Hoofdstuk 1 – Inleiding
Organisatiekunde in historisch perspectief
Waarom deze module?
- Huidige situatie: werknemers beschermd door vakbonden en sociale
verzekeringen (Ziektewet, Werkloosheidswet, enz.).
- Situatie rond 1900: geen rechten, overgeleverd aan de grillen van de rijke en
machtige werkgevers. Tijd van puur kapitalisme (recht van de sterkste gold).
Op sociaaleconomisch vlak waren vraag-en-aanbodverhoudingen
allesbepalend en de overheid greep niet of nauwelijks in (laisser-faire).
Bepaalde verschijnselen die toen geïntroduceerd werden, zoals de lopende band,
bestaan nog steeds (niet alleen productiebedrijven, maar ook bij sommige
dienstverlenende bedrijven).
- Ontwikkeling jaren 20 vorige eeuw: productieprocessen standaardiseren, monde
vorige eeuw uit in lopendebandsysteem.
- Ontwikkeling jaren zestig: ingrijpende sociale omwentelingen die ook invloed
hadden op het bestuur van ondernemingen, maar ook de periode waarin welvaart
zeer sterk toenam.
- Uit Amerika kwam de marketinggedachte ‘De klant is koning’ overgewaaid.
- Ontwikkeling jaren tachtig: Initiatie door Europese Commissie; getracht te
streven naar volledige Europese economische integratie nieuwe impulsen te
geven onder de vlag ‘Europa 1992’ in bedrijfsleven groot aantal overnames,
fusies en joint ventures.
Hoofdstuk 1.1 – Inleiding
H1.2: Wat is een organisatie precies?
H1.3: Het op enkele manieren indelen van organisaties.
H1.4: Welke ontwikkelingen in de organisatietheorie kunnen worden
onderscheden.
Verdeeld in 4 periodes; eind negentiende eeuw tot circa 1935, van circa 1935
tot circa 1955, van circa 1955 tot 2000 en van 2000 tot het heden.
H1.5: Aandacht voor medezeggenschap en de ontwikkeling daarvan vanaf 1950
(Wet op ondernemingsraden van kracht).
H1.6: Enkele vermaarde denkers over management en organisatievraagstukken.
H1.7: Trends en ontwikkelingen van ondernemingen aan de hand van markteisen
die met de tijd veranderen.
H1.8: Economisch kringloopmodel (relaties tussen belangrijkste actoren in
economische omgeving omschreven).
H1.9: Hoofdelementen van het managementproces.
H1.10: Beleidsuitgangspunten visie en missie.
H1.11: Elementen van het 7S-model
Hoofdstuk 1.2 – Wat is een organisatie?
- Organisaties zijn belangrijk: individuen kunnen in beginsel niet bereiken wat wel
realiseerbaar is in grotere verbanden.
- Organisaties kunnen sterk van elkaar verschillen, maar hebben over het
algemeen drie dingen met elkaar gemeen: ze beschikken over doelstellingen,
mensen en middelen.
Mensen werken samen om de doelstellingen te bereiken en maken daarbij
vrijwel altijd gebruik van middelen.
,- Definiëren van een organisatie: doelgerichte samenwerkingsverbanden (in
sommige gevallen wordt daar ook het continuïteitsstreven aan toegevoegd =
blijvende doelgerichte samenwerkingsverbanden).
Hoofdstuk 1.3 – Hoe kunnen organisaties worden ingedeeld?
Organisaties kunnen op een aantal manieren worden ingedeeld:
1. De indeling naar bedrijven en overige organisaties
- Onder overkoepelende begrip ‘organisatie’ vallen bedrijven en overige
organisaties.
Bedrijven: zijn gericht op het verkopen van producten en diensten op de markt
(met winst = onderneming)
Overige organisaties: bieden geen producten en/of diensten aan op de markt.
V.B. de amateurtoneelvereniging richt zich primair op haar leden en niet op
afnemers.
- Naast profitorganisaties (gericht op winst) zijn er ook bedrijven die behoren tot
de non-profitorganisaties: geen vooropgezet doel voor het maken van winst (mag
wel!).
