Taak 7 – wetgeving & dierenwelzijn
1. Wat is dierenwelzijn en welke invalshoeken zijn er?
De visie op dierenwelzijn is afhankelijk van verschillende aspecten: de fysieke status (fitness),
mentale status (gevoelens) en het natuurlijke gedrag (telos, het doel waar een dier naar streeft).
Dierenwelzijn wordt vanuit verschillende ethiek bekeken:
- Mensgerichte ethiek: dit is een instrumentele visie, het dier (instrument) heeft alleen
waarde voor de mens omdat het nuttig is
- Diergerichte ethiek: dit is een niet instrumentele visie, het dier heeft intrinsieke waarde,
waarde om zichzelf.
Als je spreekt over dierenwelzijn kijk je vooral naar
- Adaptievermogen: heeft het dier de mogelijkheid zijn gedrag aan te passen om beter met
de situatie om te gaan?
- Positieve mentale staat: heeft het dier ook ervaringen die zijn mentale staat positief
beïnvloeden/ belonen?
2. Hoe meet je dierenwelzijn (betrek ook de vijf vrijheden)?
Definitie: een dier verkeerd in staat van
(goed) welzijn als het in staat is zich aan
zijn leefomstandigheden aan te passen
en tegelijk een toestand bereikt die het
dier als positief ervaart.
Definitie: dierenwelzijn betreft de
kwaliteit van het leven van het dier,
waarbij de houder de ‘vijf vrijheden’
respecteert en daarmee de grenzen van
het adaptievermogen van het dier niet
overschrijdt.
Dierenwelzijn wordt vooral gebaseerd
op de vijf vrijheden, je spreekt van dierenwelzijn als een dier hier zo vrij mogelijk van is:
1. Vrijheid van honger en dorst
2. Vrijheid van fysiek ongemak
3. Vrijheid van pijn, verwondingen en ziekte
4. Vrijheid om natuurlijk gedrag uit te voeren
5. Vrijheid van angst en (chronische) stress
Als de staat van onwelzijn ontbreekt, dan is er welzijn
Focus niet op het vermijden van onwelzijn, maar op het hebben van positieve ervaringen zoals:
- Gedrag gericht op exploratie van de omgeving (foerageren en jagen)
- Gedrag gericht op sociale interactie met soortgenoten (zorg voor jongeren, spelen,
bonding)
Dit leidt tot gevoelens van comfort, plezier, interesse, zelfvertrouwen en controle.
, De Welfare Quality-protocollen (veel gebruikt in Europa) delen dierenwelzijn op in vier
hoofdcategorieën (principes): goede voeding, goede huisvesting, goede gezondheid en gepast
gedrag. Hierin staan 12 criteria waaraan een dier moet voldoen. Op basis hiervan kan een dier
worden ingedeeld: Not classified (slecht/ onvoldoende), acceptable, enhanced en excellent
Dierenwelzijn kan je inzichtelijk maken met een formule, dit gaat om het individu
- Omvang = ernst x duur x prevalentie x aantal dieren
o Ernst = aanwezigheid van lijden (pijn, ziekte, verwondingen, afwijkend gedrag),
mutilaties (ingrepen zoals staart afknippen) & afwezigheid van het positieve
(natuurlijk gedrag, levensduur)
o Prevalentie: het aantal dieren dat op een bepaald moment een bepaalde ziekte of
aandoening heeft.
3. Wat heeft invloed op de populatie -dichtheid en -verspreiding?
Factoren die de omvang van een populatie kunnen beïnvloeden:
- Dichtheidsonafhankelijke factoren: beïnvloeden alle populaties even veel, onafhankelijk
van de grootte.
- Dichtheidsafhankelijke factoren: hebben vooral veel invloed op grote populaties
Het is natuurlijk in het echt nooit zo zwart wit als dit, er is altijd overlap te vinden in een
ecosysteem.
4. Wat houdt populatiedichtheid in?
Populatiedichtheid (density) is de hoeveelheid dieren van een
populatie bij elkaar in een gebied per vierkante kilometer op het
land en per volume-eenheid in het water. De dichtheid staat niet
vast maar is erg dynamisch.
