Hoe raakt men verbonden? Art. 6:1: zelf of door de wet.
Art. 6:217 lid 1 BW: een overeenkomst komt tot stand door een aanbod
en aanvaarding daarvan.
- Online contract: bevestiging nodig van verkoper (art. 6:227c (2) BW)
- Art. 6:230o BW: bedenktijd van 14 dagen
- Knop ‘bestelling afronden’ voldoende voor ‘aanbod en aanvaarding’?
- Zie HvJ EU en Rechtbank Amsterdam
- Zie Inleiding Privaatrecht: intrekken, herroepen en verval van
aanbod
Art. 3:33 BW : verklaring = wil -> rechtshandeling
Maar: art. 3:35: verklaring ≠ wil toch een rechtshandeling als:
- verklaring/gedraging wederpartij
- vertrouwen dat verklaring = wil
- gerechtvaardigd (art. 3:11 BW, onderzoeksplicht)
- soms nog correctie op grond van art. 6:2 BW
Vertegenwoordiging
• Handelen namens jezelf of ander: wie is contractspartij? HR: Of
iemand bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam is
opgetreden dan wel in naam van derde hangt af van hetgeen hij en
die ander daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en
weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en
mochten afleiden.
• Wie is contractspartij bij een platform, zoals bol.com, of Amazon?
(online shoppen)
ü Mate betrokkenheid platform
ü Omstandigheden waarin de zaak is aangeboden: uiterlijke
schijn
ü Uiteindelijk: is het platform voldoende duidelijk over zijn rol?
ü Algemene voorwaarden geeft indicatie, maar niet beslissend.
Volmacht: Art. 3:60 BW alleen volmacht geregeld, maar art. 3:78 BW en
art. 3:79 BW
Art. 3:60 lid 1 BW:
- Bevoegdheid
- in naam van een ander
- rechtshandelingen te verrichten
• Art. 3:66 BW: gevolg:
- Rechtshandeling tussen volmachtgever en wederpartij, tussenpersoon
valt weg.
,Stel: de tussenpersoon is niet volmachtigd. Uitgangspunt: art. 3:66 lid 1
BW. Geen bevoegdheid geen overeenkomst (tussen niemand niet).
• Tenzij (1): bekrachtiging door achterman (art. 3:69 BW),
verklaren bij de wederpartij.
• Tenzij (2): art. 3:61 lid 2 BW, (+ speciale regeling in art. 3:76 BW).
Vereisten:
Ø Rechtshandeling, in naam van A,
Ø Maar zonder (toereikende) bevoegdheid
Ø Gerechtvaardigd vertrouwen derde?
Ø “Toedoen” (verklaring/gedraging A), of risico (ING/Bera).
Bera Holding heeft een rekening bij ING, Berner (Suriname) bevoegd.
Berner laat afschriften sturen naar NL vennootschappen, waarin Ramkalup
(alleen bevoged over Bera NL) zeggenschap heeft. ING verricht in opdracht
van Ramkalup betalingen ten laste van Bera Holding aan andere Bera-
vennootschappen. Bera Holding vecht die betalingen later aan:
onbevoegd verricht. Mocht ING vertrouwen op volmachtverlening aan
Ramkalup/ één holding? Hof: nee, geen toedoen, dus onbevoegde
betaling. Bera Holding heeft geen enkele schijn gewekt.
HR: art. 3:61 lid 2 BW, Uitgangspunt: Toerekening schijn volmachtverlening
ook als gerechtvaardigd vertrouwen o.g.v. feiten en omstandigheden die
voor risico van Bera Holding komen en waaruit naar verkeersopvattingen
schijn van bevoegdheid kan worden afgeleid. Hierbij is onder meer van
belang: Ramkalup was betrokken bij Bera Holding, de afschriften werden
op verzoek Bera Holding naar adres Ramkalup gestuurd, niet eerder
geprotesteerd Dus: hof was te streng. En art. 3:61 lid 2 BW is ruimer dan
de tekst doet vermoeden: niet altijd toedoen vereist, maar
omstandigheden die voor ‘risico’ van achterman komen. Maar wat
is ‘risico’?
Variatie op art. 3:61 lid 2 BW: art. 3:76 BW
Normaliter: einde volmacht einde
vertegenwoordigingsbevoegdheid.
Maar bijzondere regel bij einde volmacht: volmacht geldt als niet
geëindigd jegens derde zolang hij niet wist van beeindiging, tenzij
(art. 3:76 BW):
- Het einde van de volmacht aan de derde was medegedeeld; of
- Dood van de volmachtgever van algemene bekendheid was; of
- Volmacht geëindigd is op voor derden kenbare wijze; of:
- Het bestaan van de volmacht alleen door tussenpersoon aan de
derde was medegedeeld.