In eerste instantie gericht op het voorzien in een behoefte in de markt en
streven ernaar hun diensten aan te bieden tegen zo laag mogelijke kosten.
V.B. een niet geprivatiseerd opleidingsinstituut dat cursussen aanbiedt in een
plaatselijk wijkcentrum.
Bedrijven Overige organisaties
Voor hun voortbestaan zijn ze afhankelijk van Deze organisaties zijn
klanten. Onderscheiden worden niet afhankelijk van
profitbedrijven (dat zijn ondernemingen die klanten om te kunnen
streven naar het behalen van winst) en non- bestaan. Zij richten zich
profitbedrijven (die geen winst nastreven). primair op hun leden.
Voorbeelden Voorbeelden Voorbeelden:
profitbedrijven: non-profitbedrijven: -
- Philips - ziekenhuis amateursportvereniging
- Douwe Egberts - niet-particuliere school - kerk
- particuliere school - ministerie
- slager - bibliotheek
Tabel 1.1 Indeling organisaties
2. De indeling van organisaties volgens Starreveld (1970)
- Bedrijven worden op basis van bepaalde gezichtspunten onderverdeeld naar
vergelijkbare groepen (gebaseerd op administratieve of procesbenadering)
Typologiemodel van Starreveld: geeft concrete handvatten, vormgeven interne
beheersing van een organisatie.
Elk type organisatie bepaalde beheerinstrumenten meer voor de hand.
V.B. duidelijke verschillen tussen banken/productiebedrijven; verschillen in
processen (=infosystemen).
3. De indeling naar juridische criteria
- Indelen kan ook op basis van rechtsvorm, waarin 2 groepen te onderscheiden
zijn;
Organisaties zonder rechtspersoonlijkheid; eenmanszaak, maatschap,
vennootschap onder firma en de commanditaire vennootschap.
, Organisaties met rechtspersoonlijkheid; besloten vennootschap, naamloze
vennootschap, vereniging, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij en de
stichting (organisaties rechtspersonen).
- Een rechtspersoon is een organisatie die zelfstandig aan het rechtsverkeer
deelneemt en als zodanig eigen rechten en plichten heeft.
V.B. afnemer koop grondstoffen van bedrijf X, bedrijf X is juridisch gezien de
tegenpartij en niet de medewerker van X met wie de transactie wordt
afgehandeld organisatie heeft mensen nodig die voor haar optreden.
- Bij een naamloze vennootschap (NV) en een besloten vennootschap (BV)
zijn dat in ieder geval de directe (en in grote organisaties ook een aantal
functionarissen op lager niveau met beperkte verantwoordelijkheid).
Aansprakelijkheid beperkt; eigenaren (aandeelhouders) in beperkte mate
aansprakelijk en kunnen niet meer verliezen dan de waarde van de door hen
ingebrachte aandelen (privévermogen veilig voor zwaar weer/faillissement van
het bedrijf).
- Een eenmanszaak is geen rechtspersoon, want de positie van de organisatie
en die van de eigenaar zijn volledig met elkaar verweven = geen sprake van
beperkte aansprakelijkheid schuldeiser van eenmanszaak kan zich verhalen op
zowel het zaakvermogen als het privévermogen van de eigenaar.
- De Europese naamloze vennootschap (SE, Societas Europaea) is een rechtsvorm
voor vennootschappen met internationale activiteiten (bestaan in alle landen van
de EU en kan alleen door rechtspersonen in lidstaten worden opgericht).
Bedrijven kunnen als SE makkelijker fuseren, holdingmaatschappij of
gemeenschappelijke dochteronderneming oprichten.
Voor sociale ondernemingen (social enterprises) gaat handelen om meer
dan alleen geld verdienen (in beginsel als zelfvoorzienende organisatie) met het
bijdragen aan het leveren van een oplossing voor een maatschappelijk probleem;
ze proberen een positieve invloed uit te oefenen op mens en milieu (zowel profit
als non-profit).
- Indeling naar juridische criteria om verschillende redenen zinvol.