Een populatie kan exponentieel of logistisch groeien
- Exponentieel: de populatie blijft groeien, zoals bacteriën
- Logistisch: de populatie neemt na een aantal generaties
af en blijft uiteindelijk rond dezelfde hoeveelheid
schommelen
1. Wat is dierenwelzijn en welke invalshoeken zijn er?
De visie op dierenwelzijn is afhankelijk van verschillende aspecten: de fysieke status (fitness),
mentale status (gevoelens) en het natuurlijke gedrag (telos, het doel waar een dier naar streeft).
Dierenwelzijn wordt vanuit verschillende ethiek bekeken:
- Mensgerichte ethiek: dit is een instrumentele visie, het dier (instrument) heeft alleen
waarde voor de mens omdat het nuttig is
- Diergerichte ethiek: dit is een niet instrumentele visie, het dier heeft intrinsieke waarde,
waarde om zichzelf.
Als je spreekt over dierenwelzijn kijk je vooral naar
- Adaptievermogen: heeft het dier de mogelijkheid zijn gedrag aan te passen om beter met
de situatie om te gaan?
- Positieve mentale staat: heeft het dier ook ervaringen die zijn mentale staat positief
beïnvloeden/ belonen?
2. Hoe meet je dierenwelzijn (betrek ook de vijf vrijheden)?
Definitie: een dier verkeerd in staat van
(goed) welzijn als het in staat is zich aan
zijn leefomstandigheden aan te passen
en tegelijk een toestand bereikt die het
dier als positief ervaart.
Definitie: dierenwelzijn betreft de
kwaliteit van het leven van het dier,
waarbij de houder de ‘vijf vrijheden’
respecteert en daarmee de grenzen van
het adaptievermogen van het dier niet
overschrijdt.
Dierenwelzijn wordt vooral gebaseerd
op de vijf vrijheden, je spreekt van dierenwelzijn als een dier hier zo vrij mogelijk van is:
1. Vrijheid van honger en dorst
2. Vrijheid van fysiek ongemak
3. Vrijheid van pijn, verwondingen en ziekte
4. Vrijheid om natuurlijk gedrag uit te voeren
5. Vrijheid van angst en (chronische) stress
Als de staat van onwelzijn ontbreekt, dan is er welzijn
Focus niet op het vermijden van onwelzijn, maar op het hebben van positieve ervaringen zoals:
- Gedrag gericht op exploratie van de omgeving (foerageren en jagen)
- Gedrag gericht op sociale interactie met soortgenoten (zorg voor jongeren, spelen,
bonding)
Dit leidt tot gevoelens van comfort, plezier, interesse, zelfvertrouwen en controle.
, De Welfare Quality-protocollen (veel gebruikt in Europa) delen dierenwelzijn op in vier
hoofdcategorieën (principes): goede voeding, goede huisvesting, goede gezondheid en gepast
gedrag. Hierin staan 12 criteria waaraan een dier moet voldoen. Op basis hiervan kan een dier
worden ingedeeld: Not classified (slecht/ onvoldoende), acceptable, enhanced en excellent
Dierenwelzijn kan je inzichtelijk maken met een formule, dit gaat om het individu
- Omvang = ernst x duur x prevalentie x aantal dieren
o Ernst = aanwezigheid van lijden (pijn, ziekte, verwondingen, afwijkend gedrag),
mutilaties (ingrepen zoals staart afknippen) & afwezigheid van het positieve
(natuurlijk gedrag, levensduur)
o Prevalentie: het aantal dieren dat op een bepaald moment een bepaalde ziekte of
aandoening heeft.
3. Wat heeft invloed op de populatie -dichtheid en -verspreiding?
Factoren die de omvang van een populatie kunnen beïnvloeden:
- Dichtheidsonafhankelijke factoren: beïnvloeden alle populaties even veel, onafhankelijk
van de grootte.
- Dichtheidsafhankelijke factoren: hebben vooral veel invloed op grote populaties
Het is natuurlijk in het echt nooit zo zwart wit als dit, er is altijd overlap te vinden in een
ecosysteem.
4. Wat houdt populatiedichtheid in?
Populatiedichtheid (density) is de hoeveelheid dieren van een
populatie bij elkaar in een gebied per vierkante kilometer op het
land en per volume-eenheid in het water. De dichtheid staat niet
vast maar is erg dynamisch.
Een populatie kan exponentieel of logistisch groeien
- Exponentieel: de populatie blijft groeien, zoals bacteriën
- Logistisch: de populatie neemt na een aantal generaties
af en blijft uiteindelijk rond dezelfde hoeveelheid
schommelen