A.
1. Ontwerp a.d.h.v. de voorgeschreven literatuur een
historische rode draad van de staatsrechtelijke ontwikkeling
van Nederland, binnen het tijdvak 1581-1868.
De constitutionele geschiedenis van Nederland begon bij de Unie van
Utrecht in 1579. Deze Unie was een verdrag tot gemeenschappelijke
verdediging waarbij de gewesten formeel zelfstandig bleven. In 1581 had
de Staten-Generaal Philips II afgezworen bij het plakkaat van Verlatinge.
Hierna is de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden ontstaan. Er was
echter geen sprake van een eenheidsstaat of federatie. De Republiek
bestond uit soevereine provincies en de Unie zelf had weinig
bevoegdheden. Hierin hadden de steden zelf veel macht, dit lag niet bij de
provincies. In 1648 werd de Unie van Utrecht volkenrechtelijk erkend bij de
Vrede van Munster. Bij de Unie waren de belangrijkste ambten de Staten-
Generaal, de stadhouder en de raadspensionaris van Holland, de Raad van
State en de Rekenkamer. De taken waren verdeeld als volgt.
Staten-
Besluiten over oorlog.
Generaal
Stadhouder Legerleider
Raadspensiona
Dagelijks binnenlandse beleid
ris
Bedoeling: dagelijks bestuur.
Werkelijkheid: ambtelijke
Raad van State
administratieve en financiële
bestuursfuncties m.b.t. het leger.
De gewesten onderling hadden geen gelijkvormige structuur. Elk gewest
had een college van provinciale staten, maar de samenstelling daarvan
liep uiteen. In theorie waren de gewesten soeverein, maar de
stadshouders bezaten veel macht. De Patriottenopstand (1781-1787) was
een Nederlandse beweging waarin burgers in verzet kwamen tegen de
macht van de stadhouder en pleitten voor meer democratische
hervormingen en burgerinvloed. De Unie kende nauwelijks eenheid van
recht, elk gewest regelde dit zelf. In de periode tussen 1795 (oprichting
Bataafse republiek) tot 1813 leefde Nederland onder Franse overheersing
(Napoleon -> koninkrijk Holland tot 1810). In 1798 werd Nederland
gecentraliseerd. De Staatsregeling van het Bataafse Volk was vergaand en
werd gekenmerkt door sterk centralisme, ver doorgevoerde democratische
besluitvorming en een aantal grondrechten. Provincies en gemeenten
werden onderworpen aan centraal gezag. De wetgevende macht lag bij
twee kamers en de uitvoerende macht werd gekozen door het
vertegenwoordigende lichaam. In 1810 hoorde Nederland bij het Keizerrijk
van Frankrijk. Nederland werd grotendeels bestuurd vanuit Frankrijk met
een sterk centralisme en rechtseenheid. In 1814 zijn de Fransen weg en
wordt Nederland een koninkrijk met een Grondwet.
1848 – Politieke ministeriële verantwoordelijkheid: ministers, niet de
koning, werden verantwoordelijk voor het beleid.
,1868 – Parlementair stelsel: het kabinet moet het vertrouwen van de
Tweede Kamer hebben om te kunnen blijven regeren.
2. Wanneer is iets een staat volgens het volkenrecht?
Staat: een organisatorisch verband, dat het hoogste gezag uitoefent op
een bepaald territoir, en is een dwanggemeenschap. Volgens het
volkenrecht zijn er vier elementen waaraan voldaan moet zijn voor
het ontstaan van een staat.
Bevolking: er moet sprake zijn van een groep personen.
Afgebakend territorium: de bevolking moet leven op een bepaald
grondgebied.
Effectief gezag: Er moet worden geregeerd door een overheid die
effectief en daadwerkelijk onafhankelijk gezag uitoefent over de
bevolking.
Internationale betrekkingen: de staat moet in staat zijn om
betrekkingen aan te gaan met andere staten.
Het is mogelijk dat een staat wél wordt erkend, maar haar overheid niet.
Dit is bijvoorbeeld het geval bij een staatsgreep of burgeroorlog. De
erkenning van de overheid gebeurt dan vaak omdat niet wordt voldaan
aan de politieke voorwaarden.
Andere staten zijn niet verplicht om een staat te erkennen. Een
staat hoeft dus niet erkend te worden indien deze voldoet aan de
volkenrechtelijke criteria. Een staat mag niet erkend worden indien er niet
is voldaan aan de criteria. Wanneer een staat niet meer voldoet aan deze
criteria houdt de staat op met bestaan.
3. Beschrijf de drie functies van het staatsrecht.
Constituerende functie: het instellen van
overheidsambten. Bijvoorbeeld art. 51 GW.
Attribuerende functie: het toekennen van bevoegdheden aan al
bestaande (al geconstitueerde) overheidsambten. Bijvoorbeeld art.
81 GW. Maar dit mag ook in een andere wet worden vastgelegd,
hoeft niet de Grondwet te zijn.
Regulerende (of matigende) functie: regelt de onderlinge
betrekkingen tussen overheidsambten en ook de betrekking van de
overheidsambten tot de onderdanen (burgers). Bijvoorbeeld art. 42
lid 2 GW; tussen overheidsambten worden de regels vastgelegd.
Voor de onderlinge betrekkingen tussen burgers en de overheid gaat
dit met grondrechten. Bijvoorbeeld art. 11 GW.
Drie vragen die van belang zijn wanneer er wordt gevraagd naar een
overheidsambt:
1. Samenstelling van de ambten. Bijvoorbeeld art. 42 lid 1 GW.
2. De verhoudingen van de ambten tot elkaar. Bijvoorbeeld art. 68 GW.
3. De bevoegdheden van de ambten. Bijvoorbeeld art. 81 GW.
4. Maak een overzicht van de verschillende staatsvormen en de
relevante criteria.
