Hoofdstuk 1: wat is natuur en techniek?
Doelen van het vak natuur en techniek:
Doel 1: mensen zijn onlosmakelijk verbonden met de natuur. We hebben schone lucht
nodig om te kunnen ademen en schoon water nodig om te kunnen drinken. We eten
planten en dieren, gebruiken bomen voor papier en hout, delven grondstoffen om
energie op te wekken, halen medicijnen uit de natuur en nog veel meer. Natuur en
techniek gaat er voor een deel om om kinderen bewust te maken van het belang van
de natuur voor ons mensen.
Doel 2: mensen zijn altijd gefascineerd geweest door natuur. Dan gaat het niet alleen
om de levende natuur zoals planten en dieren, maar ook om de niet-levende natuur.
Waarom ziet een vis eruit zoals hij eruitziet? Hoe groeit een boom? Hoe ontstaat
regen, sneeuw of een storm? Hoe werken licht en geluid? Natuur en techniek gaat ook
over het leren aan kinderen hoe de wereld in elkaar ziet.
Doel 3: techniek gaat niet over de natuur, maar juist over zaken die mensen
ontwikkeld hebben. Het gaat daarbij om voorwerpen en hulpmiddelen die we gemaakt
hebben om het leven gemakkelijker te maken. Van redelijk eenvoudige producten
zoals een flesopener tot een rits tot ingewikkeldere apparaten zoals een thermostaat of
computer.
Kerndoelen basisonderwijs:
40. de leerlingen leren in de eigen omgeving veelvoorkomende planten en dieren te
onderscheiden en benoemen en leren hoe ze functioneren in hun leefomgeving.
41. de leerlingen leren over de bouw van planten, dieren en mensen en over de vorm
en functie van hun onderdelen.
42. de leerlingen leren onderzoek doen aan materialen en natuurkundige
verschijnselen, zoals geluid, licht, elektriciteit, kracht, magnetisme en temperatuur.
43. de leerlingen leren hoe je weer een klimaat kunt beschrijven met behulp van
temperatuur, neerslag en wind.
44. de leerlingen leren bij producten uit hun eigen omgeving relaties te leggen tussen
de werking, de vorm en het materiaalgebruik.
45. de leerlingen leren oplossingen voor technische problemen te ontwerpen, deze uit
te voeren en te evalueren.
46. de leerlingen leren dat de positie van de aarde ten opzichte van de zon seizoenen
en dag en nacht veroorzaakt.
Kerndoel mens en samenleving:
De leerlingen leren met zorg om te gaan met het milieu.
, • Bij het vak natuur en techniek gaat het niet alleen om inhouden, maar ook
om vaardigheden. Er zijn twee soorten vaardigheden: onderzoeken en
ontwerpen.
Bij onderzoeken gaat het om het kunnen opzetten en uitvoeren van een
onderzoek naar aanleiding van een onderzoeksvraag.
Bij het ontwerpen gaat het om het bedenken, ontwikkelen en uittesten van
een oplossing voor een probleem.
Daarnaast komen ook nog reken-wiskundige vaardigheden van pas en
vaardigen als ‘beleven en waarderen’. Waardoor ze op een positieve
manier de natuur beleven.
Vier verschillende didactiek centraal:
1. Didactiek van onderzoekend leren: gericht op het doen van proefjes.
Kinderen doen onderzoek om erachter te komen hoe iets werkt,
bijvoorbeeld magnetron of spiegels.
2. Didactiek van ontwerpend leren: gericht op het ontwerpen van
technische oplossingen voor problemen. Hierbij maken kinderen een
prototype van hun oplossing die ze kunnen testen.
3. Didactiek van ontmoeten: gericht op natuurbeleving. Kinderen gaan naar
buiten om de natuur op een positieve manier te ervaren.
4. Didactiek van keuzes maken: gericht op waardenvorming ten aanzien
van natuur en milieu. Hierbij maak je kinderen bewust van
milieuproblemen, zoals afval of klimaatverandering.
Hoofdstuk 2: biologische eenheid
2.1 organisatieniveau cel
Organisatieniveaus: een rijtje van klein het onderscheiden van deze niveaus
helpt om de biologie te begrijpen. Elke stap is een manier om naar het leven en
de wereld te kijken. De onderdelen van de organisatieniveaus werken samen
Cellen en organellen
Alle organismen zijn opgebouwd uit cellen. Een bacterie bestaat uit één cel maar
grote organismen, zoals mensen, bestaan uit miljarden cellen. Een cel is zo klein
dat je ze niet met blote ogen kan zien. Ze kunnen er heel verschillend uitzien.
Een cel is een levende eenheid die kunnen groeien en delen. Ze hebben voedsel
nodig, scheiden afval af en bewegen zelfs.
Organellen: speciale structuren van cellen. Betekent letterlijk ‘klein orgaan’. Er
zijn plantencellen, dierlijke cellen en een bacterie.
Celmembraan
Het Celmembraan is een scheiding tussen de binnen- en buitenkant van een cel.