In alle andere gevallen waarin 3e niet wist van einde volmacht:
,Ontbreken bevoegdheid? Art. 3:70: Indien 3:61 lid 2 BW of 3:69 BW
niet wordt ingeroepen: dan geen rechtshandeling. Maar wel
schadevergoeding van tussenpersoon? Art. 3:70 BW: tussenpersoon
“staat in voor bevoegdheid”, tenzij…..
• Ook hier: bijzondere regeling bij einde volmacht (art. 3:76 lid 2 BW)
• Grondslag? Verbintenis en dus art. 6:74 BW, maar ook art. 6:162
BW?
• Omvang schade: zie Wisman/Trijber
Wisman/Trijber: invulling art. 3:70 BW
Aandelenverkoop: Trijber koopt via Wisman voor NLG 1 Renger. Wisman
bleek slechts bevoegd samen met Beek, die bekrachtiging weigert. Dus:
geen vertegenwoordigingsbevoegdheid. Later alsnog koop/bekrachtiging,
maar nu voor NLG 30.000. Trijber vordert van Wisman NLG 30.000. Vraag:
welke schade?
De Hoge Raad: “Naar het Hof met juistheid heeft aangenomen, dient
degeen die namens een andere persoon een overeenkomst sluit met een
derde, voor zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid in te staan. Dit brengt
mee dat de schade die hij aan de derde dient te vergoeden, indien deze
bevoegdheid ontbreekt, mede het voordeel omvat dat de niet tot
stand gekomen overeenkomst voor de derde zou hebben
meegebracht (het zogeheten positief contractsbelang).” Dus hier:
het gemiste voordeel.
Analyse/conclusie:
- Geen vertegenwoordigingsbevoegdheid, in beginsel -> art. 3.60 j.o.
3:66 = geen overeenkomst
- Bekrachtiging? Art. 3:69
, - Gerechtvaardigd vertrouwen? Art. 3:61 lid 2. Nodig is toedoen of
risico op grond van ING/Bera.
- Schadeclaim? Art. 3:70 j.o. 3:74 en Wisman/Trijber: positief
contractsbelang.
- OF: Mogelijk OD ex art. 6:162. Dan verhaal halen op werkgever op
grond van art. 6:170 -> negatief belang.
Inhoud en gelding
Gelding: Art. 3:40 BW: grenzen aan contractsvrijheid.
Inhoud: art 6:248 lid 1 BW
ü door partijen overeengekomen rechtsgevolgen
• Wat staat in het contract?
• Uitleg!
ü rechtsgevolgen uit (aanvulling)
• Wet
• Gewoonte
• Aanvullende werking redelijkheid en billijkheid
Art. 6:248 lid 2 BW
ü buiten toepassing indien naar maatstaven van r&b
onaanvaardbaar (beperkende/derogerende werking r&b)
ü Bijzondere toepassing: onvoorziene omstandigheden (art.
6:258 lid 2 BW)
Bij algemene voorwaarden: art. 6:233 sub a BW.
Oefenen casus:
1. Zegt de wet zelf iets over nietigheid/vernietigbaarheid? -> art. 3:40
BW
2. Is de rechtshandeling dan in strijd met de wet (art. 3:40 lid 2):
- In formele zin
- Dwingend recht
- Totstandkoming is in strijd met de wet
Zo ja; de transactie is nietig (hoofdregel). MAAR: vernietigbaar indien wet
slechts één soort partij (consumenten/werknemers) beoogt te
beschermen, tenzij uit strekking iets anders voortvloeit. OF (lid 3) toch
geldig; als dat uit de wet volgt (vb: de wet strekt ertoe de geldigheid aan
te tasten).
Art. 3:40 BW maakt impliciet onderscheid tussen:
• Aangaan/sluiten rechtshandeling: overeenkomen, bedingen (bijv.
mededingingsrecht/verkopen organen/kartelvorming) lid 2
• Inhoud of strekking rechtshandeling: prestatie zelf, of de
consequentie van een overeenkomst (‘de koopovereenkomst leidt
ertoe dat sprake zal zijn van heling’, of koop van een mes om
daarmee te doden) lid 1
Let op: als de wet niet de totstandkoming verbiedt, maar louter de inhoud
of strekking: lid 2 niet van toepassing, mogelijk lid 1 wel, maar niet
automatisch.