Wat is het goederenrecht?
Een persoon kan op twee manieren een verhouding hebben tot een goed:
1. Een feitelijke verhouding
Bezit en houderschap laten zien hoe iemand feitelijk over een goed beschikt.
2. Juridische verhouding
Rechten zoals eigendom (goederenrecht) of huur (verbintenissenrecht) geven aan wie juridisch
eigenaar of gerechtigd is tot het goed.
Het recht in Nederland
1. Objectief recht: alle rechtsgebieden
2. Subjectief recht: recht dat een persoon heeft op basis van het objectief recht
- Absolute rechten: tegenover iedereen (goederenrecht)
- Relatieve rechten: tegenover specifieke personen (verbintenissenrecht)
Kenmerken van het goederenrecht
1. Absolute werking: Een recht heeft betrekking op een goed en kan tegen iedereen worden
ingeroepen. Dit is absolute werking of derdenwerking.
2. Gesloten systeem (numerus clausus): Alle goederenrechtelijke rechten die er zijn moeten
uitdrukkelijk in de wet staan. Partijen kunnen geen goederenrechtelijke rechten creëren. (3:81)
3. Zaaksgevolg – ‘droit de suite’: Het goederenrechtelijke recht volgt het goed altijd. Bijvoorbeeld
als een goed is belast met beperkt recht, dan blijft dat recht rusten op het goed, zelfs als het
verkocht wordt aan een ander.
4. Prioriteitsbeginsel – ‘droit de priorité': Oud voor nieuw absoluut recht
5. Separatist in faillissement: Zelfs als degene die het goed onder zich heeft, zich in faillissement
verkeert, heeft de rechthebbende het recht om zijn recht uit te oefenen.
Deze kenmerken beschermen de rechtszekerheid en voorkomen dat derden onverwacht met
nieuwe/afwijkende goederenrechtelijke constructies worden geconfronteerd.
Terminologie van het goederenrecht
1 | Goederen – 3:1
Alle zaken (3:2) en vermogensrechten (3:6)
2 | Zaken – 3:2
Zaken zijn de voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten (vb. boek, huis etc.)
- Objecten zoals lucht of zee zijn geen zaken omdat ze niet door mensen beheerst kunnen worden.
2.1 | Roerende en onroerende zaken – 3:3
1. Onroerende zaken: grond, nog niet gewonnen delfstoffen, met de grond verenigde beplantingen,
gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd. HR Portacabin-arrest
2. Roerende zaken: alle zaken die niet onroerend zijn, zoals fiets of telefoon.
HR Portacabin-arrest (r.o. 3.3) – onderscheid roerend en onroerend.
,Een bouwwerk is onroerend als het naar zijn aard en inrichting is bedoeld om blijvend ter plaatse te
blijven. Een bouwwerk is niet automatisch roerend alleen omdat het technisch verplaatst kan worden.
- Een gebouw kan technisch demonteerbaar zijn, maar toch onroerend als het bedoeld is om
duurzaam op één plek te blijven.
- Doorslaggevend is of het gebouw bedoeld is om permanent op die specifieke locatie te blijven.
Dit doel moet kenbaar zijn.
3 | Bestanddelen – 3:4
Bestanddelen is een object dat volgens de verkeersopvatting deel uitmaakt van de hoofdzaak.
1. Immateriële band (lid 1): Het object behoort volgens de verkeersopvattingen tot de hoofdzaak.
- Voorbeeld: Een fietszadel hoort bij een fiets, omdat mensen dat normaal zo zien.
2. Materiële band (lid 2): Het object is zo met de hoofdzaak verbonden dat ze niet zonder
beschadiging van elkaar te scheiden zijn.
- Voorbeeld: Een baksteen vastgemetseld in een muur.
HR Dépex/Curatoren (r.o. 3.7) criteria voor verkeersopvattingen:
1. Constructieve afstemming: is er een fysieke/functionele afstemming tussen bestanddeel en
hoofdzaak? (Is het gebouw specifiek voor de apparatuur gebouwd?)
2. Onvoltooid zonder bestanddeel: is de hoofdzaak onvolledig zonder dit bestanddeel?
Let op: deze criteria kan je ook gebruiken als het niet gaat over een gebouw, maar verwijs dan niet naar
het arrest
Het eenheidsbeginsel betekent dat de eigenaar van een zaak ook eigenaar is van alles wat volgens de wet
als onderdeel van die zaak wordt gezien. Als een onderdeel een bestanddeel wordt, is er geen zelfstandige
eigendom meer. (5.3)
4 | Vermogensrechten – 3.6
Rechten die voldoen aan een van de volgende criteria:
- Overdraagbaarheid (recht van eigendom)
- Strekken om de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen
Rechthebbende heeft de mogelijkheid om economisch voordeel te verkrijgen.
- Verkregen in ruil voor een gegeven of nog te krijgen voordeel
Het recht is verkregen door een ruil van een ander stoffelijk goed, zoals geld of goederen.
5 | Registergoederen – 3:10
Goederen waarvoor overdracht of vestiging inschrijving in het openbare register vereist is. Vereisten:
1. Register bestaan waarin de vestiging of overdracht kan worden ingeschreven
2. Register moet openbaar zijn
3. Inschrijving in het register moet voor de vestiging of overdracht constitutief zijn.
Het is belangrijk om te weten of een goed een registergoed is, omdat er voor overdracht van een
registergoed andere vereisten zijn (3.84 jo. 3.89).
