijk onderscheid:
• Jeugdbeleid: strategisch niveau, preventie en brede visie.
• Jeugdhulp: uitvoerend niveau, concrete hulp aan jongeren en gezinnen.
Participatie en inkomen: de participatiewet
De Participatiewet verving de WWB en bundelde meerdere regelingen (WSW, Wajong,
WWB). Het doel is om meer mensen, ook met een arbeidsbeperking, aan het werk te
helpen.
Belangrijke inkomensvoorzieningen rond het sociaal minimum:
• Participatiewet (bijstand): laatste vangnet.
• Wajong: alleen nog voor jongeren die volledig en duurzaam
arbeidsongeschikt zijn.
• IOAW: voor oudere werklozen (geboren vóór 1965).
• IOW: tijdelijke regeling voor 60 jaar en 4 maanden of ouder.
• IOAZ: voor oudere ex-zelfstandigen.
• Toeslagenwet: aanvulling tot het sociaal minimum bij een te lage uitkering.
Gemeenten voeren de meeste van deze regelingen uit en combineren inkomen steeds
vaker met activering en participatie.
Samenhang tussen de drie decentralisaties
De drie wetten hangen sterk samen:
• Jeugdwet – Wmo: onder andere samenwerking rond huiselijk geweld en
kindermishandeling
• Jeugdwet - participatiewet: jongeren die geen Wajong krijgen, vallen terug op de
bijstand
• Wmo- participatiewet: focus op werk (PW) in plaats van alleen dagbesteding
(WMO)
In casussen betekent dit dat je altijd breder moet kijken dan een wet