Naamloze vennootschap is een beursgenoteerde vennootschap: aandelen
kunnen op de beurs verhandeld worden en zijn vrij overdraagbaar. Dit zorgt voor
toegang tot een grote groep beleggers dan bijvoorbeeld een besloten
vennootschap: aandelen in handen van beperkte groep houders (staan op naam);
kunnen slechts onder voorwaarden worden verkocht en moeten eerst worden
aangeboden ter verkoop aan medeaandeelhouders.
NV heeft dus meer mogelijkheden om vermogen aan te trekken = wenselijk
voor grote investeringen.
4. De indeling naar soort samenwerking
- Er ontstaan steeds meer samenwerkingsverbanden tussen organisaties
(nationaal en internationaal niveau).
- Samenwerking op allerlei terreinen: bevordering van innovatie door
, kennisuitwisseling en het door de ene partij in licentie produceren en exploiteren
van het octrooi van de andere partij
- Samenwerking om allerlei redenen: concurrentiepositie verbeteren en barrières
wegnemen bij het betreden van buitenlandse markten.
Fusie: twee of meer organisaties worden samengevoegd tot een nieuwe
organisatie.
V.B. AMRO Bank en ABN Bank ABN AMRO Bank
Overname: de ene organisatie neemt de andere over. Overgenomen
organisatie is geen zelfstandige eenheid meer, maar om marketingredenen kan
het wenselijk of zinvol zijn om onder haar oude naam op de markt te laten
opereren.
Joint venture: vorm van samenwerking waarbij de samenwerkende
organisaties (twee bv’s of nv’s) deel van hun vermogen inbrengen in een nieuw
bedrijf, dat voor gezamenlijke rekening en risico een project tot ontwikkeling
brengt.
V.B. het oprichten van Geldmaat door de ABN AMRO, ING en de Rabobank.
Strategische samenwerking: samenwerkingsverband tussen twee of meer
organisaties die met behoud van zelfstandigheid en identiteit samenwerken op
een deelgebied dat van wezenlijk belang is voor de continuïteit van de
afzonderlijke organisaties.
V.B. samenwerking tussen Philips en Douwe Egberts (2001), uitmonding in de
marktintroductie van het Senseo-apparaat.
Outsourcing: als bedrijf zich volledig wil focussen op haar kerntaken.
V.B. Hogeschool besteedt catering/beveiliging uit aan externe organisaties (meer
richten op lesgeven/onderzoek).
- Uitbesteden kan aan bedrijven die ervaring hebben op bepaalde terreinen en de
activiteiten goedkoper kunnen uitvoeren; omdat dit voor meerdere organisaties al
gedaan wordt.
- Motieven voor uitbesteding zijn gelegen in de kosten en in de mogelijkheid om
meer van de beschikbare gelden te besteden aan andere activiteiten (die passen
binnen de kerntaken).
- Uitbesteding in bovenstaande geval aan derde, maar kan ook plaatsvinden
d.m.v. joint venture of een strategische samenwerking.
Samenwerkingsvormen in het distributiekanaal: belangrijkste vorm is de
inkoopcombinatie (IC), het vrijwillig filiaalbedrijf en de franchise.
- IC: juridisch zelfstandige detaillisten zetten een eigen inkoopcentrale op die
orders verzamelt en deze in één keer plaatst bij fabrikanten (= lagere prijzen
kunnen worden bedongen). Vaak voeren zij eenzelfde merk, waarmee zij als
eenheid naar buiten treden.
- Vrijwillig filiaalbedrijf: vergelijkbaar met IC, maar hier werken juridisch
zelfstandige detaillisten samen met een of meer groothandels (doen in beginsel
hetzelfde als de inkoopcentrales van de IC). Ook deze detaillisten gaan een
horizontale samenwerking aan (één merk en gezamenlijke promotie).
- Franchise: eigenaar (franchisegever) van marketingformule maakt afspraken
met juridisch zelfstandige detaillisten (franchisenemers) over de exploitatie van
zijn formule. Franchisenemers betalen in de regel een entry fee en een
percentage van de omzet aan de eigenaar.