Let op: Een auto is geen registergoed, omdat het niet in een openbaar register wordt geregistreerd.
Drie belangrijk catergorieen registergoederen:
, 1. Onroerende zaken: 3:89 vereist dat bij overdracht van onroerende zaken een notariële akte
wordt opgemaakt, die moet worden ingeschreven in de openbare registers.
2. Teboekstaande schepen en luchtvaartuigen: Volgens art. 8:199 BW, art. 8:790 BW, en art.
8:1306 BW zijn deze registergoederen.
3. Beperkte rechten op registergoederen: Volgens art. 3:98 BW gelden dezelfde regels als voor de
overdracht van het goed waarop het recht wordt gevestigd (bijvoorbeeld een hypotheekrecht op
een huis).
6 | Absolute en relatieve rechten
- Absolute rechten: Rechten die je tegenover iedereen kunt handhaven, iedereen moet het
respecteren. Absolute rechten hebben absolute werking. (goederenrecht)
- Relatieve rechten: Rechten tegenover een specifieke persoon. (verbintenissenrecht).
7 | Beperkte rechten – 3:8
Beperkte rechten zijn rechten die afgeleid zijn van een groter recht, vaak het eigendom (omvattend recht).
Het recht waarop het is gebaseerd is het moederrecht (bv. eigendomsrecht, erfpacht).
- Eigendom geeft de eigenaar volledige bevoegdheden over het goed, maar een eigenaar kan
bevoegdheden afstaan door middel van beperkt recht.
Twee soorten beperkte rechten:
1. Genotsrechten: rechthebbende heeft het
recht om een goed te gebruiken en te
genieten:
- Vruchtgebruik (3:201)
- Erfdienstbaarheid (5:70)
- Erfpacht (5:85)
- Opstal (5:101)
- Appartement (5:106)
2. Zekerheidsrechten: rechthebbende
zekerheid dat een schuld zal worden betaald.
- Pandrecht (3:227)
- Hypotheek (3:227)
Natrekking op grond van 3:3 lid 1 jo. 5:20
Natrekking betekent dat een zelfstandige zaak onderdeel wordt van een andere, grotere zaak (de
hoofdzaak). Volgens het eenheidsbeginsel (5:3) wordt de eigenaar van de hoofdzaak automatisch ook
eigenaar van de toegevoegde zaak.
5:20 lid 1 sub e: Bepaalt dat de eigendom van de grond ook de eigendom van gebouwen en werken
omvat die duurzaam met de grond verenigd zijn, tenzij een andere regel dit anders bepaalt. 3:3 lid 1 maakt
alleen een onderscheid tussen roerend en onroerend.
HR Portacabin 3.3:
Volgens dit arrest wordt bepaald of een gebouw onroerend is op basis van het bestemmingscriterium:
, - Het gebouw moet naar aard en inrichting bestemd zijn om duurzaam ter plaatse te blijven.
- Belangrijk: De intentie van de bouwer telt alleen als deze naar buiten kenbaar is.
- Verkeersopvattingen zijn slechts een hulpmiddel, geen hoofdcriterium.
- De technische mogelijkheid om een gebouw te verplaatsen is niet van belang.
Uitzonderingen op natrekking:
- Opstalrecht (5:101): Wanneer er een opstalrecht wordt gevestigd op een gebouw, wordt het
gebouw niet nagetrokken door de grond, maar blijft het eigendom van de houder van het
opstalrecht.
- Tijdelijke bouwwerken: Bijvoorbeeld een tent of een woonwagen is geen bestanddeel van de
grond, ook al staat deze in de grond verankerd.
Stappenplan natrekking met casus
Stap 1: Begin bij de eigendom van de grond
- Uitgangspunt: De eigenaar van de grond is ook eigenaar van wat duurzaam met de grond is
verenigd (5:20 lid 1 sub e).
Stap 2: Toetsen aan HR Portacabin
Is het gebouw of werk naar aard en inrichting bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven?
- De technische verplaatsbaarheid is niet relevant.
- De bedoeling van de bouwer/opdrachtgever telt alleen als deze naar buiten kenbaar is.
- Verkeersopvattingen kunnen als hulpmiddel worden gebruikt bij twijfel.
Casus Toepassingen
Voorbeeld 1: Tent op camping:
C heeft een tent opgezet op een camping, die is verankerd met haringen op de grond van A
Toetsing aan HR Portacabin:
- Tent is niet bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven.
- De bedoeling van de bouwer (C) is tijdelijk verblijf.
- Verkeersopvattingen bevestigen dat een tent geen duurzaam bouwwerk is.
Conclusie: Tent wordt niet nagetrokken, blijft eigendom van C.
Voorbeeld 2: Nieuwbouwhuis
D bouwt een nieuwbouwhuis op de grond van A.
Toetsing aan HR Portacabin:
- Huis is naar aard en inrichting bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven.
- De bedoeling van de bouwer is dat het huis permanent blijft staan.
- De verkeersopvatting bevestigt dat een huis een onroerende zaak is.
Conclusie: Huis wordt door natrekking eigendom van A (grondeigenaar). D verliest daarmee zijn
eigendom van het huis