Het is een dun vliesje dat de binnenkant van de cel, het celplasma, omsluit. Door
het celmembraan blijven nuttige stoffen in de cel en worden schadelijke stoffen
tegengehouden (bevat kanalen die open en dicht kunnen). De andere functie van
het membraan is het regelen van het transport.
Celplasma
Het celplasma is een soort dikke vloeistof waarin de andere organellen liggen.
, Celwand
Een dik omhulsel dat de
cel stevigheid geeft.
Dierlijke cellen hebben
geen celwand.
Celkern
De Celkern is een soort
bibliotheek waarin
erfelijke informatie ligt.
De erfelijke informatie is
opgeslagen in de vorm
van DNA.
DNA
DNA is een lange keten
van zeer kleine
bouwstenen
(nucleïnezuren) die in
de chromosomen ligt
opgevouwen.
Genen
Stukken uit de lange
DNA-keten zijn genen.
Genen zijn instructies
voor wat er in een cel
gebeurt.
Door de genen kunnen cellen samenwerken. Zo vormen cellen
bijvoorbeeld organen, bijvoorbeeld bruine ogen.
Mitochondrion
Het voedsel dat we eten, levert de brandstof. Het mitochondrion zet de brandstof
om in energiepakketjes voor de andere organellen.
Vacuole
Vacuole is een blaasje gevuld met water. Het is een soort opslagruimte voor de
cel voor het bewaren van nuttige of juist schadelijke stoffen. Dierlijke cellen
hebben meestal geen of enkele kleine vacuolen. Plantelcellen hebben meestal
één grote vacuole en speelt hier ook een rol voor stevigheid van de cel.
Bladgroenkorrels
Deze zorgen voor de groene kleur van de bladeren en de stengels van planten.
Bladgroenkorrels gebruiken koolzuurgas (CO2) (uit de lucht) en water en zitten
dit om in voedingsstoffen voor de plant. Zonlicht levert de energie voor deze
omzetting. Dit proces heet ook wel fotosynthese.
2.2 organisatieniveau orgaan en orgaanstelsel
Een orgaan is een onderdeel van een organisme, zoals de longen van een dier of
de bloem van een plant. Een orgaan heeft één of meerdere functies. Longen
maken ademhaling mogelijk en een bloem is een voortplantingsorgaan. Organen
zijn opgebouwd uit weefsels. Elk weefsel bestaat uit gelijksoortige cellen.
, Orgaanstelsel: organen werken hierin samen. Het bloedvatenstelsel bestaat uit
bijvoorbeeld aders, slagaders, het hart en het bloed. Door deze samenwerking
kunnen organismen functioneren.
Orgaanstelsel Belangrijkste functie Voorbeelden Hoofdstuk
van organen
Bloedvatenstelsel Transport van afvalstoffen Slagaders, hart 3
en nuttige stoffen door het
lichaam
Ademhalingsstelsel Opname van zuurstof (O2) Longen 3
en afgifte van koolzuur
(CO2)
Spijsverteringsstelsel Verteren van voedsel en het Maag en darmen 3
opnemen van nuttige
stoffen
Lever Verwerken van allerlei Lever 3
verschillende stoffen
Uitscheidingsstelsel Zorgen dat de afvalstoffen Nieren 3
het lichaam verlaten
Lymfevatenstelsel Ondersteunen van het Lymfeknopen 3
bloedvatenstelsel en de
afweer
Zintuigen Opvangen van prikkels uit Oog, oor 4
het lichaam en de omgeving
Zenuwstelsel Doorgeven van singaleren Hersenen 4
tussen zintuigen, organen,
spieren en hersenen
Hormoonstelsel Doorgeven van verschillen Hypofyse, 4
signalen tussen bijnieren
verschillende organen
Skelet Geeft stevigheid en vorm Gewrichten 3
aan het lichaam, maakt
beweging mogelijk
Spierstelsel Maakt beweging mogelijk Armspieren 3
Voortplantingsstelsel Voortplanting Eierstokken, 5
teelballen
Het belangrijkste orgaanstelsel van planten zijn het voortplantingsstelsel, het
transportstelsel en het ademhalingsstelsel.
1. Voortplantingsstelsel: bloem met stampers en meeldraden
2. Transportstelsel: vaten lopen omhoog en omlaag door de stengel naar alle
onderdelen van de plant.
3. Ademhalingsstelsel: huidmondjes om de onderzijde van een blad. Door de
mondvorm kunnen huidmondjes sluiten als dat nodig is.
2.3 organisatieniveau organisme
Organisme: een levend wezen. De verschillen zijn groot maar ook veel
overeenkomsten. Alle organismen voeden zich, planten zich voort, overleven
vijanden en verdedigen zich tegen invloeden uit de omgeving.
Een soort is een groep organismen die (meestal) op elkaar lijken, zich met elkaar
kunnen voortplanten en vruchtbare nakomelingen krijgen.
→ Ezels en paarden worden muildieren of muilezels maar kunnen geen
nakomelingen krijgen en behoren dus tot een andere soort.