Organisatiekunde in historisch perspectief
Waarom deze module?
- Huidige situatie: werknemers beschermd door vakbonden en sociale
verzekeringen (Ziektewet, Werkloosheidswet, enz.).
- Situatie rond 1900: geen rechten, overgeleverd aan de grillen van de rijke en
machtige werkgevers. Tijd van puur kapitalisme (recht van de sterkste gold).
Op sociaaleconomisch vlak waren vraag-en-aanbodverhoudingen
allesbepalend en de overheid greep niet of nauwelijks in (laisser-faire).
Bepaalde verschijnselen die toen geïntroduceerd werden, zoals de lopende band,
bestaan nog steeds (niet alleen productiebedrijven, maar ook bij sommige
dienstverlenende bedrijven).
- Ontwikkeling jaren 20 vorige eeuw: productieprocessen standaardiseren, monde
vorige eeuw uit in lopendebandsysteem.
- Ontwikkeling jaren zestig: ingrijpende sociale omwentelingen die ook invloed
hadden op het bestuur van ondernemingen, maar ook de periode waarin welvaart
zeer sterk toenam.
- Uit Amerika kwam de marketinggedachte ‘De klant is koning’ overgewaaid.
- Ontwikkeling jaren tachtig: Initiatie door Europese Commissie; getracht te
streven naar volledige Europese economische integratie nieuwe impulsen te
geven onder de vlag ‘Europa 1992’ in bedrijfsleven groot aantal overnames,
fusies en joint ventures.
Hoofdstuk 1.1 – Inleiding
H1.2: Wat is een organisatie precies?
H1.3: Het op enkele manieren indelen van organisaties.
H1.4: Welke ontwikkelingen in de organisatietheorie kunnen worden
onderscheden.
Verdeeld in 4 periodes; eind negentiende eeuw tot circa 1935, van circa 1935
tot circa 1955, van circa 1955 tot 2000 en van 2000 tot het heden.
H1.5: Aandacht voor medezeggenschap en de ontwikkeling daarvan vanaf 1950
(Wet op ondernemingsraden van kracht).
H1.6: Enkele vermaarde denkers over management en organisatievraagstukken.
H1.7: Trends en ontwikkelingen van ondernemingen aan de hand van markteisen
die met de tijd veranderen.
H1.8: Economisch kringloopmodel (relaties tussen belangrijkste actoren in
economische omgeving omschreven).
H1.9: Hoofdelementen van het managementproces.
H1.10: Beleidsuitgangspunten visie en missie.
H1.11: Elementen van het 7S-model
Hoofdstuk 1.2 – Wat is een organisatie?
- Organisaties zijn belangrijk: individuen kunnen in beginsel niet bereiken wat wel
realiseerbaar is in grotere verbanden.
- Organisaties kunnen sterk van elkaar verschillen, maar hebben over het
algemeen drie dingen met elkaar gemeen: ze beschikken over doelstellingen,
mensen en middelen.
Mensen werken samen om de doelstellingen te bereiken en maken daarbij
vrijwel altijd gebruik van middelen.
,- Definiëren van een organisatie: doelgerichte samenwerkingsverbanden (in
sommige gevallen wordt daar ook het continuïteitsstreven aan toegevoegd =
blijvende doelgerichte samenwerkingsverbanden).
Hoofdstuk 1.3 – Hoe kunnen organisaties worden ingedeeld?
Organisaties kunnen op een aantal manieren worden ingedeeld:
1. De indeling naar bedrijven en overige organisaties
- Onder overkoepelende begrip ‘organisatie’ vallen bedrijven en overige
organisaties.
Bedrijven: zijn gericht op het verkopen van producten en diensten op de markt
(met winst = onderneming)
Overige organisaties: bieden geen producten en/of diensten aan op de markt.
V.B. de amateurtoneelvereniging richt zich primair op haar leden en niet op
afnemers.
- Naast profitorganisaties (gericht op winst) zijn er ook bedrijven die behoren tot
de non-profitorganisaties: geen vooropgezet doel voor het maken van winst (mag
wel!).