- Gecentraliseerde eenheidsstaat; vrijwel alle belangrijke
bevoegdheden centraal; decentrale lichamen vooral uitvoerders.
- Gedecentraliseerde eenheidsstaat, dit is de staatsvorm van
Nederland; centrale staat is soeverein,
, maar attributie/autonomie aan provincies/gemeenten (art. 123 e.v.
Gw).
- Federatie (bondsstaat).; eigen grondwettelijke positie van deelstaten
met oorspronkelijke (niet-afgeleide) bevoegdheden; federale en
deelstaat-wetgevers naast elkaar; bundeling van soevereiniteit.
Overheidsverbanden
Een structuur waarin overheidsambten in een rechtens bepaalde
verhouding tot elkaar staan en in een (wederkerige) relatie staan tot
onderdanen of groepen daarvan.
Wederkerige relatie: overheid en burger hebben beide een plicht. Denk
aan een burger die een uitkering aanvraagt. Burger heeft informatieplicht
en de overheid heeft vervolgens een motiveringsplicht.
Overheidsverbanden in Nederland
Hoofdstructuur:
Centraal overheidsverband (Rijk, Staat). Dit overheidsverband wordt
in de Grondwet verondersteld. Het bestaat zonder dat de Grondwet
er iets over zegt.
Decentraal overheidsverband provincies (12), art. 123 GW.
Decentraal overheidsverband provincies (meer dan 300), art. 123
GW.
Hulpstructuren:
- Andere territoriale lichamen, Saba, Sint-Eustatius en Bonaire, art.
132a GW.
- Waterschap, art. 133 GW.
- Openbare lichamen voor beroep (publiekrechtelijke
beroepsorganisaties), art. 134 GW. Bijvoorbeeld de Nederlandse
Orde voor Advocaten.
- Openbare lichamen op grond van art. 135 GW. Dit zijn bijvoorbeeld
samenwerkingsverbanden. Samenwerkingen van twee of meer
openbare lichamen, bijvoorbeeld gemeenten die samenwerken.
Overheidsambt: De samengestelde delen van
overheidsverbanden. Ambten van het centrale overheidsverband:
- Regering, art. 42 GW, Koning en ministers.
- Ministerraad, art. 45 GW, ministers.
- Staatssecretaris, art. 46 GW.
- Staten-Generaal, art. 51 GW, Eerste en Tweede Kamer.
- Raad van State, art. 73 GW.
- Rechterlijke macht, art. 112 GW.
Ambten van de decentrale overheidsverbanden:
Provincies en gemeenten kennen een parallelle structuur, hierbij is
bij beide sprake van:
- Een gekozen ambt.
- Dagelijks bestuur.
- Een van rijkswege benoemd ambt.
Niveau van het decentrale overheidsverband provincie, art. 125 GW.
- Gekozen ambt: provinciale staten.
- Dagelijks bestuur: gedeputeerde staten.
, - Van rijkswege benoemd ambt: commissaris van de Koning.
Niveau van het decentrale overheidsverband gemeente, art. 125
GW.
- Gekozen ambt: gemeenteraad.
- Dagelijks bestuur: College van burgemeester en wethouders.
- Van rijkswege benoemd ambt: burgemeester.
5. Waarin verschilt een regeringsvorm van een staatsvorm en
welke regeringsvorm kent Nederland op rijksniveau?
Staatsvorm:
- Verdeling bevoegdheden over overheidsverbanden.
- Verhoudingen tussen overheidsverbanden.
Regeringsvorm:
- Verdeling van bevoegdheden binnen een overheidsverband.
- Verhoudingen tussen de ambten binnen één overheidsverband.
Nederland: parlementair stelsel binnen een constitutionele
monarchie (regering: Koning + ministers; ministers politiek
verantwoordelijk aan het parlement). Geen absolute -> diverse ambten en
koning is gebonden aan grondwet.
6. Beschrijf kort de machtenscheidingsleer van Montesquieu.
Wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht dienen gescheiden te zijn
en elkaar te balanceren (checks and balances). In NL: functionele
scheiding en onderlinge controle, geen dogmatisch waterdichte
scheidslijnen.
7. Maak een overzicht van de zes elementen van de rechtsstaat
volgens Kortmann.
Een rechtsstaat is een staat waarbij de rechten en plichten, van zowel de
overheid als van de burger, is vastgelegd in wetten. Een rechtsstaat heeft
zes basiselementen.
Het legaliteitsbeginsel, overheidsoptreden moet berusten op een
algemene voor herhaalde toepassing vatbare regel.
Overheidsoptreden moet berusten op een vooraf vastgestelde regel.
Machtenscheiding, regelgeving en uitvoering mogen niet in één
ambt gelegd worden.
Het democratieprincipe, wetgeving moet direct of indirect door
burgers tot stand zijn gebracht.
De rechtspraak dient een rechter te zijn die onafhankelijk is van de
handelende overheid.
Klassieke grondrechten, dit is het meest inhoudelijke element van
een rechtsstaat.
B.
1. Wat is het verschil tussen strafrechtelijke en politieke
ministeriële verantwoordelijkheid?
- Strafrechtelijk (1840): ministers konden vervolgd worden voor
ambtsmisdrijven. Dit werd met de herziening van 1840
geïntroduceerd, samen met het verplichte contraseign. Het gaat dus
om juridische aansprakelijkheid. Sancties art 119 GW.
- Politiek (1848): ministers zijn verantwoording schuldig aan het
parlement over alle koninklijke handelingen (art. 42 lid 2 GW). Het
parlement kan ministers aanspreken, en bij onvoldoende vertrouwen
moet de minister of het kabinet aftreden (vertrouwensregel). Koning