In eerste instantie gericht op het voorzien in een behoefte in de markt en
streven ernaar hun diensten aan te bieden tegen zo laag mogelijke kosten.
V.B. een niet geprivatiseerd opleidingsinstituut dat cursussen aanbiedt in een
plaatselijk wijkcentrum.
Bedrijven Overige organisaties
Voor hun voortbestaan zijn ze afhankelijk van Deze organisaties zijn
klanten. Onderscheiden worden niet afhankelijk van
profitbedrijven (dat zijn ondernemingen die klanten om te kunnen
streven naar het behalen van winst) en non- bestaan. Zij richten zich
profitbedrijven (die geen winst nastreven). primair op hun leden.
Voorbeelden Voorbeelden Voorbeelden:
profitbedrijven: non-profitbedrijven: -
- Philips - ziekenhuis amateursportvereniging
- Douwe Egberts - niet-particuliere school - kerk
- particuliere school - ministerie
- slager - bibliotheek
Tabel 1.1 Indeling organisaties
2. De indeling van organisaties volgens Starreveld (1970)
- Bedrijven worden op basis van bepaalde gezichtspunten onderverdeeld naar
vergelijkbare groepen (gebaseerd op administratieve of procesbenadering)
Typologiemodel van Starreveld: geeft concrete handvatten, vormgeven interne
beheersing van een organisatie.
Elk type organisatie bepaalde beheerinstrumenten meer voor de hand.
V.B. duidelijke verschillen tussen banken/productiebedrijven; verschillen in
processen (=infosystemen).
3. De indeling naar juridische criteria
- Indelen kan ook op basis van rechtsvorm, waarin 2 groepen te onderscheiden
zijn;
Organisaties zonder rechtspersoonlijkheid; eenmanszaak, maatschap,
vennootschap onder firma en de commanditaire vennootschap.
, Organisaties met rechtspersoonlijkheid; besloten vennootschap, naamloze
vennootschap, vereniging, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij en de
stichting (organisaties rechtspersonen).
- Een rechtspersoon is een organisatie die zelfstandig aan het rechtsverkeer
deelneemt en als zodanig eigen rechten en plichten heeft.
V.B. afnemer koop grondstoffen van bedrijf X, bedrijf X is juridisch gezien de
tegenpartij en niet de medewerker van X met wie de transactie wordt
afgehandeld organisatie heeft mensen nodig die voor haar optreden.
- Bij een naamloze vennootschap (NV) en een besloten vennootschap (BV)
zijn dat in ieder geval de directe (en in grote organisaties ook een aantal
functionarissen op lager niveau met beperkte verantwoordelijkheid).
Aansprakelijkheid beperkt; eigenaren (aandeelhouders) in beperkte mate
aansprakelijk en kunnen niet meer verliezen dan de waarde van de door hen
ingebrachte aandelen (privévermogen veilig voor zwaar weer/faillissement van
het bedrijf).
- Een eenmanszaak is geen rechtspersoon, want de positie van de organisatie
en die van de eigenaar zijn volledig met elkaar verweven = geen sprake van
beperkte aansprakelijkheid schuldeiser van eenmanszaak kan zich verhalen op
zowel het zaakvermogen als het privévermogen van de eigenaar.
- De Europese naamloze vennootschap (SE, Societas Europaea) is een rechtsvorm
voor vennootschappen met internationale activiteiten (bestaan in alle landen van
de EU en kan alleen door rechtspersonen in lidstaten worden opgericht).
Bedrijven kunnen als SE makkelijker fuseren, holdingmaatschappij of
gemeenschappelijke dochteronderneming oprichten.
Voor sociale ondernemingen (social enterprises) gaat handelen om meer
dan alleen geld verdienen (in beginsel als zelfvoorzienende organisatie) met het
bijdragen aan het leveren van een oplossing voor een maatschappelijk probleem;
ze proberen een positieve invloed uit te oefenen op mens en milieu (zowel profit
als non-profit).
- Indeling naar juridische criteria om verschillende redenen zinvol.
Naamloze vennootschap is een beursgenoteerde vennootschap: aandelen
kunnen op de beurs verhandeld worden en zijn vrij overdraagbaar. Dit zorgt voor
toegang tot een grote groep beleggers dan bijvoorbeeld een besloten
vennootschap: aandelen in handen van beperkte groep houders (staan op naam);
kunnen slechts onder voorwaarden worden verkocht en moeten eerst worden
aangeboden ter verkoop aan medeaandeelhouders.
NV heeft dus meer mogelijkheden om vermogen aan te trekken = wenselijk
voor grote investeringen.
4. De indeling naar soort samenwerking
- Er ontstaan steeds meer samenwerkingsverbanden tussen organisaties
(nationaal en internationaal niveau).
- Samenwerking op allerlei terreinen: bevordering van innovatie door
, kennisuitwisseling en het door de ene partij in licentie produceren en exploiteren
van het octrooi van de andere partij
- Samenwerking om allerlei redenen: concurrentiepositie verbeteren en barrières
wegnemen bij het betreden van buitenlandse markten.
Fusie: twee of meer organisaties worden samengevoegd tot een nieuwe
organisatie.
V.B. AMRO Bank en ABN Bank ABN AMRO Bank
Overname: de ene organisatie neemt de andere over. Overgenomen
organisatie is geen zelfstandige eenheid meer, maar om marketingredenen kan
het wenselijk of zinvol zijn om onder haar oude naam op de markt te laten
opereren.
Joint venture: vorm van samenwerking waarbij de samenwerkende
organisaties (twee bv’s of nv’s) deel van hun vermogen inbrengen in een nieuw
bedrijf, dat voor gezamenlijke rekening en risico een project tot ontwikkeling
brengt.
V.B. het oprichten van Geldmaat door de ABN AMRO, ING en de Rabobank.
Strategische samenwerking: samenwerkingsverband tussen twee of meer
organisaties die met behoud van zelfstandigheid en identiteit samenwerken op
een deelgebied dat van wezenlijk belang is voor de continuïteit van de
afzonderlijke organisaties.
V.B. samenwerking tussen Philips en Douwe Egberts (2001), uitmonding in de
marktintroductie van het Senseo-apparaat.
Outsourcing: als bedrijf zich volledig wil focussen op haar kerntaken.
V.B. Hogeschool besteedt catering/beveiliging uit aan externe organisaties (meer
richten op lesgeven/onderzoek).
- Uitbesteden kan aan bedrijven die ervaring hebben op bepaalde terreinen en de
activiteiten goedkoper kunnen uitvoeren; omdat dit voor meerdere organisaties al
gedaan wordt.
- Motieven voor uitbesteding zijn gelegen in de kosten en in de mogelijkheid om
meer van de beschikbare gelden te besteden aan andere activiteiten (die passen
binnen de kerntaken).
- Uitbesteding in bovenstaande geval aan derde, maar kan ook plaatsvinden
d.m.v. joint venture of een strategische samenwerking.
Samenwerkingsvormen in het distributiekanaal: belangrijkste vorm is de
inkoopcombinatie (IC), het vrijwillig filiaalbedrijf en de franchise.
- IC: juridisch zelfstandige detaillisten zetten een eigen inkoopcentrale op die
orders verzamelt en deze in één keer plaatst bij fabrikanten (= lagere prijzen
kunnen worden bedongen). Vaak voeren zij eenzelfde merk, waarmee zij als
eenheid naar buiten treden.
- Vrijwillig filiaalbedrijf: vergelijkbaar met IC, maar hier werken juridisch
zelfstandige detaillisten samen met een of meer groothandels (doen in beginsel
hetzelfde als de inkoopcentrales van de IC). Ook deze detaillisten gaan een
horizontale samenwerking aan (één merk en gezamenlijke promotie).
- Franchise: eigenaar (franchisegever) van marketingformule maakt afspraken
met juridisch zelfstandige detaillisten (franchisenemers) over de exploitatie van
zijn formule. Franchisenemers betalen in de regel een entry fee en een
percentage van de omzet aan de eigenaar.